19 januari 1944 – 10 augustus 2013

Dirk Lauwaert

Hij schreef over film, beeldende kunst, fotografie, mode, kleding en nog veel meer. Hij bedreef cultuurkritiek, als intellectueel en als docent. Schrijven was voor hem reflecteren. En de taal een tastinstrument, om mee te strelen en te slaan.

Zaterdag 10 augustus overleed de Belgische essayist Dirk Lauwaert aan de gevolgen van een hersentumor. Op armlengte van mijn bureaustoel heb ik een klein boekenplankje met zijn werk. Het is niet veel, voornamelijk gebundelde artikelen en een aantal catalogi waarvoor hij inleidingen verzorgde. Het is mijn vluchtheuvel. Als het schrijven niet wil lukken en het computerscherm me weer eens wit en wreed aankijkt, dan pak ik een van die boeken, sla een willekeurige pagina op en begin te lezen. Lauwaert lezen is steevast zin krijgen zelf te schrijven.

Ik hoef nooit lang te zoeken, binnen de kortste keren vind ik zinnen die me verrassen en inspireren. Zoals deze over het verschil tussen vriendschap en liefde: ‘Liefde is de akker van cynische trouweloosheid, vriendschap de permanente beoefening van ongebonden trouw.’ Of in een artikel over zijn garderobe: ‘De tijd voor mannen is traag. Hoeveel kostuums kan je in een mensenleven laten maken? De tijd voor vrouwen daarentegen is kort, zeer kort geworden. Hij moet in zijn kostuum “zijn”. Zij moet in haar jurk “verschijnen”.’ En in een lange analyse over hoe de Tweede Wereldoorlog zijn autobiografie heeft besmet: ‘Terreur is enthousiasme consequent in daad omgezet.’

Deze citaten komen niet uit de bundels in mijn kast, maar uit fotokopieën van artikelen die in De witte raaf verschenen, het Belgische tijdschrift dat Lauwaert meer dan twintig jaar een uniek platform bood. Het is een stapeltje met wat hij zijn ‘autobiografische’ teksten noemde.

Het persoonlijke leven kreeg pas laat een plek in zijn werk, tenminste, als uitgesproken onderwerp. Hij schreef over film, beeldende kunst, fotografie, mode, kleding, de stedelijke ruimte, en bedreef cultuurkritiek over de positie van de docent en de rol van de intellectueel (Roland Barthes als voorbeeld). Bij nader inzien zou je ook deze artikelen al ‘autobiografisch’ kunnen noemen. Uiteindelijk ging het hem niet om het documenteren van het onderwerp, maar om de houding tegenover de kunsten, het culturele, en uiteindelijk ook om degene die hij zelf was. In die zin was hij een schrijver pur sang, die wilde bestaan in zijn taal. De stijl waarin hij gedijde laat zich omschrijven als een spiraalvormige reflectie, een fijnzinnige rationalisering van gevoelens, bijna een verzelfstandiging van die gevoelens tot dingen, dingen waar je omheen kunt lopen, die je kunt betasten. De taal is bij Lauwaert een tastinstrument: strelen en slaan, en alles daartussen.

Hij wilde, steeds opnieuw, het object van zijn gepassioneerde bewondering of fascinatie tijdelijk bij de strot grijpen, aan zich binden, door er een woord voor te vinden, een korte zin, de juiste beschrijving – for the time being, nooit langer. Hij koesterde de vergeefsheid van de taal. Het falen ervan calculeerde hij bij voorbaat in. Eindigheid, afronding, het kwam in zijn denken niet voor. Juist omdat de taal onvolkomen was, onhandig, ontoereikend, was het zo’n enorme bron van plezier. Misschien was de enige afronding die telde de bundeling van zijn artikelen in boekvorm (hij hield van boeken, het openslaan, de aanraking). De uitgevers wisten wel raad met zijn stukken over film, fotografie, mode (dit najaar nog verschijnt De geknipte stof), en zijn cultuurkritieken, maar, opmerkelijk genoeg in een tijdsgewricht dat omtuimelt van de human interest, niet met zijn ‘autobiografische’ teksten.

Waarschijnlijk omdat hij ook hier niet wilde geven wat het onderwerp doet verwachten. De autobiografie belooft de onthulling, het inkijkje achter de façade. Die nieuwsgierigheid wilde hij niet bevredigen. Zijn autobiografische teksten laten zich lezen zoals al zijn teksten: ze gaan nooit over de aanleiding (in dit geval zijn eigen leven), maar proberen het algemene van de aanleiding (de autobiografie) te doorgronden.

Dat vraagt geduld, maar wie dat avontuur aangaat blijkt nabij het geheim Dirk Lauwaert te kunnen komen. Niet door de anekdotes (die hij als plaagstootjes rondstrooit), maar door de houding die uit zijn schrijven spreekt: de principiële onvoltooidheid van elk kijken, lezen, voelen en begrijpen, ook als het onszelf betreft.

Lauwaert onderzocht zijn onderwerpen meticuleus, alsof ook daar geen afronding mocht bestaan. Alibi waren de lessen die hij in Brussel aan de kunstacademies R.I.T.S. en Sint-Lukas gaf. Studenten hebben jaar in, jaar uit aan zijn lippen gehangen. Degenen die er gevoelig voor waren keken met nieuwe ogen naar de wereld. Herhaald kijken was de strategie die hij probeerde bij te brengen.

Zo keek hij ook naar de tumor in zijn hoofd waaraan hij uiteindelijk zou bezwijken. Het verslag ervan is het laatste dat hij schreef: ‘De niet meer gezonde Man’ (De witte raaf, maart-april 2013). Een ziekteverloop, ontdekte hij, laat zich omschrijven als een verhouding tot de artsen die je behandelen. Je ziekte begrijpen is proberen degene die voorgeeft er te zijn om je te genezen op zijn waarachtigheid te beoordelen. Niet de waarheid en dus de kennis van de arts, maar zijn houding, zijn lichaamstaal, de gekozen woorden vertellen je hoe het met je staat.

Hij beschrijft het zo: ‘Ik zocht zelf niet naar medische informatie. Dat is me te veel automedicatie. Ik haal het toch nooit bij de arts. Ik doe iets anders: ik beloer verhoudingen. Ik beoordeel gesprekken. Ik weeg waarachtigheid, of toch de poging daartoe. Te veel artsen dragen onverschilligheid op hun revers, te veel routine, te veel de snelste weg, te weinig tijd, geen ruimte. (Ruimte!) Telkens weer de zoektocht hervatten naar hem als gesprekspartner. Een taal met hem delen. Een illusie, natuurlijk.’

En dan: ‘Voor artsen is het opgeven een nederlaag, het sterven niet meer hun wereld. Terminaal zijn is afvalligheid.’ Hij koos er zelf voor afvallig te zijn. Hij werd 69 jaar.

Hij wilde, steeds opnieuw, het object van zijn bewondering bij de strot grijpen