Verzoening na tien jaar wraak en vrede in Sarajevo

Direct contact is het enige medicijn

«Nooit meer oorlog» op de Balkan kan waarschijnlijk maar op één manier bereikt worden: door de inwoners van verschillen de etnische groepen te helpen weer samen te leven. Het project Videobrieven brengt mensen weer bij elkaar die door de oorlog werden gescheiden.

SARAJEVO – Dragan Jovancic staat op de rotspunt waar hij tijdens de Bosnische oorlog met zijn Servische eenheid gelegerd was. Diep onder hem ligt Sarajevo. Je kunt de trams zien rijden langs de rivier, bij de kapotgeschoten bibliotheek. Tien jaar na de oorlog is de Bosnische hoofdstad nog altijd zwaar gehavend door de Servische be schietingen. Dragan wijst naar beneden: «Dáár, op maar veertig meter afstand, lag de vijand. We konden ze horen kuchen.» Hij klautert naar het overhellende deel van de rots: «Hier schoot een sniper van die Turken mijn neefje dood, die in mijn eenheid zat. Kogel in zijn linkeroog. Ik heb hem zelf naar beneden gedragen.» Amir, onze jarige tolk, slikt: «Ik geloof dat Dragan zojuist mijn mensen Turken noemde. Da’s een scheldwoord.» Dragan verontschuldigt zich haastig. Hij was weer even in oorlog. «Ik bedoel Bosnjakken», zegt hij verlegen.

Het is 6 april. Al weken wordt in Sarajevo op billboards verkondigd dat dit Dan Oslobodenja is, de dag van de vrijheid, de dag waarop wordt herdacht dat in 1944 Tito’s communistische partizanenleger Joegoslavië bevrijdde van de nazi’s. Voor de meeste inwoners van Sarajevo heeft deze dag echter met vrijheid bitter weinig te maken. De zesde april is voor hen de dag waarop dertien jaar geleden de Bosnische Serven begonnen met het samentrekken van troepen rond de stad. Op 2 mei was de omsingeling voltooid. Op 5 april werd er voor het eerst gevochten in de stad. Servische militieleden vuurden op vredesdemonstranten. Het waren de eerste schoten in wat de bloedigste van de Joegoslavische afscheidingsoorlogen zou worden. Meer dan drieënhalf jaar later, in november 1995, werd in Dayton, Ohio per verdrag een einde gemaakt aan de oorlog.

In Bosnië vielen tweehonderdduizend do den, honderdduizenden mensen sloegen op de vlucht. Kroaten, Serven en Bosnjakken (indertijd Moslims genoemd, met een hoofdletter, naar de Joegoslavische indeling in «nationaliteiten») stonden elkaar naar het leven. Sarajevo werd het symbool van de oorlog. De stad werd omsingeld door het Bosnisch-Servische leger en dag en nacht bestookt door artilleristen en snipers. Er werden bijna elfduizend burgers gedood, waaronder 1600 kinderen. Meer dan vijftigduizend mensen raakten er gewond. Het beleg duurde 1395 dagen en is daarmee de langste belegering in de moderne geschiedenis van de mensheid.

Het zijn kille cijfers die maar nauwelijks de wreedheden tonen die erachter schuilgaan. Be gaan door de Serven, maar in mindere mate, elders in Bosnië, ook door Kroaten en Bosnjakken. Ook elders in Joegoslavië eiste geweld zijn tol. In 1991 voerde Slovenië een korte strijd tegen het Joegoslavische Volksleger. Datzelfde jaar brak een hevige burgeroorlog uit in Kroatië (eveneens beëindigd door de Dayton-overeenkomst). Vanaf 1997 bevochten Albanezen en Serven elkaar in Kosovo. Om die oorlog te stoppen bombardeerde de Navo in 1999 Servië en Montenegro. Daarbij vielen volgens Joegoslavische op gaven tweeduizend burgerdoden. Andere schattingen (de Navo zwijgt in deze) spreken van een kleine vijfhonderd. En nog was het niet gedaan. In 2001 sloeg de vlam in de pan in Macedonië, waar een kortstondige Albanese guerrillaoorlog woedde.

