Profiel: Maryam Rajavi

Diplomatiek vijgenblad

De aanblik is aangrijpend, het effect theatraal en zeldzaam dwingend. Voorbijgangers slaan hun handen voor hun ogen in een mengeling van medelijden en afgrijzen. Terwijl agenten, brandweerlieden of omstanders pogingen ondernemen om hen te blussen, blijven de slachtoffers overmand door pijn in het wilde weg rondrennen en zakken ten slotte bewusteloos in elkaar. Of ze nu sterven of niet, ze halen alle journaals en voorpagi na’s. Is er een overtuigender daad van protest denkbaar dan jezelf met benzine overgieten en in brand steken?

Toch klopt er iets niet aan de zelfverbrandingen waarmee aanhangers van de Moedjahidien-e Khalq («Vrijheidsstrijders van het volk») de afgelopen week in Parijs, Londen, Rome en Bern de aandacht van de wereld op zich vestigden. De MeK is de grootste (of in elk geval invloedrijkste) beweging binnen het Iraanse verzet in ballingschap.

De ballingen hebben hun inspanningen sinds 1981 gebundeld in een Raad van Verzet die beschikt over een wijdvertakt netwerk in Europa, de VS en de Arabische landen. Om zich af te zetten tegen het regime van de ayatollahs in Teheran presenteert de Raad zichzelf als door en door modern en democratisch.

Het Handvest van de Moedjahidien voldoet ontegenzeggelijk aan die norm. Het roept op tot vrijheid van meningsuiting, godsdienst en vergadering, democratische verkiezingen, een scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke machten en een verbod op discriminatie van vrouwen, etnische minderheden en artistieke uitingen. Dat is hetzelfde ideaal waarvoor duizenden studenten en andere demonstranten de afgelopen weken in Teheran en andere grote steden hun leven waagden.

Maar voor dat ideaal staken de MeK- aanhangers zichzelf niet in brand. Dat deden ze omwille van hun leidster Maryam Rajavi, de gedoodverfde «presidente van Iran», die vorige week samen met 150 andere partij leden werd opgepakt door de Franse politie in het marktplaatsje Auvers-sur-Oise waar ze hun hoofdkwartier hadden gevestigd.

Volgens de Franse autoriteiten hadden de Moedjahidien vergevorderde plannen om Iraanse ambassades in heel Europa te overvallen. Een beschuldiging die des te geloofwaardiger klinkt omdat de MeK in 1992 al eens gelijktijdige overvallen heeft gepleegd op elf ambassades, bij wijze van vergelding voor een bombardement op hun kampen in Irak door de Iraanse luchtmacht. Die neiging tot geweld tegen «zachte» doelen komt niet uit de lucht vallen. De Moedjahidien worden al jaren als terroristische organisatie aangemerkt door de Verenigde Staten, de VN en Interpol. Door de zelfverbrandingen geven ze er bovendien blijk van dat ze lijden aan dezelfde sektarische trekjes als het regime dat ze willen bestrijden.

De arrestaties zijn natuurlijk een zware slag voor de organisatie, zowel organisatorisch als financieel, maar de wanhoop van sommige leden moet toch vooral worden verklaard door hun geestelijk isolement. De Moedjahidien zijn buiten Iran sterker vertegenwoordigd dan in het land zelf. Ze danken hun status aan hun ballingschap, aan hun diplomatieke contacten in westerse hoofdsteden, hun sterk ontwikkelde fondsenwerving en hun spectaculaire maar weinig effectieve gewapende acties op Iraans grondgebied. Op de politieke ontwikkelingen in het land lijken ze echter weinig invloed te hebben, wat extra pijnlijk is omdat die zich in een stroomversnelling bevinden. Juist nu de Iraanse jeugd een nieuwe fase in de democratisering afdwingt door de voorzichtige aanpak van president Khatami af te wijzen en drastische hervormingen te eisen, staan de Moedjahidien buiten spel.

Misschien verklaart dat isolement de razernij waarin ze vorige week letterlijk en figuurlijk zijn ontstoken. Het verklaart in elk geval hun dubbelzinnige houding ten opzichte van de democratie waarvan Rajavi een getrouwe afspiegeling is. Enerzijds is ze activiste, houdt opruiende redevoeringen en vergaart fondsen ten behoeve van een gewapende strijd waarbij ook burgers en doelen buiten Iran niet worden gespaard. Anderzijds is ze een vaardige diplomate die zich op internationale fora gematigd en «presidentiabel» voordoet en zich gedraagt als de grande dame van het Iraanse verzet. Als verklaard feministe benadrukt ze de noodzaak van geestelijke en sociale onafhankelijkheid voor vrouwen, maar volgens ingewijden dankt ze haar positie grotendeels aan haar man. Massoed Rajavi leidt de militaire vleugel van de beweging en bedreigt diezelfde ingewijden met de dood als zij hun kritiek op de beweging of zijn echtgenote naar buiten brengen. Anders dan het Handvest suggereert is het democratisch gehalte van de MeK dus nihil.

