Je kunt het de argeloze passant moeilijk kwalijk nemen dat de boodschap van de abriposters niet direct duidelijk was. ‘Erik en Annemarie krijgen morgen de sleutel. (Omar en Samira niet).’ O ja? Kregen Erik en Annemarie soms een jubeltonnetje van hun ouders? Hebben ze een salaris waarmee ze zich een huurhuis in de vrije sector kunnen veroorloven? Want voor veel Nederlanders, of ze nu Jaap of Rachid heten, is het helemaal niet zo makkelijk om een geschikte woning te vinden.

Dat neemt niet weg dat dit voor Rachid nóg moeilijker is; naast het geringe aanbod en de exorbitante prijzen heeft hij namelijk met nog een ander obstakel te kampen: discriminatie. ‘Een woningzoekende met een ‘Nederlands’ klinkende naam krijgt aanzienlijk vaker een uitnodiging voor een bezichtiging dan een woningzoekende met een ‘Marokkaanse’ achternaam’, bleek in 2018 uit onderzoek van De Groene. Sindsdien hebben verschillende vergelijkbare onderzoeken, waaronder een studie in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken, de belangrijkste conclusie bevestigd: Jaap en Rachid hebben niet dezelfde kansen op de woningmarkt.

Wie nog twijfelt of er racisme bestaat in ons zogenaamd tolerante gidslandje hoeft alleen maar naar de reacties op de postercampagne te kijken. Niet alleen anonieme twitteraars deden weinig moeite hun vreemdelingenhaat te verbergen, ook rechts-populisten grepen de gelegenheid aan om asielzoekers neer te zetten als parasitaire indringers. Geen wonder dat Nederlanders met een ‘vreemde’ achternaam te maken hebben met discriminatie.

De vraag is dan: hoe los je dat op? De belangrijkste stap is om te zorgen voor meer betaalbare woningen, zodat Erik niet verleid wordt om Omar als zondebok aan te wijzen. De woningcrisis is namelijk niet iets dat ons is overkomen, het is de uitkomst van jarenlang beleid, zo laat Cody Hochstenbach, stadsgeograaf aan de Universiteit van Amsterdam, zien in zijn boek Uitgewoond. Bouwen, bouwen, bouwen is als antwoord dan ook ontoereikend, zolang die nieuwbouw enkel betaalbaar is voor tweeverdieners met een bovenmodaal inkomen.

Ook met beter woonbeleid is de discriminatie natuurlijk nog niet verholpen. Alleen kun je je afvragen of zulke posters daar wél tegen helpen. Volgens het ministerie is de campagne, opgezet in samenwerking met vastgoedorganisaties, bedoeld om meer bewustwording te creëren. Maar aan wie is deze boodschap gericht? Aan Erik en Annemarie? Aan Omar en Samira? En wat is hun verantwoordelijkheid dan precies? Het was logischer geweest om de makelaars en particuliere verhuurders aan te spreken; zij zijn degenen die discrimineren.

In België, waar dit probleem eerder werd gesignaleerd dan in Nederland, is de gemeente Gent begonnen met het controleren van makelaars door praktijktesten. Dat heeft effect, zag socioloog Pieter Paul Verhaeghe die daar onderzoek naar deed: ‘Het werkt als een soort flitspaal: de meeste van die kastjes werken helemaal niet, maar toch gaan mensen er langzamer door rijden.’

Het Nederlandse ministerie van Binnenlandse Zaken benadrukt dat de postercampagne onderdeel is van een breder actieplan. Zo is er een wet in aantocht over ‘goed verhuurderschap’, waarin landelijke normen worden vastgelegd. En er komen regels over het selectieproces van huurders, die discriminatie moeten tegengaan. Het ministerie wil gemeenten zo meer mogelijkheden geven om op te treden tegen discriminerende verhuurders. Het is te hopen dat deze maatregelen meer effect sorteren dan contraproductieve ophef rondom de posters. Want er is nog een lange weg te gaan voordat betaalbaar wonen in Nederland voor iedereen bereikbaar is.