Deze week worden in Nederland en elders in West-Europa weer mooie, welgemeende woorden gesproken over vrijheid en nooit meer oorlog. Nooit meer oorlog? Tien jaar geleden woedde er nog een op de drempel van het Westen, compleet met genocide, verkrachting, concentratiekampen en een botte politieke opdeling van grondgebied, zoals Molotov en Von Ribbentrop reeds deden. Want bij de vrede van Dayton werd Bosnië feitelijk gekliefd. De Serven kregen de gebieden die ze in de eerste twee maanden van de oorlog hadden veroverd, nu ondergebracht in hun eigen Republika Srpska, en de Kroaten (die uiteindelijk óók de Bosnjakken te lijf gingen) kregen in verhulde vorm eveneens de macht die ze wensten, binnen de Bosnisch-Kroatische federatie. Het was niet het Navo-ingrijpen dat de oorlog deed stoppen. Het was het behalen van de gewenste doelen door de Serven en de Kroaten die hen deed besluiten dan maar de vrede te tekenen. In Kosovo voerde de Navo opnieuw oorlog vanuit de lucht. Het bracht de verdrijving van Albanezen door de Servische troepen pas écht op gang. Slechts door het bombarderen van «strategische burgerdoelen» (bruggen, spoorwegen, elektriciteitscentrales) in Servië en Montenegro, door het dreigen met de inzet van grondtroepen en – zeer onderschat – sterke Russische diplomatieke druk, ging Milosevic door de knieën. De Navo doodde burgers als «bijkomende schade», op de drempel van het Verdrags gebied. We vergeten het graag, dezer dagen. In Macedonië verrichtten Navo- en EU-troepen wel degelijk schitterend werk. Daar werd ingegrepen, zonder dat grootscheeps geweld noodzakelijk was, in een heel vroeg stadium van het conflict. Het Westen voorkwam er een burgeroorlog die die in Kosovo met gemak had kunnen overtreffen, maar nog steeds koesteren de Albanese en Macedonische gemeenschappen een diep wantrouwen jegens elkaar.

«Nooit meer oorlog» op de Balkan kan waarschijnlijk maar op één manier bereikt worden: door de inwoners van verschillende etnische groepen te helpen weer samen te leven. Dan pas is de ware vrede bereikt en krijgt politiek extremisme geen kans meer. De huidige toestand, waarin verschillende etnische groepen elkaar met wantrouwen bejegenen en liever vertrouwen op hun eigen militairen dan op die van de Navo en de EU is een status-quo die alsnog, opnieuw, zou kunnen omslaan in conflict. Slovenië is vorig jaar tot de EU toegetreden en Kroatië staat op de nominatie. De overige voormalig Joegoslavische republieken zullen volgen. Raakt verzoening er niet diep geworteld, dan haalt de EU een tijdbom binnen.

Dragan kon na de oorlog niet meer terug naar Sarajevo. Hij was er taxichauffeur en houdt van de stad als van zijn eigen kinderen. «De dag dat ik weer kan werken vanaf mijn oude taxistandplaats zal het zijn alsof ik een zoon heb gekregen», zegt hij. Tegen wil en dank werd hij meegesleurd in een oorlog tegen zijn «eigen mensen», zoals hij zelf zegt. Hij is Serf, maar in zijn familie vonden veel gemengde huwelijken plaats. Ook zijn zus trouwde met een Bosnjak. Zijn islamitische zwager beschouwt hij als zijn eigen bloed: «De politici waren de oorlogs hitsers. Zij wilden dat ik mijn stadgenoten en zelfs mijn eigen familie als vijand ging zien.»

Maar zelfs Dragan (49) raakt tien jaar na dato, als hij weer op de plek staat waar hij jaren vocht, opnieuw verzeild in oorlogsretoriek. In de Servische propaganda werden de islamitische Bosnjakken afgeschilderd als «Turken» om de Serven te «herinneren» aan de vijf eeuwen die het orthodox-christelijke Servië onder de Ottomanen zuchtte. Bosnjakken en Kroaten verwezen op hun beurt naar de Serven als «cetniks» en schakelden daarmee een heel volk gelijk aan de Servische extremisten die tijdens de Tweede Wereldoorlog massale slachtpartijen aanrichtten onder Bosnjakken en Kroaten. En de Serven en de Bosnjakken noemden Kroaten «ustasja’s» in een generaliserende verwijzing naar de fascistische Kroatische milities die met steun van de nazi’s Serven en Bosnjakken uitmoordden. Zo had elke etnische groep zijn eigen inktzwarte, van angst doortrokken vijandbeelden. En hoewel vrijwel niemand in Bosnië terug wil naar de tijd van de verschrikkingen zijn de vrees en vooroordelen nog altijd niet bezworen.

