Dissonanten

Ensemble Parade: 7 t/m 16 juni. Guus Janssen en Martijn Padding schreven beiden een deel van de Collectieve compositie (7 juni, Carre te Amsterdam). De eerste uitvoering van Block Beuys - Raum 2 van Richard Rijnvos door het Ensemble Modern vindt plaats op 15 juni in het Concertgebouw te Amsterdam. Ssst! - Nieuwe ensembles voor nieuwe muziek wordt uitgegeven door International Theatre & Film Books, f27,50. De officiele orkesten zijn achterhaald, de ware vooruitgang valt bij de ensembles te beluisteren. Zo heette het tenminste de afgelopen vijfentwintig jaar. Maar of die speciale gezelschapjes nog steeds zo vernieuwend zijn? Een kritische noot bij het einde van het Jaar van de Ensembles.
RAKEN DE GROTE ensembles voor nieuwe muziek in Nederland vermalen in ‘een carroussel van internationale ensembles die allemaal ongeveer hetzelfde spelen’, zoals Guus Janssen beweert? Dreigt ‘de eigen identiteit’ van de ensembles zoek te raken, zoals Richard Rijnvos vreest? Komt het succes van de ensembles vooral tot uitdrukking in ‘een versjieking’ die bedoeld is om op buitenlandse festivals hoge ogen te gooien, zoals Martijn Padding vaststelt? Of moeten deze kritieken op de top van de Nederlandse ensembles als ‘losse flodders’ worden beschouwd, afkomstig van mensen die ‘slecht geinformeerd’ zijn, zoals Renee Jonker namens het Schonberg- en Asko Ensemble tegenwerpt?

Afgelopen seizoen vierden de ensembles feest. Dit jaar was immers - door de ensembles zelf - uitgeroepen tot Jaar van de Ensembles. Een reeks marathonconcerten wordt nu op het Holland Festival bekroond met een Ensemble Parade oftewel een ‘unieke vlootschouw’ van binnenlandse en buitenlandse ensembles.
Maar de programma’s die de 'elf internationaal vermaarde ensembles’ spelen, zijn eigenlijk volkomen inwisselbaar. Of een werk van Berio nu door London Sinfonietta wordt gespeeld of door Ensemble Modern, Ensemble InterContemporain of het Nieuw Ensemble, is nauwelijks relevant. Hetzelfde geldt voor het werk van Boulez, Stockhausen, Kurtag of Schonberg - slechts met grote moeite valt in de programma’s een eigen accent te ontdekken, zoals bijvoorbeeld London Sinfonietta dat naast Berio ook twee Britse componisten speelt (George Benjamin en Harrison Birtwistle). Het is dus zonder meer een vlootschouw, maar aan die uniciteit mag getwijfeld worden.
Ter gelegenheid van de Ensemble Parade is een bundel essays uitgegeven die de historische context van de ensemblecultuur belicht. Zo gaat Elmer Schonberger in Ssst! in op de wortels van het ensemble zoals we dat nu kennen. Bayan Northcott behandelt twaalf sleutelwerken die deze bezetting heeft opgeleverd en Cas Smithuysen doet verslag van een longitudinaal onderzoek naar het publiek van moderne muziek. Pay-Uun Hiu probeert antwoord te geven op de vraag hoe juist in Nederland zo'n bloeiende ensemblecultuur heeft kunnen ontstaan. Terwijl in Duitsland de ensembles door de federale structuur nogal geisoleerd werken, in Frankrijk het Ensemble InterContemporain van Boulez bijna alle subsidies krijgt, in Engeland het muziekleven versnipperd is en in Belgie verlamming heerst door de taalstrijd, gaf het sterk verzuilde Nederland ruimte voor een pluriforme ensemblecultuur. En inderdaad: Orkest De Volharding, de Ebony Band, het Nederlands Blazers Ensemble, LOOS, het Ives Ensemble, het Maarten Altena Ensemble, Ensemble Gending, het Xenakis Ensemble, het Willem Breuker Kollektief - om een fractie van de ensembles te noemen - allemaal hebben ze een eigen voorgeschiedenis, een eigen werkwijze en een eigen repertoirekeuze. Die eigenheid is tevens het bestaansrecht van zo'n groot aantal ensembles.
Dat 25 jaar ensemblecultuur zijn vruchten heeft afgeworpen, staat buiten kijf. Door het hoge niveau en de grote inzet van de musici zijn de compositorische ontwikkelingen enorm gestimuleerd, wat op zijn beurt het muziekleven heeft verlevendigd. De meeste ensembles zijn ontstaan rond de uitvoering van een werk: het Schonberg Ensemble dankt zijn bestaan aan Schonbergs Pierrot lunaire en het Nieuw Ensemble aan Venus en Adonis (1980) van Theo Loevendie. Deze clubjes vormden een toevluchtsoord voor componisten die bij de officiele orkesten de neus hadden gestoten. Orkest en ensemble raakten steeds verder gepolariseerd, zodat nu vaak over het orkest wordt gesproken als een negentiende-eeuws museum en het ensemble als het voertuig voor twintigste-eeuwse muziek.
