Muziek: Manoj Kamps

Dirigent voor de 21ste eeuw

Manoj Kamps is een groot talent dat een ongebruikelijke coming-of-age doormaakte. Om de muziekwereld te kunnen veranderen, moest hij eerst een moeizame worsteling met zichzelf aangaan. Een portret.

Manoj Kamps met het Portugese symfonieorkest Gulbenkian Orchestra, 2017 © Márcia Lessa

Luzern, 2017. Tijdens een masterclass van Bernard Haitink dirigeert een jonge Nederlandse dirigent de finale van Beethovens Tweede. Hij heeft in Den Haag koor- en orkestdirectie, theorie en compositie gestudeerd. Plus een jaar of twee wiskunde in Utrecht, tot kunst en wetenschap elkaar in de weg gingen zitten. Hij assisteerde bij orkesten en operahuizen in binnen- en buitenland, dirigeerde ensembles als Cappella Amsterdam, Nederlands Kamerkoor en Asko|Schönberg. In het jaar van zijn Haitink-excursie is hij junior fellow in conducting aan het Royal Northern College of Music in Manchester. Een curriculum van klassieke veelbelovendheid, een klinkende opmaat tot een happy end.

De speelcondities die dag in Zwitserland zijn niet optimaal. Het is een test en geen concert, een kruising tussen een generale repetitie en een examen. De hoofdzaak is: je hoort en ziet dat Manoj Kamps een groot talent is. Zijn felle slag is precies en aanstekelijk muzikaal. In zijn onstuimigheid zit systeem, zijn tussenstemmen vlammen. Op de achtergrond volgt Haitink zichtbaar geanimeerd zijn verrichtingen: daar dirigeert een twintiger een repertoirestuk volstrekt op eigen voorwaarden.

Dat zou Kamps, nu 31, eens in Nederland moeten doen. Beethoven behoorde met Stravinsky tot zijn vroegste muzikale goden. Maar jonge dirigenten dirigeren hier zelden Beethoven. Ze dirigeren vooral wat gearriveerde dirigenten laten liggen, die Beethoven en Mahler wel op de rol hebben staan. Op een enkele uitzondering na is hun portfolio dan ook vooral rijk aan premières.

Dat komt goed uit. In tegenstelling tot het gros van de gearriveerde maestro’s zijn jonge dirigenten als hij geïnteresseerd in de taal van morgen, en investeren ze in wat rest van de Nederlandse ensemblecultuur wèl in de toekomst van de klassieke muziekcultuur. En voor Kamps of zijn collega Bas Wiegers, met wie hij goed bevriend is, geldt dat ze iets fundamenteel willen veranderen.

Op het gebied van de canon vragen ze zich af hoe Beethoven in 2020 voor een eigentijds publiek zou kunnen klinken. Een publiek dat de schok van Beethovens Eroïca-première in 1805 niet meer kan navoelen, dat het Parijse schandaal rond Stravinsky’s Sacre in 1913 beziet met een comfortabele meewarigheid die daar eigenlijk niet bij past. Ze bezinnen zich op de perceptie, op de presentatie van muziek, het repertoirebeleid überhaupt.

De omnivoor Kamps, thuis als hij is in het hele spectrum van de oude tot de nieuwe muziek, is bereid om radicaal voor de fanfare uit te lopen. Zijn eerste uitvoering van Bachs Johannes-Passion organiseert hij zelf in 2010, als dirigent van een Utrechts amateurkoor met een ad hoc-ensemble. Hij zoekt een ‘eigen waarheid’ en een eigen vorm, om te beginnen door te kiezen voor de tweede Johannes-versie met een ander openings- en slotkoor en deels met alternatieve recitatieven. Kamps wil ook nieuwe betekenislagen opdiepen, er ‘een soort opera’ van maken. Zonder een noot te veranderen arrangeert hij de continuopartijen zo dat iedere solist een eigen instrumentale signatuur krijgt. Elk vers van elk koraal herinstrumenteert hij – soms met, soms zonder blazers, waardoor nieuwe kleurschakeringen ontstaan. ‘Zodat het meer communiceerde met waar de tekst volgens mij over gaat. Ik wilde bijvoorbeeld de eenzaamheid van de christelijke ziel verklanken door per regel een instrumentengroep weg te laten vallen’, zei hij erover.

Zo doorbreekt hij, piepjong, het taboe op partituuringrepen met de ethische vastberadenheid die hij welsprekend en plezierig zelfbewust verdedigt. De staat van de muziek vraagt erom, dat is voor hem de kern. Waar de grens ligt? Moeilijk te zeggen, maar hij speculeert hardop. De openingsakkoorden van Beethovens Eroïca, zegt hij, ‘hebben niet meer de shockerende werking die ze destijds hadden. Misschien moet je ze nu twintig keer herhalen om in de buurt te komen van dat effect.’ Voor hem is de cruciale vraag: hoe hervind je de betekenissen die een in conventies vastgeroeste kunst haar urgentie teruggeven?