Terwijl Massoed Rajavi de partij bestiert en de leden met harde hand in het gelid dwingt, heeft hij rond zijn vrouw doelbewust een persoonscultus gekweekt die de loyaliteit van de sympathisanten en de buitenwacht moet verzekeren. Haar portret siert de posters en brochures van de beweging, haar zorgvuldig geregisseerde toespraken worden wijd verspreid en voor veel Iraniërs in ballingschap vertegenwoordigt Maryam Rajavi in hoogsteigen persoon het nieuwe, democratische Iran. Voor teleurgestelde partijleden en afgehaakte strijders is zij niet meer dan een vijgenblad voor de agressieve en dictatoriale praktijken van haar echtgenoot. Hetzelfde geldt misschien voor zijn militaire aanspraken die voornamelijk bedoeld lijken om indruk te maken op Iraanse ballingen en westerse media, politici en diplomaten. Naar eigen zeggen beschikt hij over vijftigduizend gewapende volgelingen in Iran, maar een aantal van tien- of vijftienduizend komt volgens experts dichter bij de waarheid. Hij heeft bovendien in de jaren negentig de nodige operationele blunders gemaakt die hij toedekte door de betrokkenen een absolute zwijgplicht op te leggen en hun eenheden grondig te reorganiseren.

Om zijn beweging in stand te houden heeft hij het door de jaren heen zelfs op een akkoordje gegooid met de nazaten van de verdreven en gediscrediteerde sjah Reza Pahlavi, met Saddam Hoessein in eigen persoon alsmede een hele rits Arabische geheime diensten. De MeK heeft in de loop van de jaren ook een illegaal financieringsnetwerk opgebouwd waarop alleen de leiding zicht heeft. Bij de invallen van vorige week trof de Franse politie grote sommen geld aan en een boekhouding die wijst op nog veel grotere bedragen op Franse en buitenlandse rekeningen, waaronder ook gelden afkomstig van het regime van Saddam Hoessein. Volgens de FBI hebben de Moedjahidien de laatste jaren in de VS honderdduizenden dollars ingezameld onder het mom van allerlei «comités voor de mensenrechten» terwijl de opbrengst werd gebruikt om wapens aan te schaffen.

Het is misschien een typisch Iraans drama dat de ontwikkelde Maryam (Teheran, 1953) als façade dient voor een ordinaire boef als Massoed. Haar positie bewijst hoe moeilijk het is voor Iraanse vrouwen om zich aan de druk van de mannelijke overheersing te ontworstelen. Dat is des te moeilijker in de benarde omstandigheden van vervolging, intimidatie en wantrouwen waaraan een gewelddadige verzetsbeweging blootstaat, en ook daarvan draagt ze de sporen en littekens. Ze werd geboren als Maryam Qajar-Azedanlo in een middenklassegezin, studeerde metallurgie aan de technische hogeschool in Teheran en leek in geen enkel opzicht voorbestemd voor haar huidige leven, ware het niet dat ze in de jaren zeventig als vanzelf werd opgenomen in het studentenverzet tegen de sjah.

Ze trad toe tot de Moedjahidien, trouwde een lid van de beweging (van wie ze in 1980 een kind kreeg) en ontwikkelede zich al gauw tot studentenleidster. Typerend is dat ze zich toen al toelegde op de rekrutering van nieuwe leden en de contacten met de buitenwacht, oftewel de public relations van de beweging. De MeK was ontstaan in de jaren zestig als marxistisch-islamitische afsplitsing van de Iraanse Bevrijdingsbeweging. De Moedjahidien waren buitengewoon militant en namen al snel samen met de Toedeh (de Iraanse communistische partij) het voortouw in het verzet tegen de sjah. Maryams zuster Narges kwam in die strijd om het leven. Vanaf dat moment was er voor Maryam geen weg meer terug.