Wie de Balkan bereist krijgt onvermijdelijk te maken met etnische vooroordelen en haat. Zo ook documentairemakers Eric van den Broek en Katarina Rejger. Jarenlang filmden ze in de ex-republieken van Joegoslavië. Ze besloten het wantrouwen te lijf te gaan en vonden een manier om de oorlogen terug te brengen tot menselijke proporties. Ze stelden mensen in de gelegenheid een videobrief te maken voor oude vrienden uit andere etnische groepen met wie ze wegens de oorlogen het contact hadden verloren. Met een klein cameraatje kon een videoboodschap worden opgenomen die door Rejger en Van den Broek werd bezorgd bij de verloren vriend. Die kon met een eigen videobrief reageren. Het hele proces, inclusief de zoektocht, werd steeds op camera vastgelegd. Na zeven jaar filmen is nu een serie van twintig afleveringen gereed. «Werkelijke verzoening kan alleen komen van de mensen zelf. Wij willen vooral het zwijgen doorbreken», zegt Rejger. «Anders gebeurt het opnieuw», zegt Van den Broek, «zoek je oude vrienden op, práát met elkaar en aanschouw de waanzin van de oorlogen.» Wat het Joegoslavië Tribunaal is voor de gerechtigheid, wil Videobrieven zijn voor de verzoening.

Inmiddels is Videobrieven uitgegroeid tot een grootschalig verzoeningsproject, ondersteund door een miljoenensubsidie van onder meer het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Een waarheidscommissie op tv. De serie wordt wekelijks uitgezonden in alle voormalige Joegoslavische republieken en in Kosovo. Het is voor het eerst sinds de oorlogen dat alle Joegoslaven weer verenigd zijn. In radiotalkshows en op de Videoletters-website (www.videoletters.net) kunnen mensen reageren. Wie zelf een videoboodschap wil opnemen kan terecht bij internetbalies. Later dit jaar gaan bovendien bussen met opnameapparatuur het gebied doorkruisen om nog meer mensen in staat te stellen een videobrief te maken. De methode werkt: via een videobrief hervond Dragan zijn beste vriend Safet, Bos njak van origine, advocaat van beroep. «Na de oorlog hoorden we niets meer van elkaar. Misschien wilde hij me niet meer zien. Ik heb gewacht en gewacht, en uiteindelijk maar die videobrief gemaakt. Nu zien we elkaar weer regelmatig. We hebben het vaak over de oorlog, we nemen elkaar niets meer kwalijk.»

Dragan wilde niet vechten, maar hij moest: «Ik dacht: als ik niet ga, komen ze me halen. Dus laat ik het maar doen. Het zal wel snel over zijn.» Zijn eenheid werd ingezet als deel van de dodelijke omsingeling van Sarajevo. Het lukte hem radiocontact te krijgen met Bosnjakken die veertig meter van hem af lagen. Al snel werd duidelijk dat niemand zin had om op elkaar te schieten. Dragans mannen raakten bevriend met de militairen aan de andere kant van de lijn. Soms zochten ze elkaar op. «Aan de andere kant kwam dan Lendo te voorschijn. Hij loodste me door het mijnenveld. En dan ontmoetten we elkaar dáár», wijst hij: «Bij die elektriciteitspaal. Ik bracht hem soms wel tien kilo koffie, vlees en medicijnen, want daaraan was grote behoefte in de stad. Als we weer terug waren in onze stellingen, spraken we meestal af een half uurtje op elkaar te schieten. Anders zouden onze officieren denken dat we aan het barbecuen waren.»

Van lieverlee begonnen de eenheden elkaar te waarschuwen voor dreigend gevaar. Dan meldde Lendo over de radio dat er speciale eenheden van een ander front waren gekomen. «Pas op, er zijn fanatiekelingen hier», zei hij dan, «houd de komende dagen je hoofd naar beneden, ik waarschuw weer als ze weg zijn.» Dragan deed hetzelfde als er Servische versterkingen kwamen. «We deden er alles aan om ons front statisch te houden zonder dat het verdacht werd.» Het lukte. Bijna vier jaar lang kwamen de mannen hoegenaamd niet in actie. Lendo putte zich over de radio uit in verontschuldigingen over de dood van Dragans neefje. «Ik weet zeker», zegt Dragan, «dat het niet zijn mannen waren die hem doodden. Ik zou willen dat ik hem ernaar kon vragen.»