Enerzijds, zegt hij, wil je dat kunst openstaat voor interpretatie en de luisteraar uitdaagt er zijn eigen waarheid bij te zoeken. Anderzijds lijkt juist die prikkel te zijn weggevallen in het muziekbedrijf, waar ‘muziek te makkelijk in een lijstje wordt gepresenteerd onder het motto, “hoor, geniet ervan”’. Dan scheurt en bloedt het niet, vindt hij, dan zet je het essentiële weg als ornament. ‘Terwijl ik denk dat een Matthäus is bedoeld om je recht aan te spreken, om een bepaalde theologische verandering teweeg te brengen.’ En al is Kamps dat geloof zelf kwijtgeraakt, die opdracht neemt hij buitengewoon serieus.

Januari 2020, Muziekgebouw Amsterdam. Kamps dirigeert het barok-ensemble PRJCT bij de uitvoering van Liknon van componiste des vaderlands Calliope Tsoupaki. Liknon (‘schommelwieg’) is een van de Bosch Requiems waarvoor het Bossche festival November Music jaarlijks opdracht geeft. Het is geboren uit de Grieks-orthodoxe traditie waarmee Tsoupaki zich intens verbonden voelt. Een wereld van zachte geloofsvrede en troostrijke iconen die de componiste tot tranen kunnen roeren, muzikaal verbeeld als onmartiale meditatie over ‘het wegglijden naar de andere wereld’, die van het leven na de dood in de dramaturgische context van Tsoupaki’s Mariaverering.

Kamps doorbreekt, piepjong, het taboe op partituuringrepen met een plezierige vastberadenheid

Tsoupaki en Kamps kennen elkaar goed. Ze was ooit zijn compositiedocente aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Componeren kan hij goed, herinnert Tsoupaki zich. ‘Hij kwam in 2007 en ik geloof dat hij een echte componist is. Ongelooflijk nieuwsgierig en geordend, altijd meteen de diepte in.’ Ook met de dirigent Kamps werkt ze graag. ‘Hij is absoluut niet dominant, maar heel muzikaal, extreem goed voorbereid en precies in zijn voorstelling van een stuk. Ik denk dat hij heel succesvol kan worden, in een open manier van muziek maken die echt gebaseerd is op samen spelen, geven en ontvangen, het samen opnieuw ontdekken wat alle meesterwerken van het verleden voor ons nu betekenen – en waar nieuwe meesterwerken ons kunnen brengen.’

Kamps heeft het voordeel iets te weten van het religieuze denken dat Tsoupaki’s requiem definieert. Hij is goed thuis in de Russisch-orthodoxe koortraditie, waar de Grieks-orthodoxe cultus een voor hem tastbare verwantschap mee vertoont. Hij heeft componiste en ensemble op overtuigingskracht zo ver gekregen de muziek te spelen in een alternatieve stemming, die hij met zijn gave voor wiskunde zelf tot op de millimeter heeft berekend. Met melodieën die Tsoupaki op de gebruikelijke westerse manier noteert, maar die ‘eigenlijk een soort “neo-Byzantijnse” melodieën zijn, die ik ook echt zo wilde laten klinken’.

Kamps constateerde dat het met de gangbare gelijkzwevende stemming niet zal lukken de archaïsche devotie van het stuk over te brengen. ‘Aan hoe Calliope strijkers laat spelen, met veel glissandi en een heel scherpe intonatie, voel je wat ze innerlijk hoort. Voor mij was duidelijk wat het moest worden, dus ik was in mijn nopjes toen het quasi-pythagoreïsche stemmingsysteem dat ik heb uitgerekend bleek te doen wat het moet doen. Het geeft je heel scherpe grote tertsen, lage kleine tertsen en zuivere kwinten, fantastisch.’

Zo’n stap gaat veel verder dan wat de meeste dirigenten aan eigen ideeën inbrengen, maar Kamps wil het stuk kunnen dirigeren in de geest van de maakster, kalm en sereen vanuit en naar de stilte. Tsoupaki: ‘Ik begrijp nog steeds niet helemaal wat hij met die stemming heeft gedaan. Dat is onbegrijpelijk rekenwerk geweest, maar het functioneert.’ Het werkt, zacht maar dringend.

tijdens de wereldpremière van Liknon, een compositie van Calliope Tsoupaki, Den Bosch, 2019 © Angeline Swinkels

Frêle is een understatement voor Manoj Kamps’ teer gebouwde gestalte. Frappant hoe zijn directie nu afwijkt van zijn fiere, strakke slag in Luzern. De meestal zachte, tedere, introverte muziek maakt hem vloeibaar. Zoals een koordirigent mimend de woorden voortekent, zo articuleren zijn vingers met lange, vloeiende lijnen frasen en klankvolumes in de ruimte. In de schijnwerpers lichten zijn goudgelakte nagels op. Ook in zijn presentatie heeft Kamps lak aan de heersende orde.