De MeK had een belangrijk aandeel in de revolutie van 1979 die ayatollah Ruhollah Khomeini aan de macht bracht. Maryam organiseerde samen met haar toekomstige echtgenoot Massoed een aantal grote demonstraties in Teheran die uitliepen op solidarisering van de demonstranten met belangrijke legereenheden en de weg baanden voor het nieuwe regime. De MeK had echter een nog belangrijker aandeel in het uitschakelen van de Toedeh die de revolutie voor haar eigen doeleinden wilde gebruiken. Omdat de revolutionaire geestelijken begrepen dat de Moedjahidien zich vroeg of laat ook tegen hen zouden keren, maakten ze vervolgens korte metten met de beweging. Een aantal leiders werd zonder waarschuwing opgepakt en zonder vorm van proces geëxecuteerd. De overigen zagen zich gedwongen uit te wijken naar Frankrijk waar ironischerwijs Khomeini nog niet zo lang geleden zijn ballingschap had doorgebracht met het inspreken van revolutionaire cassettebandjes.

Eenmaal in Frankrijk scheidde Maryam Rajavi van haar eerste man en in 1986 trouwde ze met Massoed, met wie ze inmiddels al jaren een verhouding had. Haar officiële biografie, door de beweging uitgegeven in brochurevorm, wijdt geen woord aan deze episode hoewel Maryam pas na haar huwelijk met Massoed als een komeet naar de top van de beweging doorschoot. De brochure maakt enkel gewag van haar organisatietalent, haar inspirerende redevoeringen en vreemd genoeg ook van haar aandeel in het «transformeren van de beweging in een goed getrainde, moderne en gemechaniseerde gevechtseenheid» — een rol die in de praktijk vooral door haar echtgenoot wordt geclaimd. Als secretaris-generaal van de MeK werd Maryam na de ambassadeovervallen van 1992 ingezet om de plooien glad te strijken, met name in Frankrijk waar de beweging op dat moment op de rand van de illegaliteit balanceerde.

Ze kweet zich briljant van haar taak door zich te laten fotograferen met Amerikaanse senatoren, Franse ministers, de violist Yehudi Menuhin en zelfs abbé Pierre, de (toen nog) geduchte mensenrechtenstrijder met zuurkoolbaard en woest fladderende soutane voor wie zelfs president Mitterrand een blokje omliep. Een paar jaar later had ze de public relations zo goed onder controle dat ze praktisch onweersproken kon schitteren op een massabijeenkomst in Dortmund, waar ze met veel succes een zaal van vijftienduizend grotendeels welwillende, weldenkende en democratisch geïnspireerde Iraanse ballingen toesprak. Een jaar later herhaalde ze dat kunstje in Earl’s Court in Londen voor 25.000 toehoorders.

Intussen sloot haar man een deal met Saddam waardoor het hoofdkwartier van de beweging kon worden verplaatst naar Bagdad, ver buiten bereik van de Amerikaanse en Europese veiligheidsdiensten die hem inmiddels op de hielen zaten. Van daaruit startte hij een nieuwe serie aanslagen in Iran waarbij voornamelijk burgers en lage ambtenaren om het leven kwamen, hetgeen de populariteit van de MeK onder de Iraanse bevolking naar een dieptepunt bracht. In 1997 zette het Amerikaanse State Department de MeK en vervolgens ook de Raad van Verzet (waarvan Massoed voorzitter is) op de lijst van verboden terroristische organisaties. Sindsdien richten Maryam en Massoed zich nog voornamelijk via geluidscassettes en videobanden tot hun volgelingen. Toen zij begin dit jaar de Amerikaanse aanval op Irak zagen aankomen en genoodzaakt waren opnieuw naar Frankrijk uit te wijken, was de déconfiture van de beweging nabij.

Inmiddels lijkt die zich te hebben voltrokken, want de aanklachten van de Franse justitie zijn niet mals en ditmaal staan er geen politici klaar om een goed woordje voor de Moedjahidien te doen. De meeste arrestanten zijn alweer vrijgelaten, maar de MeK-gebouwen in Auvers worden binnenstebuiten gekeerd en de in terrorisme gespecialiseerde onderzoeksrechter Jean-Louis Bruguière lijkt vastbesloten om de beweging op te rollen. Zeventien van hen zijn voorgeleid en daarvan zitten er nog elf, onder wie Maryam Rajavi, in verzekerde bewaring. Het is misschien gewaagd en zelfs oneerbiedig, maar je zou kunnen zeggen dat ze nu, tussen de vier muren van de Sureté, vrijer is dan ze ooit tevoren was.