Lendo overleefde de oorlog niet. Op 7 mei 1995 stierf hij met acht anderen door een mortierinslag bij de ingang van de tunnel onder het vliegveld door, die Sarajevo verbond met het achterland. Het vliegveld was in handen van machteloze VN-troepen en werd zwaar door de Serven beschoten. Het kostte een jaar voordat de achthonderd meter lange tunnel, inclusief een railsysteem waarover karretjes met wapens, munitie, medicijnen en voedsel konden worden voortgeduwd, gereed was. De Servische artillerie beschoot de ingang en de uitgang van de tunnel hevig. Edis Kolar (28) overleefde de aanval van 7 mei 1995 ternauwernood. Het was niet de eerste keer dat hij gespaard werd. Toen de oorlog uitbrak was hij zeventien en hij besloot zijn stad te verdedigen. Twee keer raakte hij licht gewond toen mortiergranaten vlakbij hem ontploften. De tunnelingang lag bij het huis van Kolars familie. Nu leidt hij westerlingen rond in het piepkleine museumpje dat hij in het tunnelhuis stichtte. Kolar zag vele kameraden sneuvelen en heeft geen behoefte aan verzoening. «Videobrieven klinkt als een mooi project, maar het is niet voor iedereen geschikt. Ik had Servische vrienden, maar toen ik ze na de oorlog vroeg waar ze waren tijdens de gevechten, zeiden ze: ‹In Belgrado›. Dat heb ik al zo vaak gehoord dat ik me inmiddels afvraag wie er dan op mij geschoten heeft tijdens de oorlog», zegt hij. «Ik heb geen behoefte meer aan die mensen.»

Ook voor Hasan Nuhanovic komt verzoening te vroeg. Hij was tolk in Srebrenica, toen het Nederlandse VN-bataljon in juli 1995 werd aangevallen door het Bosnisch-Servische leger. Zijn vader, zijn moeder en zijn broer werden vermoord. «Begrijp me niet verkeerd», zegt hij, «ik ben niet tegen dit soort projecten. Niet iedereen heeft meegemaakt wat ik heb meegemaakt. Mijn dochter is zeven jaar oud. Zij verdient een normale toekomst. Dat kan alleen als de mensen zich weer verzoenen. Maar voor mij werkt dat niet. Ik eis rechtvaardigheid. Ik wil dat de moordenaars van mijn familie, degenen die de opdracht daartoe hebben gegeven en degenen die mijn familie niet afdoende beschermden de straf krijgen die ze verdienen. Ik hoop dat een project als Videobrieven geen schaduw werpt over de drang naar rechtvaardigheid die veel slachtoffers hebben. Je verzoent je als je ruzie hebt. Maar ik had geen ruzie. Ik was een doelwit. Ik verhongerde drieënhalf jaar lang. Er werd op mij geschoten. Ik heb niemand kwaad gedaan. Met wie zou ik me dan moeten verzoenen?»

De bergen rond Sarajevo zijn nog altijd bezaaid met mijnen. Vaak gemaakt van plastic en daardoor nauwelijks op te sporen met detectoren. Acht kilometer buiten de stad is een stuk grasland afgezet met gele linten. Voor we het weten bevinden we ons midden in een gebied vol verborgen explosieven. Servische mijnen, nemen we aan, want dit was frontgebied. Een groep mannen met helmen en scherfwerende kleding is aan het werk. «Hier liggen geen mijnen», vertelt een van hen. «Het zijn clusterbommen van het type BL755, afgeworpen door Britse vliegtuigen. Die dingen kunnen al afgaan door statische energie. Als jij in je nylon jack te dichtbij komt, kan dat een explosie veroorzaken. Het is een wonder dat hier geen doden zijn gevallen.» En zo komt de oorlog wel héél dicht bij huis: ook Nederlandse vliegtuigen wierpen clusterbommen af, boven het vliegveld van Podgorica, in Montenegro, bijvoorbeeld, op 28 april 1999. En ABN Amro investeerde in het Britse bedrijf dat de BL755 gebruiksklaar houdt.