Twee dagen na Liknon dirigeert hij in het Muziekgebouw Asko|Schönberg en Cappella Amsterdam in werken van Morton Feldman en Bart de Vrees, op het festival Words & Music. En in februari leidt hij de jaarlijkse tournee van het Nederlands Studenten Orkest, voor veelbelovende jonge dirigenten de rite de passage naar een serieuze carrière. Voor de verandering staat er naast de première van Rick van Veldhuizens unde imber et ignes eens een ijzeren repertoire op het menu: Vorspiel en Liebestod uit Wagners Tristan, Stravinsky’s Sacre. Afgelopen seizoen dirigeerde hij verder Handels opera Giulio Cesare bij Opera North in Nottingham, en een reeks voorstellingen van Hilda Paredes’ opera Harriet over de Afro-Amerikaanse abolitionist Harriet Tubman.

Tot voor kort wisten alleen intimi welke moeizame weg Kamps heeft moeten afleggen om als mens en musicus zijn plaats te vinden. Pas vorig jaar sprak hij zich erover uit in een indringend egodocument dat hij op sociale media publiceerde. In het Engels, zijn tweede moedertaal, beschrijft hij zijn worstelingen met identiteit, seksualiteit, gender, discriminatie, suïcidaliteit, hoge verwachtingen en een proces van culturele ontwrichting dat hem zowel verrijkte als verscheurde.

Zijn jeugd is een estafette van cultuurschokken, van vervreemding en aanpassing. In Sri Lanka geboren, liefdevol opgenomen door een Zeeuws ondernemersechtpaar, keert hij als jongetje van vijf terug naar zijn geboorteland, waar zijn ouders een nieuw leven beginnen. Hij belandt er op een internationale school voor de (expat-)elite van het eiland, een Brits-koloniale enclave in het land van zijn roots. Ook voor iemand die zichzelf nu omschrijft als ‘panseksueel, genderqueer en polyamoreus’ is het een intellectueel en muzisch stimulerende omgeving. Hij blinkt er uit, zowel in exacte vakken als in talen, en het extracurriculaire lesaanbod is rijk en stimulerend. Hij leert er dansen en tennissen, krijgt karateles, ontdekt er de piano, speelt vanaf zijn vijfde mee in musicals, krijgt een tik mee van de Anglicaanse koorcultuur. Tegelijkertijd komt hij gaandeweg in aanraking met homofobie en racisme, die zijn zelfbeeld aantasten en de kiem zaaien voor ernstige depressies. Hij ontwikkelt het minderwaardigheidscomplex van de outcast die voelt dat hij zich alleen met uitzonderlijke prestaties kan rechtvaardigen.

Kamps komt gaandeweg in aanraking met racisme en homofobie, die de kiem zaaien voor ernstige depressies

Op zijn veertiende keert hij terug naar Nederland, opnieuw als vreemdeling in eigen land. In 6 vwo wordt hij toegelaten tot de vooropleiding van het Haagse conservatorium; een jaar later gaat hij wiskunde studeren in Utrecht. Zijn schizofrene conditie houdt stand, totdat hij vele inzinkingen verder tot de conclusie komt dat hij noch als mens, noch als dirigent de schijn de schijn mag laten. Ook op de bok zal hij zich moeten laten zien zoals hij is, moet hij voor zichzelf definiëren ‘wat een dirigent in de 21ste eeuw zou kunnen zijn’. Zijn antwoord: ‘Door eenvoudig te worden wie ik was, met al mijn kracht en uniciteit.’

Op zijn website presenteert Kamps zich als ‘queer conductor, theatre maker & composer’, een drieslag die zijn socioculturele spagaat aardig samenvat: zeer begaan met lgbtq+-vraagstukken en identeitspolitieke kwesties, en tegelijkertijd diep verankerd in de Europese muziektraditie. We spreken over grote dirigenten als de door Kamps vereerde Haitink en Karl Böhm, de Tristan-opname van Carlos Kleiber. Intussen blogt hij over heteronormativiteit, PrEP en de Nashville-verklaring.