Maar of er nog altijd zo'n wereld van verschil tussen orkest- en ensemblemusici bestaat, kan betwijfeld worden. Veel jonge orkestmusici spelen ook in een ensemble en de oudere ensemblespelers eisen dezelfde arbeidsvoorwaarden als hun collega's in orkesten. Componist Guus Janssen (45) vertelt dat hij ook in het buitenland deze ontwikkeling waarneemt: 'Onlangs werd Keer uitgevoerd door een orkest in Bologna. Daar zag je hetzelfde als bij het Concertgebouworkest of het Noordhollands Philharmonisch: deels zit er een oude garde die nukkig is omdat het een modern werk moet spelen, deels zitten er jonge musici die met een vergelijkbare inzet spelen als de musici in ensembles. De situatie is echt veel gunstiger dan vroeger.'
Maar ook al is de goede wil bij orkesten vaak aanwezig, het gebrek aan repetitietijd kan funest zijn. Richard Rijnvos (31) maakte dat mee toen het Radio Kamerorkest Sarabande et Double uitvoerde: 'Het zijn goede musici, dus ze kunnen het wel, maar ze krijgen anderhalve repetitie om het in te studeren. Heel triest. Als componist werk je een jaar lang dag in dag uit aan zo'n stuk en vervolgens wordt dat er in anderhalve repetitie doorheen gejaagd. Dat getuigt van weinig respect voor de componist.'
Bijna elke componist kan een eigen variant op Rijnvos' verhaal uit de doeken doen, maar desondanks maakt componist Martijn Padding (40) zich zorgen over deze negatieve tendens. Padding: 'Ik vind het heel erg dat het orkest helemaal wordt afgeschreven. Louis Andriessen en zijn generatiegenoten doen daar heel makkelijk over. Eigenlijk willen die componisten uit frustratie niet meer voor orkest schrijven. Toch is het orkest het enige medium dat echt boven het voorstelbare uitgroeit. Je ziet dat Andriessen voor zijn nieuwe compositie De laatste dag ook vier ensembles heeft samengevoegd - dat komt doordat een orkest zo rijk is en de fantasie blijft prikkelen. Een ensemble heeft een laboratoriumfunctie. Maar uiteindelijk wil je ook een keer in het diepe springen.'
VOOR GUUS JANSSEN liggen de beperkingen van het ensemble in het feit dat het uitsluitend om genoteerde muziek gaat. 'De musici in ensembles staan eigenlijk midden in de romantische traditie: het gaat louter om het uitvoeren van muziek, terwijl in de eeuwen daarvoor improvisatie een veel grotere rol speelde. Die traditie is totaal zoek. Ze willen het wel, maar ze durven het niet. Vooral de leden van het Nieuw Ensemble blinken daarin uit. Toen ik vorig jaar Pogo met ze deed, voelde ik die gretigheid. Improviseren kunnen ze niet, maar ze willen dolgraag een steentje bijdragen. Voor mij is improviseren essentieel. Het puur klassieke componeren, waarbij alles voor honderd procent vastligt, begint erg sleets te worden. Dan valt op hoezeer de musici aan hun instrument en techniek vastzitten. Ik vind het belangrijk om de muzikanten met wie ik speel, veel invloed te geven. Veel componisten vinden dat moeilijk, die geloven daar niet in.'
Dat laatste geldt zeker voor Richard Rijnvos, die zijn muziek uitgevoerd wil horen zoals hij het zich voorstelt. Toch legt hij uit hoe wezenlijk het is dat het Ives Ensemble, dat hij samen met zijn vriend - de pianist John Snijders - leidt, zonder dirigent werkt. Een ensemble waar een dirigent voor staat, verschilt in werkwijze niet van een orkest, meent hij: 'Voor een ensemble is het van cruciaal belang of er wel of niet een dirigent voor staat. Niet tijdens het concert, maar wel tijdens die tien dagen repeteren die daaraan voorafgaan. Elke nieuwe partituur schept een nieuwe situatie waarin de musici gezamenlijk moeten beslissen hoe ze bepaalde problemen zullen oplossen. Dat is een verschil van dag en nacht met een gedirigeerd ensemble, waar een persoon de verantwoordelijkheid neemt.'