Dragan lag in zijn stelling toen er rond Sarajevo gebombardeerd werd. Hij weet wat clusterbommen doen: «Maar de bombardementen waren precies. Heel anders dan onze beschietingen.» Hoe kon hij leven met het idee dat zijn volksgenoten over zijn hoofd heen zijn stad aan puin schoten? «Luister», zegt hij, «deze oorlog is ons opgedrongen. De meeste Serven uit Sarajevo wilden niet vechten. Maar er waren fanatiekelingen die Sarajevo niet kenden. Elke keer als er een granaat in de richting ging van waar mijn zus woonde was het alsof die aan mijn voeten ontplofte. Wij hadden strikte orders niet op de trams te schieten en burgers te sparen. Maar dáár» – hij wijst naar het oosten, het front bij de wijk Grbavica – «daar zat tuig. Servische criminelen die schoten op trams en op burgers. Ze mogen blij zijn dat ik ze nooit voor de loop van mijn geweer heb gehad. Vaak waren het niet eens Bosniërs, maar kwamen ze uit Servië. Ze plunderden en stalen alles wat los en vast zat. Ze graaiden zelfs in ónze spullen. Dát was de hulp die wij kregen van Milosevic.»

Een dag later neemt Dragan ons mee naar zijn boezemvriend. «Wie wraak zoekt is onontwikkeld», zegt Safet Zekovic (55). Hij zit op een bankje in de zon. Dragan zit naast hem te glunderen. De taxichauffeur en de advocaat, broederlijk herenigd. Ze zitten onophoudelijk aan elkaar en ma ken grapjes over drank en vrouwen. «We gaan nauwelijks meer samen uit», zegt Safet spijtig. «We wonen te ver van elkaar nu. En we zijn druk met ons werk. Maar we grijpen elke kans om el kaar te zien.» Tijdens de oorlog leed hij honger in Sarajevo, terwijl Dragan goed doorvoed in zijn loopgraaf lag. «’s Nachts gingen we de heuvels in, tot vlakbij het front, om te zoeken naar veevoer in de stallen die daar stonden, en om hout te kappen. Soms groeven we net zo lang totdat we boomwortels tegenkwamen.» Tijdens de oorlog hield Safet zich bezig met de organisatie van de troepen. Hij kreeg veel informatie over het front en wist al snel waar Dragan gelegerd was: «Ik maakte me zorgen, want ik wist dat waar hij lag de afstand tussen de stellingen minimaal was. Ik wist ook zeker dat hij nooit op burgers zou schieten. Mijn vriend deed dit niet vrijwillig, maar werd gedwongen door de politiek. Hij had geen keus, zoals ik geen keus had als gevangene in deze stad. Niemand zou me ooit kunnen overtuigen dat Dragan een extremist was. Nu we weer samen zijn weet ik het zeker: wij konden hier niets aan doen. We spreken openlijk over alles wat gebeurd is. Als we tegen elkaar zouden liegen, zouden we onze vriendschap niet waard zijn.»

In Sarajevo is vrijwel geen huis zonder sporen van granaatscherven. In het centrum zijn nog de mortierinslagen in het plaveisel te zien. Honderd daarvan zijn opgevuld met bloedrood cement. Een simpel plakkaat op de muur tegenover zo’n rode vlek vermeldt dat hier, op de Mula Mustafe Baseskije-straat, op 28 augustus 1995, drie maanden voor het einde van de oorlog, 43 doden vielen. Op een steenworp afstand ligt de Markale-markt. Kooplieden venten er hun groenten, eieren en fruit. Het is druk. Dat was het ook op 5 februari 1994, al was het voedselaanbod toen aanmerkelijk schraler. Die dag eiste een 120mm-mortier granaat 67 levens. De slachtoffers, moslim namen en christelijke na men door elkaar, staan vermeld op een scherm dat de hele muur van de marktloods bedekt.