Hoe wonderlijk kan het lopen. Toen Manoj Kamps naar Nederland terugkeerde, wist hij niet eens wie Hartmut Haenchen of Leonard Bernstein waren. Zijn enige tastbare contact met dirigenten was het zingen in een schoolkoor. Maar omdat hij al vroeg arrangementen maakte en als pianist veel kamermuziek speelde, merkte hij snel ‘dat mensen zich graag voegden naar de muzikale richting die ik aangaf. Dat ik altijd degene was met het beste overzicht.’ En nu hij is wat hij zijn wil, blijven de ideeën komen. Hij spreekt over de Danse sacrale, over het meisje dat in de slotscène van Stravinsky’s Sacre het uitverkoren offer van de titel wordt. ‘Je hoort veel uitvoeringen waarin die laatste dans een totale apotheose naar het slot is. Maar eigenlijk staat dat er niet. Ik las vandaag wat Alex Ross (muziekcriticus – bvp) erover schreef: het is een dans die gaat over vermoeidheid. Het gaat over de grens van wat de uitverkorene fysiek aankan, en het drijft haar tot totale uitputting. Ross schrijft: “It’s not about intensification, it’s about exhaustion.” Een fysieke desintegratie, dus moet je het ook niet te snel spelen. Je moet die weerstand horen.’ Wel, daar kan hij iets aan doen. Het dal achter zijn rug lijkt heel ver weg.

Dirigent en vriend Bas Wiegers leerde hem kennen toen Kamps hem assisteerde in een Carmen-productie bij de Nederlandse Reisopera. ‘Een gedetailleerd onderzoeker, heel erg in de partituur, waanzinnig prettig als assistent. Later heeft hij me bij Asko|Schönberg geassisteerd in een opera van Arnoud Noordegraaf. Die samenwerking heeft zich langzamerhand ontwikkeld tot een vriendschap.’

Ze herkenden iets in elkaar. ‘Ik denk dat we allebei een beetje huiverig zijn geweest om aan het standaardimago van dirigenten te voldoen. Ik heb nooit de ambitie gehad me eenzijdig te richten op de muzikale canon en ik denk dat dat ook voor Manoj geldt. We zijn allebei erg met dramaturgie bezig, niet alleen in de vorm van muziektheater, maar met alles op de route van het stuk naar het concert. Hoe presenteer je je, wat trek je aan, wat is je uitstraling?’

Wiegers ziet óók een gemeenschappelijke onwil te beantwoorden aan het machobeeld van de traditionele dirigent. Autoriteit is in het consensustijdperk toch glad ijs geworden. Orkesten verwachten een leider die het zichtbaar uitstraalt, een traditioneel publiek hangt aan de slippen van de maestro-mythe. Maar deze generatie voelt weinig voor de mannetjesmakerij van een Karajan of Toscanini. ‘Het leiderschap is voor ons het probleem niet, maar het wordt een ander soort leiderschap.’

Die ambitie ziet Wiegers bij meer dirigenten van hun lichting, ‘in het zoeken naar de balans tussen de teugels aantrekken en loslaten’. Opnieuw: een zaak van worden wie je bent. ‘Ik ben misschien minder queer dan Manoj maar ook homoseksueel en ik herken de strijd die je moet leveren om jezelf te accepteren en je plaats te vinden. Militant vind ik een moeilijk woord. Manoj presenteert zich zoals hij doet uit innerlijke noodzaak. Vergeet niet dat dirigeren alleen met de hele persoon kan. Als je deeltjes van jezelf gaat verbergen lukt dat niet.’

Maar we zijn op de goede weg, zegt Wiegers, de ruimte is groter geworden, ook door vrouwen die gaan dirigeren. ‘De vraag is nu alleen hoe we de wortels van het klassieke muziekbedrijf kunnen behouden en tegelijkertijd nieuwe stekjes op die boom kunnen enten.’

De eerste jaren waren voor Kamps moeizaam. ‘Ik had geen idee wat van een dirigent verwacht wordt, en dat het niet zomaar wordt zoals je het in je hoofd hebt. Ik was in het begin veel te sturend’, zegt hij. Nu trekt hij grenzen waar nodig en is hij steeds minder bang dat dat hem credits kost. ‘Ik denk dat mijn empathisch vermogen me soms in de weg zit, maar ook voordelen heeft. Bij professionele orkesten hoor ik van musici dat ze het fijn vonden met me te werken, omdat ze zich zo gerespecteerd voelden. En ik dacht: eigenlijk schrijnend, omdat het blijkbaar helemaal niet zo vanzelfsprekend is gerespecteerd te worden. Mensen zijn blijkbaar gewend om onder een soort juk te leven.’

Voor hem is het essentieel zich anders te leren verhouden tot zijn biotoop. Daar is hij zelf bij, in de verschijningsvorm die hem past. Ook zonder frak is het zijn wereld.


Het Nederlands Studenten Orkest is t/m 23 februari op tournee. Voor de agenda van Manoj Kamps, zie music.manoj.nl

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.