IN EEN HOEKJE van de immense studio van de Nederlandse Opera repeteert het Nieuw Ensemble. Het is tien dagen voor het openingsconcert van de Parade en op de lessenaars staat een collectieve partituur van negen Nederlandse componisten die door een collectief van vier ensembles uitgevoerd zal worden. Wie zich afvraagt wat twee decennia nieuwe muziek in Nederland hebben opgeleverd, zou hier een kijkje moeten nemen. Hoewel de musici de partituur voor het eerst samen doorspelen, klinken veel delen al volkomen 'uitvoeringsrijp'. De summiere aanwijzingen van dirigent Ed Spanjaard worden onmiddellijk opgepakt en omdat men aan een half woord genoeg heeft, wordt het stuk in een hoog, efficient tempo doorgewerkt.
Guus Janssen, Richard Rijnvos en Martijn Padding dragen het Nieuw Ensemble met zijn onvermoeibaar opdrachtenbeleid op handen. Rijnvos: 'Ik vind het geweldig dat het Nieuw Ensemble met al die nieuwe stukken zo'n risico durft te nemen. Natuurlijk zijn het niet allemaal meesterwerken, maar ze geloven erin. Ik vind dat veel bewonderenswaardiger dan een ensemble dat op safe speelt door alleen maar opdrachten te geven aan componisten die op buitenlandse festivals zegevieren.'
De compromisloze houding die kenmerkend is voor het Nieuw Ensemble maar ook voor het Ives Ensemble, mist Richard Rijnvos bij het Schonberg Ensemble en Asko Ensemble: 'Je hebt ensembles met een uitgesproken artistiek gezicht, zoals het Maarten Altena Ensemble, het Nieuw Ensemble, De Volharding en wijzelf, en ensembles die eigenlijk nergens voor staan.' Op de tegenwerping dat het Schonberg Ensemble zich toch met de Russische componisten (Oestvolskaja, Goebajdoelina en anderen) en Amerikaanse componisten (Reich, Adams, Glass) heeft geprofileerd, antwoordt hij smalend: 'In onze visie kun je die vrouwen uit Rusland niet verenigen met Steve Reich of Philip Glass. Dat botst. Dat klinkt streng, maar zo bedoel ik het ook.'
Martijn Padding maakt zich zorgen over het feit dat de meest vooraanstaande ensembles te weinig Nederlandse muziek spelen. Hoewel hij zelf een opdracht heeft gekregen van het Schonberg Ensemble ('ben ik erg blij mee'), vindt hij dat de ensembles vooral sjiek proberen te doen met werk van Stockhausen en Ligeti. 'Zelfs bekende Nederlandse componisten hebben moeite om door deze ensembles gespeeld te worden, dus voor de nieuwe generatie is het al helemaal beroerd. De jonge componisten komen bij de orkesten niet aan de bak, maar bij de ensembles - uitgezonderd De Volharding, het Maarten Altena Ensemble en het Hex Ensemble - hebben ze ook weinig kans. Die ensembles verdedigen vooral het erfgoed van Schonberg en Webern. Dat is maandagmorgenmuziek. Heel zuinig. Daarmee verliezen de ensembles het contact met de componisten van nu. Ze zouden beter moeten kijken wat er nu gebeurt in plaats van zich vast te pinnen op de esthetiek zoals die sinds de Kammersymphonie van Schonberg vaststaat. Je zou terug moeten naar de situatie waarin componisten nauw samenwerken met de ensembles.'
Ook Guus Janssen verwijst naar de beginjaren van het Asko Ensemble, waarin sprake was van een gezamenlijke 'werkplaats' van musici en componisten. Janssen: 'Ik was nauw betrokken bij die beginperiode van het Asko in de jaren zeventig. Alles was veel amateuristischer - maar de inzet was enorm. Op het sektarische af waren de musici zwaar gemotiveerd. Nu vormen de ensembles meer een kaartenbaksysteem. Als er een bepaalde bezetting nodig is, wordt een blik musici opengetrokken, het werk wordt uitgevoerd, ze krijgen hun geld en gaan weer naar huis. De band tussen de componisten en ensembles wordt steeds zwakker. Er wordt nog maar weinig Nederlandse muziek gespeeld. Dat vind ik een gevaarlijke tendens. De ensembles worden steeds professioneler, ze spelen de beste muziek van de beste componisten. Met die glimmende Mercedes rijden ze de hele wereld rond. En het gemiddelde festival wil hetzelfde horen: een pianoconcert van Ligeti.'
AL MET AL liegt de kritiek er niet om: het Asko Ensemble en het Schonberg Ensemble - hoge bomen vangen veel wind - doen hun uiterste best bij prestigieuze buitenlandse festivals in een goed blaadje te komen. Daarbij verloochenen ze hun eigen achterban - de Nederlandse componisten - en dreigen hun artistieke identiteit te verliezen.