Zvjezdana Erceg (23) zit op een muurtje tussen de resten van haar oude lagere school. Ze staart verdrietig naar een kapotgeschoten sokkel: «Daar stond vroeger een fonteintje. Het water spoot in verschillende stralen omhoog. Ik werd er elke dag weer vrolijk van.» Vanuit haar klaslokaal had ze een prachtig uitzicht over de stad. De oorlog verwoestte haar school en vervreemdde haar van haar Servische vriendjes en vriendinnetjes. «Mijn naam wordt door mensen gezien als Kroatisch», zegt Zvjezdana. «Ik kom uit een gemengde familie van katholieken, moslims en joden. Ik heb nooit geleerd wat namen betekenen. Ik kwam daar pas achter toen de oorlog begon. Ik was tien jaar oud.» De oorlog heeft haar stad veranderd, vertelt ze. Er wordt veel geld uitgegeven om moskeeën te bouwen, maar haar oude school wordt niet hersteld. «Mensen zijn intoleranter geworden. Ik werd ontslagen in een café omdat de eigenaar klachten kreeg over mijn naam. ‹De klanten denken dat je katholiek bent›, zei hij. ‹Je moet weg.›»

Op een dag werd bij Zvjezdana een videobrief bezorgd van Snjezjana, haar Servische hartsvriendin van vóór de oorlog. Ze zaten naast elkaar in de schoolbanken. Al aan het begin van de oorlog verloren de meisjes elkaar uit het oog. Servische militieleden dwongen Zvjezdana en haar familie te vertrekken. Alleen de Serven mochten blijven. Zvjezdana: «Ze zei in de videobrief dat ze me miste en dat haar vader gedood was. Ik was ontzettend blij dat ze tien jaar na de oorlog nog steeds liefde voor me voelde. Maar er moest me wél iets van het hart.» Eigenlijk had Zvjezdana haar vriendin afgeschreven. Ze had gehoord dat Snjezjana’s vader oorlogsmisdaden had begaan. Maar er zongen zo véél verhalen rond. «Dus besloot ik een videobrief te maken waarin ik haar dat vertelde», zegt Zvjezdana. Het antwoord van haar vriendin liet geen ruimte voor twijfel: haar vader had de hem toegeschreven misdaden nooit kunnen uitvoeren, omdat hij toen al dood was. «We besloten elkaar zo snel mogelijk te zien. Ze komt hier vaak koffie drinken en spelen met mijn dochtertje. Mijn vriendschap met Snjezjana is nu diep en hecht omdat wij de geruchten ontzenuwd hebben. Wij delen de waarheid. Dát is liefde.»

Enkele dagen voor de eerste uitzending van Videobrieven kunnen de hoofdpersonen hun eigen aflevering bekijken. Ze kennen slechts de videobrief die ze zelf gemaakt hebben en het antwoord van degene aan wie ze hem stuurde. Rejger en Van den Broek hebben het hele proces, de zoektocht en de reacties van degenen die een videobrief ontvingen, vastgelegd. Die beelden hebben de hoofdpersonen nog niet gezien. In een hotelzaaltje schaart men zich rond dvd-spelers en televisietoestellen. Er wordt stil gekeken. Soms wordt er gelachen, maar vaker vloeien er tranen. Mannen kijken weg van het scherm, vrouwen betten hun ogen met zakdoekjes.

Velimir staart geconcentreerd naar het tv-scherm, waarop zich zijn tragische verhaal ontrolt. Velimir is een Serf. Hij woonde in Kosovo. Zijn gezin werd gedood door de guerrilla’s van het Uçk. Het is levensgevaarlijk voor Velimir om terug te gaan naar Kosovo. De anti-Servische gevoelens zijn er enorm. Maar hij zou zo graag zijn oude huis bezoeken en de graven van zijn familie. Dus maakte hij een videobrief, die hij stuurde aan enkele oud-collega’s. Ook voor hen is het gevaarlijk om contact te hebben met een Serf. De reden dat ze hem überhaupt antwoord geven, is dat Velimir hen heeft beschermd toen hij directeur was van een steenfabriek. «Ik kan hem niet helpen met het verzoek zijn huis of begraafplaats te bezoeken. De mensen hier hebben nog veel pijn», zegt een van hen in de uitzending. «Ze zijn bang», vertelt Velimir na de vertoning. «Kosovo is in de greep van de oude Uçk-commandanten. Die willen alle Serven verdrijven. Maar ik weet zeker dat gewone mensen daar anders over denken. Zij zien de economische malaise en zij herinneren zich ook de goede Serven. Het zou zoveel beter zijn als we weer samen konden leven. Als het zo doorgaat, zal ik nooit als vrij man mijn Albanese vrienden de hand kunnen schudden en kunnen rouwen bij de graven van mijn vermoorde familie leden.»

