Hoofdcommentaar

Disciplineer Balkenende én VVD

Hoe Europees is minister Ben Bot? Na zijn toespraak voor de Duitse Humboldt Universiteit kopten de kranten dat de minister van Buitenlandse Zaken het Europese ideaal te ver vond doorgeschoten. Hij had in Berlijn immers gepleit voor het terugbrengen van een aantal Europese verantwoordelijkheden naar de regeringen van de nationale lidstaten. Dat zou volgens Bot de Europese burger, die zich deze week mag uitspreken over de samenstelling van het Europees Parlement, dichter bij de politiek brengen. Schande! vonden de linkse Nederlandse lijsttrekkers bij die verkiezingen. En commentatoren spraken van een minister die kort voor het Nederlandse voorzitterschap was bezweken onder de manifest aanwezige euroscepsis. Dat is immers wat we deze dagen graag willen horen. Enthousiasme voor Europa is oude politiek, scepsis nieuwe.

Maar wie de interpretatie van de toespraak van Bot niet aan de Duitsland-correspondenten van de Nederlandse dagbladen overlaat, komt tot heel andere conclusies. Dat Bot geen blinde eurofiel is, was al jaren bekend. Ook toen hij nog als EU-ambassadeur in Brussel de Nederlandse regering vertegenwoordigde, liet hij regelmatig doorschemeren dat hij zich zorgen maakte over de toenemende kloof tussen de Europese burgers en hun bestuur in Brussel. Het grote Europese ideaal, het idee dat Europese integratie de veiligheid en stabiliteit van het continent dient, leeft in de oude lidstaten nog vooral bij de generatie die in de jaren veertig de desintegratie aan den lijve heeft ondervonden. Bij de inwoners van de nieuwe lidstaten in Oost-Europa is de herinnering aan onderdrukking nog wat verser. Niet voor niets wordt daar bij de verkiezingen een aanzienlijk hoger opkomst cijfer verwacht.

Bot noemde vijf beleidsterreinen waarvoor de nationale regeringen weer meer verantwoordelijkheid zouden kunnen nemen: landbouw, structuurbeleid, cultuur, gezondheid en sociaal beleid. Vooral de landbouwsubsidies en de structuurfondsen liggen in sommige lidstaten gevoelig. De invloed van Europa op cultuurbeleid, gezondheidsbeleid en sociaal beleid wás al niet zo groot. In sterke mate kunnen de lidstaten hierbij nog hun eigen koers varen. Met het oog op de vergrijzing, waar landen als Frankrijk en Italië minder op zijn toegerust dan Nederland, is het wellicht verstandig het sociale beleid (nog) niet te harmoniseren. Dat betekent niet dat de EU geen gezamenlijk plan hoeft te trekken om de economische consequenties van de vergrijzing het hoofd te bieden. Eerdere kritiek van Bot op de zogenaamde Lissabon-agenda, het voornemen van de EU om in 2010 de meest innovatieve en concurrerende economie te zijn, kwam in zijn toespraak dan ook niet terug. Het arbeidsmarkt-, handels-, onderwijs- en innovatiebeleid zijn voor hem nog wel degelijk zaken die collectief moeten worden aangepakt. Ook in de Verenigde Staten worden cultuur, gezondheid en sociaal beleid vooral aan de afzonderlijke staten overgelaten. Op federaal niveau ligt het zwaartepunt bij buitenland- en defensiebeleid.

En daar wil Bot naartoe. Want het échte nieuws uit zijn toespraak was dat hij, namens het hele Nederlandse kabinet, het idee van een federaal Europa omarmt. Hij liet er in navolging van zijn Duitse collega Joschka Fischer, die in 2000 aan dezelfde Humboldt Universiteit de aftrap gaf voor een discussie over Europees federalisme, geen twijfel over bestaan dat de EU «een federatie in wording» is. Bot noemde de introductie van de euro, de gezamenlijke handelspolitiek en het na 11 september 2001 van de grond gekomen Europese veiligheids- en defensiebeleid. En, zei hij, «naar wij hopen in de toekomst, een buitenlands beleid met een gemeenschappelijke, diplomatieke dienst en een gemeenschappelijke minis ter van Buitenlandse Zaken».

Over dat gezamenlijke buitenlandbeleid en ministers die volwaardig namens de hele Unie kunnen opereren is in de Nederlandse regeringscoalitie het laatste woord nog niet gesproken. Vooral de VVD van staatssecretaris van Europese Zaken Nicolaï vindt dat een brug te ver. Nicolaï pleitte in een krantenartikel voor een meer zakelijke en minder idealistische benadering, terwijl Bot (CDA) het in feite niet voor minder doet dan de Verenigde Staten van Europa. Op het ministerie van Onderwijs mogen de bewindslieden van mening verschillen, op Buitenlandse Zaken sluimert even goed een conflict.

Toch heeft Nicolaï geen ongelijk als hij zegt op zoek te zijn naar een «nieuwe legitimatie voor Europa». Het Europa dat voor de generatie van Bot stabiliteit en vrede bracht is de generatie van Nicolaï nog maar nauwelijks bij te brengen. Nicolaï noemt Europa een middel, geen doel op zich. Maar de tientallen langs en door elkaar lopende campagnes die kiezers deze week naar de stembus moesten brengen, waren wél weer doordrenkt van de morele waarde van het Europese ideaal. Wie zich voor die prachtige Europese integratie niet interesseert, zou zich eigenlijk moeten schamen, was de boodschap. Tegelijkertijd lag in de media de nadruk op riante declaratieregelingen en doorgeslagen bedisselzucht. Wie moet de Europese kiezer geloven?

De apathie van die kiezer is groot. Vijf jaar geleden kende Nederland na Engeland de laagste opkomst, en dat zal aanstaande zondag, als de officiële uitslag van de Europese verkiezingen bekend wordt, niet veel beter zijn. De informatiecampagnes en de lijsttrekkerstournee hebben wat dat betreft niet gewerkt. Als in juli de Nederlandse europarlementariërs zijn beëdigd, verdwijnen ze alle 27 weer voor vijf jaar in de anonimiteit. Om de kloof tussen burger en Europese politiek te verkleinen heeft wéér een nieuwe informatiecampagne of lollig bedoeld tv-spotje geen zin. Bot stelde in zijn toespraak voor het mandaat van de europarlementariërs in het nationale parlement te vergroten. Dat kan helpen. Nu nog komen zij slechts eens per jaar terug naar de Kamer om zich uit te spreken over «de stand van de Unie». Of de Tweede Kamer hier zin in heeft, valt te betwijfelen. Die heeft ervoor gekozen niet Europa naar Den Haag te halen, maar juist een a-politieke «ambassadeur» in Brussel te detacheren.

De zwaarste verantwoordelijkheid ligt echter bij Bot zelf. Hij zal zijn visie niet alleen in Berlijn moeten uitdragen, maar ook zijn collega’s in het Nederlandse kabinet moeten overtuigen aan de vooravond van het Europese voorzitterschap van Balkenende. Wie kiest voor een federaal Europa kiest ook voor meer aansluiting bij Duitsland en Frankrijk. En dat is bepaald niet waar Balkenende zich de laatste twee jaar om heeft bekommerd.

Bot heeft maar een half jaar de tijd om de premier én de VVD te disciplineren.