Thomas Quasthoff, Mijn stem

Dissonant

Thomas Quasthoff

Mijn stem

Mets en Schilt, 316 blz., e 25,-

Een van de vreemdste gesprekken die ik ooit voerde was een interview met de Duitse bariton Thomas Quasthoff. Hij is een hoogst intelligente, welbespraakte zanger met een prachtig hoofd en een ontstellend lijf; een softenonkind, een zwaar mismaakte dwerg: geen armen, nauwelijks benen. Toen ik hem sprak, begon zijn wereldloopbaan vorm te krijgen. Hij had het ard-concours gewonnen, zong verbluffend Schubert in de Kleine Zaal van het Concertgebouw, had een veelbelovend opnamecontract bij bmg en lag als geniale rariteit op ieders lippen.

We hadden afgesproken in een Amsterdams hotel. Ik arriveerde iets te vroeg, waardoor ik vijf minuten moest wachten tot de zanger uit de lift kwam. De eerste aanblik schokte me, al wist ik wat ik kon verwachten. Ik gaf hem een iets te ferme hand, of wat daar bij Quasthoff voor moet doorgaan: een door de softenon geregisseerde uitspanning van buitenaardse voelsprieten. Mooi zo, zei hij, u bent niet bang, dat is een gunstig teken.

Het was een goed begin. Het werd een mooi gesprek, waarin hij mooie dingen zei. Ik was direct enorm op hem gesteld. Toch zat ik daar met een beklemd gevoel. Ik vertrouwde zijn vrolijkheid niet helemaal. Ik dacht: dat kolossale zelfbewustzijn van je, en die stentorstem, het is gehandicaptenbranie, een met geweld gecultiveerde kwade trots. Op zevenmijlslaarzen de pijn weglachen. Ik dacht dat ook omdat ik wist: ik zou het leven met dat lijf niet hebben uitgehouden. Zo gaat dat in een interview, zo gaat dat met interviewers: ze worden vanzelf paranoïde. Je denkt de hele tijd aan wat je zelf verzwijgt en wat de ander achterhoudt. Als dat belastend wordt, moet je het opgeven. De echte bekentenissen dwing je niet af; dat vuile werk moet de ondervraagde zelf opknappen.

Vandaar dat ik zo benieuwd was naar Quasthoffs autobiografie, die onder de titel Mijn stem bij Mets & Schilt nu in het Nederlands is verschenen. Zou hij genegen en bij machte zijn zich uit te spreken over de kern van een frustratie die hij met onvoorstelbare bravoure wegbazuint? Nee. Hij heeft er geen zin in. Hij heeft zin in heel andere dingen. Vooral in het leven dat hem in zijn jeugd is afgepikt door de schoften achter het slaap- en kalmeringsmiddel Contergan, dat zijn zwangere moeder als zovelen heeft geslikt zonder een flauw idee te hebben van de consequenties. Hij leeft het als een man die niets wil missen: blowend, zuipend, feestend, zingend in soulbands en jammend in jazzholen, tot Bach en Beethoven hem schallend tot de orde roepen.

Medium dik 20boek 20hoofd

Nergens een scène waarin de zanger naakt voor de spiegel staat en zich met tranen in de ogen tandenknarsend afvraagt hoe de Lieve Heer zulk leed in hemelsnaam kon toestaan. Het kan best zijn dat hij dat thuis wel eens gedaan heeft. Maar hij schrijft het niet op. Zelfs waar hij in zijn puberteit zijn klasgenoten langzaam kwijtraakt aan de meisjes en het volle leven zegt de arme thuisblijver alleen dat hij «de blues heeft». «En het wordt met de dag erger. Op school kijk ik niet meer naar het bord, maar ik kijk heimelijk naar de jongens en observeer de meisjes. Ze dragen nu rare broeken met brede omslagen, pelsjassen en laarzen met hoge hakken en korte rokken, waar iemand behoorlijk van in de war kan raken. (…) Ik heb een vermoeden van het spel der hormonen, maar ik heb het gevoel dat ik zelf niet mee mag doen. En het ergste is dat ik me niet eens kan beklagen. Iedereen is aardig tegen Tommy, iedereen bekommert zich om hem, en iedereen wil dat het hem goed gaat.»

De maat van dat verdriet meet je alleen tussen de regels door. Eén keer loopt de jongen Tommy Quasthoff gek van pijn van huis weg om de blues onder zijn wrakke zolen te vertrappen. Onderweg dondert hij uitgeput in een greppel, waar de politie en het Rode Kruis hem ’s nachts weer uitvissen. Het is de muziek die hem redt, dat is de hoofdzaak. Na het greppelincident belooft zijn vader een zangleraar voor hem te zoeken. «Dan verveelt mijn kleine hansworst zich in de toekomst misschien niet meer zo dat hij hindernismarsen moet lopen die ons bijna aan de rand van het graf brengen.» Eind goed, al goed.