Ook Brana ziet voor het eerst zijn uitzending. De 37-jarige Kroatische ex-militair verbergt zijn ogen achter een zonnebril. Zijn brede, gedrongen postuur is gehuld in een leren jack. Hij heeft zijn stoel omgedraaid, zodat hij met zijn armen op de rugleuning kan steunen. Zijn hoofd ligt op zijn handen. Traag kauwt hij kauwgum. Rejger en Van den Broek keerden vergeefs terug van een lange zoektocht naar Petar, zijn oude Servische boezemvriend. Petar kwam om in een mijnenveld. Als het graf van zijn makker in beeld komt en een geïnterviewde omstandig gaat uitleggen dat Petar eigenlijk een oorlogsmisdadiger was, krijgt Brana het te kwaad. Hij schuift zijn zonnebril omhoog en wrijft in zijn ogen. Na de uitzending loopt Velimir op hem af en omhelst hem broederlijk. Serf troost Kroaat. De mannen zeggen niets, kijken elkaar alleen aan en knijpen in elkaars schouders.

Brana (voluit heet hij Branimir Petrovic) was een extremist toen de oorlog uitbrak. Al toen hij jong was, wist hij veel van wapens. Zijn vader was beroepsmilitair en op zijn achtste kreeg hij een boek vol plaatjes van wapentuig. Vechten zat in de familie. De vader van zijn moeder en diens broer vochten in de Tweede Wereldoorlog als ustasje. De vader van zijn vader was kolonel in Tito’s partizanenleger. Brana werd politieagent in een speciale anti-terreureenheid. De dood van Petar laat hem niet los: «Natuurlijk, ik wist dat het risico erin zat dat hij de oorlog niet overleefd had. Maar ik vind het verschrikkelijk dat mensen hem beschuldigen van oorlogsmisdaden en dat ik hem niet meer kan vragen of het waar is.»

Brana bleek een uitmuntend vechter. Hij maakte een bliksemcarrière in het leger en schopte het tot kapitein eerste klasse. Hij had 174 man onder zich. Zijn gespecialiseerde eenheid werd overal in Kroatië en Bosnië ingezet waar gewone troepen het zwaar te verduren hadden. Toen hij een dorp veroverde en daar vier lijken vond van bejaarde Kroaten met doorgesneden keel, werd hij nog vastbeslotener in zijn haat: «Het was voor mij duidelijk: Serven horen niet in Kroatië. We gooien ze er allemaal uit en ze mogen nooit meer terugkomen.» Aan het einde van de oorlog werd Brana’s eenheid ingezet vlakbij de Servische grens. Daar werd hij gevangen genomen door een cetnik-militie: «Na een paar dagen kreeg ik opeens een sigaret. Toen ik die had opgerookt werd ik uit mijn cel gehaald en vroegen ze me hoe mijn laatste sigaret had gesmaakt. Ik kreeg een blinddoek voor. Ik hoorde bevelen en toen schoten ze.» Een schijnexecutie. De volgende dag werd hij overgedragen aan een officiële Servische legereenheid die hem in handen gaf van het Rode Kruis.

Ook in de eigen gelederen ondervond hij extremisme. Hij was er getuige van hoe soldaten van de HOS, een Kroatische vrijwilligers militie die grotendeels bestond uit mannen met een fascistische ustasja-inslag, een Servische gevangene vreselijk martelden. «Schiet hem dan toch dood, zei ik ze. Het was vreselijk hoe ze hem lieten lijden.» De HOS-commandant werd razend, trok zijn pistool en richtte het op het hoofd van Brana. Brana’s mannen draaiden vervolgens de lopen van twee tanks en een machinegeweer richting HOS-manschappen. «Gelukkig bond die commandant in. Het zou een slachting zijn geworden. Die man is later door een Kroatische rechter veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.»

Brana vertelt rustig, schijnbaar onaangedaan. Pas bij onze derde ontmoeting blijkt wat er werkelijk in zijn hoofd is omgegaan na de oorlog: «Ik vind het moeilijk om dit te vertellen», zegt hij. «Ik heb na de oorlog een zelfmoordpoging gedaan. Ik zag te veel dode gezichten in mijn slaap. De oorlog had mijn hart verwoest.» Brana kwam terecht in een speciale psychiatrische kliniek voor oorlogsveteranen. Daar sprak hij met lotgenoten. «Het is een taboe in Kroatië, maar wij durfden het tegen elkaar te zeggen: er was niets heldhaftigs of noodzakelijks aan onze strijd. Oorlog is verschrikkelijk. Verschrikkelijker dan je denkt. Je moet gevochten hebben om te weten wat ik bedoel. De oorlog heeft mijn hart verwoest.»