Renee Jonker, betrokken bij het artistiek beleid van zowel het Asko als het Schonberg Ensemble, verzet zich fel tegen deze aantijgingen: 'Was het maar waar dat we onze programma's zo makkelijk kwijt konden in het buitenland. Onze handicap is dat wij veruit het duurst zijn, vergeleken met de buitenlandse ensembles. Die krijgen een betere reis- en verblijfkostenvergoeding van hun overheden en die musici werken in vaste dienst. Alleen al om die reden is het niet waar dat wij onze oren naar het buitenland laten hangen. Sterker nog: als wij een dure, omvangrijke produktie hebben die we een of twee keer in Nederland uitvoeren, mogen we bidden dat er iemand in het buitenland bereid is een reprise te doen. En sommige projecten zijn zelfs onmogelijk zonder kansen in het buitenland. Als je het streven hebt het oeuvre van bepaalde componisten - Kurtag of Ligeti - zo compleet mogelijk op je repertoire te hebben, moet je dat ergens kunnen uitvoeren. Een klein festivalletje in Duitsland, Gutersloh, heeft ons die kans geboden. Dus voor zover het buitenland een rol speelt, is die alleen maar positief.'
Wat het artistiek beleid betreft, benadrukt Jonker dat er voortdurend keuzes gemaakt worden: 'Wij zien het ook als onze taak om interessante stukken of programma's uit het buitenland aan het Nederlandse publiek te presenteren. Als Ligeti een nieuw vioolconcert heeft geschreven, moet dat hier zo snel mogelijk gespeeld worden. Maar afgezien van die grote namen zijn we er ook als de kippen bij als het Ensemble Modern of het Ensemble InterContemporain iets interessants hebben ontdekt. Dat weegt natuur lijk zwaar voor de Nederlandse componisten die naar die verhoudingen in het repertoire kijken. En met Nederlandse componisten bedoel ik: in Nederland wonende componisten, want in mijn top-tien van jongere componisten staan er vijf waarvan de wieg in het buitenland stond. Dat is een verdienste van onze compositieleraren, die toch veel eigenzinnige musici uit het buitenland als leerling aantrekken. Die studenten ontwikkelen zich vaak tot componisten met een eigen geluid. Maar ook zou je de kwaliteit van Nederlandse stukken moeten durven vergelijken met die uit het buitenland. In Engeland bijvoorbeeld lopen nu drie jonge componisten rond - Thomas Ade
s, Julian Anderson en Mark Anthony Turnage - die een kwaliteit en originaliteit vertegenwoordigen die je in Nederland niet vindt.’
Als voorbeeld van een bewuste keuze noemt Renee Jonker ook de grote muziektheaterproduktie A King, Riding van Klaas de Vries, die nu in het Holland Festival staat. 'In plaats daarvan kun je ook twintig premieres in kleine zaaltjes doen. Ik denk dat het een van de belangrijkste werken van Klaas de Vries is, maar het is bepaald niet een produktie waar je je het gemakkelijk mee maakt. Noch voor het publiek, noch voor de musici, die vaak een half uur doodstil moeten zitten en dan opeens een ingewikkelde solo moeten spelen. Maar die musici zijn zo gemotiveerd dat ze De Vries na afloop enthousiast op de schouder slaan. Ik vind dat heel bijzonder. Daar moet je zuinig op zijn.'
ONLANGS VIERDE het Asko Ensemble zijn dertigjarig jubileum. Jan Vriend, een van de oprichters, bleef demonstratief weg omdat er geen Nederlandse muziek op het programma stond. De in Engeland wonende Vriend is slecht op de hoogte, meent Renee Jonker: 'Op dat moment hadden we voor de komende twaalf maanden tien premie
res van Nederlandse stukken in het vooruitzicht. Mensen die dat soort kritiek hebben, zie ik nooit op concerten. Niemand heeft opgemerkt dat we in datzelfde programma een vijftien minuten durend stuk van Feldman speelden waar we met dirigent Oliver Knussen vijf repetities van drie uur aan hebben besteed. Dat is ook typisch Asko.’
De tijden zijn veranderd, benadrukt Jonker. Je kunt niet vasthouden aan een esthetiek van tien of twintig jaar geleden, ook al steekt hij voor 'sommige werken zijn hand nog steeds in het vuur’. Jonker: 'De Nederlandse componisten past enige bescheidenheid. Ik verkeer in de luxe positie dat ik veel concerten in het buitenland bijwoon en ik krijg maandelijks een tiental buitenlandse partituren opgestuurd. Wij kennen een zeer hoog niveau in de uitvoeringspraktijk, maar wat het componeren betreft is Nederland niet het centrum van de wereld.’