Wat je wel proeft is de woede over het gelazer dat zijn hopeloze lichaam met zich meebrengt. De razernij over het Duitsland waarin geen openbare school hem als leerling blijkt te willen aannemen, waardoor hij in het internaat Annastichting belandt tussen de spastici, mongolen en de andere softenongevallen, wier ouders zich gehoorzaam hebben onderworpen «aan het gezonde Duitse Volksempfinden en hun mislukte nakomelingenschap meteen na de geboorte ter levenslange bewaring in de Annastichting hebben gesteld». De woede tegen de hufter die hem de toegang tot het conservatorium weigert, omdat een aspirant-zanger toch ook piano moet kunnen spelen. Het leedvermaak met een in de vergetelheid verzonken vakbroeder die hem op het ard-concours heeft toegesist dat hij zijn overwinning louter aan zijn handicap te danken heeft.

Wat Quasthoff niet doet, is de relatie tussen zijn handicap en zijn persoonlijkheidsstructuur analyseren.

Misschien is het wel onbegonnen werk. Misschien moet je het ook niet van hem verlangen. Die jongen heeft genoeg gesodemieter aan zijn kop gehad. En hij heeft het gered. Dankzij geweldige ouders, geweldige vrienden, een geweldige moed en een dito talent.

Het is vooral dankzij die moed dat Mijn stem zo’n grandioos boek is geworden. In de eerste plaats is het heel goed geschreven. In de tweede plaats is het buitengewoon geestig. Het mag in de krant dat je de internaatscènes bulderend van het lachen kunt uitlezen zonder gêne over de verwachte ongepastheid van het leesgenot, omdat de schrijver als een stand-up comedian korte metten weet te maken met de bedremmelde reserves van de lezer. Het onderwijs in Annastichting is een ramp met de benauwende allure van Thomas Bernards meesterstuk Ein Fest für Boris.

Quasthoff krijgt er les van juffrouw Neddermeyer. «Ze is jong, sympathiek en gezegend met een waar engelengeduld. Maar dat helpt haar niet. Want men heeft haar twee gevallen van softenon en vier van spieratrofie plus vijf spastici in de maag gesplitst, een voor goed onderwijs tamelijk lastig mengsel. (…) Als zij het tempo aanpast bij dat van ons softenonkinderen, dan maken de spastici in hun banken een hels kabaal omdat ze er geen bal van begrijpen. (…) Met andere woorden: een schoolvoorbeeld van een pedagogische impasse.»

Na schooltijd wordt de wrange bende in het dolhuis aan haar lot overgelaten. «In de namiddag wordt de freakshow op de kamer voortgezet. De spastici wroeten nu in een bij het raam liefdeloos opgestapelde hoop legostenen, de autisten dolen hoofdschuddend door een parallel universum, de epileptici lopen met schokkende ledematen schuimbekkend rond, de dementen zijn onberekenbaar, terwijl softenon en spieratrofie strijden om de pikorde. Dan moet een halve turf er het beste van zien te maken.»

Ik las het jankend van plezier en ontroering. Na zulke zinnen twijfelt niemand meer aan de doornenrijkheid van het pad dat deze halve turf heeft moeten afleggen om van de Annastichting tot een wereldcarrière te geraken. Vandaar dat niemand Quasthoff de verdacht ironische triomfgevoelens zal misgunnen die doorklinken in het verslag van zijn debuut bij The New York Philharmonic, waar hij Mahler zingt onder Sir Colin Davis, geheel versmolten met het grote, hippe universum van de wereldtop. Een dag later, The New York Times is in extase, belt zijn zaakwaarneemster met de blijde boodschap dat hij is geslaagd voor zijn examen. «Is het niet fantastisch? Iedereen is verrukt van je stem. Morgen ben je in heel Amerika een beroemde zanger.» Dan Quasthoff weer: «Fantastisch, kom ik dan in de Jay Leno Show?» Te leuk gezegd: zelfs bij een chroniqueur van zijn kaliber grenst die ironie aan zelfgenoegzaamheid.

Maar what the hell. Hij heeft het recht. Thomas Quasthoff heeft meer zelfoverwinningen op zijn naam staan dan wie ook. Hij zingt zelfs opera, een genre waarover hij tijdens ons gesprek in Amsterdam nog heftig leek te twijfelen uit angst met dat onmogelijke lijf voor aap te zullen staan. Amfortas in Wagners Parsifal; Don Fernando in Beethovens Fidelio, onder Simon Rattle. Voor die laatste opdracht sterft hij duizend doden. «Ondanks Simons bemoedigende woorden bekruipt mij in zwakke ogenblikken nog altijd de angst dat ik me met mijn dwergachtige gestalte belachelijk zal maken.» Zijn vriend Tony Shalit spreekt hem moed in. «Denk eens aan al die dikke oude tenoren die achter jonge meisjes als Aida of Desdemona aan zitten. Dat is de echte verschrikking. Niet jij, little big man.»

Zo is het. Dus hij doet het. En het gaat. De kritieken zijn juichend. Daarna zingt hij zonder verblikken of verblozen zijn Amfortas-rol. No guts, no glory.

Nog een keer terug naar mijn gesprek met Quasthoff. Het genoegen is wederzijds. Bij het afscheid stelt hij voor de dag daarop, na zijn recital in de Kleine Zaal, een borrel te gaan drinken. Ik heb het niet gedaan, uit vrees dat mijn belachelijke argwaan aan de toog eens in de weg zou kunnen zitten. Wat heb ik daar, na lezing van dit boek, ontzettend spijt van.