In Kroatië heeft de oorlog, meer nog dan in Bosnië, de status van een heilige vrijheidsstrijd. Een groot deel van de bevolking is nationalistisch en sterk anti-Servisch en weigert notie te nemen van Kroatische oorlogsmisdaden. De terugkeer van Servische vluchtelingen, officieel door de regering aangemoedigd, wordt vaak door lokale Kroaten gesaboteerd. Zo’n tweehonderdduizend Serven peinzen er niet over om terug te gaan. Maar Brana is ontdooid. Zijn extremisme behoort tot het verleden. De diepe crisis waarin hij na de oorlog terechtkwam, heeft van hem een ander mens gemaakt: «Ik heb veel gepraat met vrienden en met toeristen op Hvar, het eiland waar ik woon. Een Fransman legde me uit met hoeveel verschillende nationaliteiten en culturen hij samenleefde in Frankrijk. ‹Dan moeten jullie dat toch ook kunnen›, zei hij. Hij heeft gelijk.» Twee keer al werd hij benaderd door ronselaars. Albanezen die in Jelsa, op Hvar, een ijssalon bestierden, vroegen hem Uçk-troepen te trainen in Kosovo. Later vroeg een private militaire firma hem voor een exorbitant bedrag in Irak te werken. «Voor geen goud zou ik het nog doen. Ik heb een appartement en een oorlogspensioen waar ik van kan leven. Voor mij geen oorlog meer.» Met zijn Video brief-aflevering hoopt hij mensen de ogen te openen. «Ik wil de Kroaten laten zien dat er geen alternatief is voor vrede. Dat we met elkaar moeten samenleven. Ik hoop dat ze schrikken van wat ik in de oorlog meemaakte.»

In Bosnië wordt Videobrieven uitgezonden door de etnisch gemengde publieke zender BHT 1, die pas sinds augustus in de lucht is. «Dat zegt genoeg over de verhoudingen hier. Ik kan me geen betere serie voor ons wensen dan Videobrieven», zegt directeur Milan Trivic. Hij is een Serf, maar besloot in Sarajevo te blijven tijdens de belegering. Hij maakte zelf internationaal vermaarde documentaires over de waanzin van de oorlog. Hij meende een professionele distantie tot het verleden te hebben opgebouwd, maar toen hij Video brieven voor het eerst zag, bij een openbare vertoning op het Internationale Documentaire en Filmfestival Amsterdam (Idfa), kon hij geen woord meer uitbrengen van emotie. «Wat de makers voor elkaar hebben gekregen is het opheffen van de afstand. Propaganda heeft geen enkele kans meer. Wat je ziet is van uitermate hoge kwaliteit zonder effectbejag. Videobrieven gaat over de schade die ontstaat door afstand van elkaar te nemen. Dan ontstaan geruchten die haat voeden. Direct contact is het enige medicijn.»

Trivic maakt zich geen enkele illusie over de haat die ook tien jaar na de oorlog nog bestaat. En in Kosovo en Macedonië, waar de oorlog nog veel verser is. Dat zal niet veranderen door Videobrieven. «Een vrouw die man en kind heeft verloren denkt daar elke dag aan. Je moet wel een heel speciaal mens zijn om dan niet te haten. Maar wat de serie ongelooflijk waardevol maakt, is dat óók die vrouw de werkelijkheid onder de neus wordt gewreven. Ik weet zeker dat de makers vele prijzen in de wacht zullen slepen. Je kunt de serie overal vertonen, in China, in Nederland. De boodschap is universeel. In Videobrieven wordt getoond hoe je elkaar letterlijk en figuurlijk kunt terugvinden na een periode van waanzin en geweld. De onontkoombare waarheid waarmee de serie de kijker confronteert is dat we hier, en overal ter wereld, zullen moeten samenleven. Het enige alternatief is moord en doodslag. Dat is geen alternatief. Wie dat ontkent leeft op een andere planeet.»

In april wonnen Eric van den Broek en Katarina Rejger voor de Videobrieven-serie de Nestor Almendros Prize for Courage in Filmmaking van het New York Human Rights Watch International Film Festival