Disteltijdperk

De metabletica is zijn hoogstpersoonlijke uitvinding. Maar populair werd psychiater en fenomenoloog Jan Hendrik van den Berg er niet mee. Hij hoopt op postuum eerherstel. Immers: ‘Niets blijft stabiel, alles verandert.’

TOEN HIJ IN de dodencel zat was hij op een vreemde manier gelukkig. ‘Mensen zijn toch maar vreemde wezens’, constateert psychiater, fenomenoloog, en metableticus Jan Hendrik van den Berg (85). Gelukkig is hij ook in het uiterste terzijde van Oost-Groningen, waar het landschap leger is en onvermoede wolkenluchten zijn. Villa ’t Waar, een landgoed van tweeëneenhalf hectare bos en meer, had, de staatsgrens respecterend, niet excentrischer kunnen liggen. In zijn jeugd was het landschap heilig. In ieder geval: sacraal. Een betekenisverschil. 'Struiken sloegen we omdat ze niet deugden, bomen merkten we omdat ze ons met gratie toelieten tot in hun hoogste takken. Nimfen en demonen komen in Nederland niet meer voor. Door de misdaad van de ruilverkaveling, die alle niches van het land heeft beroofd van de magie.’ Hij botaniseert er zoals in zijn jongensjaren; alleen het ontleden van gevangen dieren doet hij niet meer. Er is een vlinderverzameling, wat opgeprikte kevers en een kast vol ingedroogde planten. 'Als jongen heb ik van mijn vader permissie losgepeuterd om in het abattoir te zien hoe koeien in elkaar zitten’, zegt hij. De plant- en dierkunde bleven een levenslange passie. Verderop een kamer met theologie en een met psychologie. Ertussen een hal met literatuur en kunst. In 1956 voegt Jan Hendrik van den Berg al zijn vakgebieden bij elkaar in zijn boek Metabletica en prompt splijt academisch Nederland in twee kampen. 'Metabletica, leer der maatschappelijke veranderingen, term bedacht door J. H. van den Berg als naam voor een zeer speculatieve wijze van interpreteren van historische verschijnselen’, schrijft Van Dale. Een voor het woordenboek ongebruikelijk waardeoordeel. Van den Berg schittert als kosmoloog, verbindt alles met alles en dit uiteindelijk met God met een eruditie die tegelijkertijd bewondering en irritatie oproept. Van den Berg is onnavolgbaar, vaak ook in letterlijke zin. De topografische afzondering wedijvert met het wetenschappelijke isolement dat altijd gebleven is. 'Ik ben erg gelukkig’, herhaalt Van den Berg. Een wat statige ernst tempert zijn enthousiasme. 'Ik behoor niet tot een groep, heb géén school gesticht en ben, behalve van de Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Geneeskunst, nooit ergens lid van geweest.’ HIJ GROEIDE OP naast de watertoren. Zijn vader was chef machinist bij de Deventer waterleiding. Zijn ouders beiden actieve socialisten. Maar de botaniserende gymnasiast interesseert zich niet voor partijpolitiek. Vanaf 1932 maakt hij elk jaar een voetreis. 'Zonder veel geld. Monter aanstappend met rugzak.’ De eerste reis voert naar Duitsland en maakt grote indruk. 'Dat was in 1932 een land op de rand van een burgeroorlog. Op de schoorsteen van de ene fabriek wapperde het hakenkruis, op de andere, vlak erbij, sikkel en hamer. Er was heel duidelijk een botsing gaande op Europees formaat, van wraak die Duitsland wilde nemen op Frankrijk en op de hele westerse wereld, en daartegenover het alternatief van het communisme. Ik was nieuwsgierig, maar niet zonder ernst; ik zag duivels goed wat voor onweer zich samenpakte. Het jaar erop was Hitler aan de macht en dat kon je duidelijk zien. Een kolossaal verschil: die dreiging van burgeroorlog was weg. De mensen waren opgeklaard en in grote mate tevreden met de verandering. De ellende bleef verborgen voor de vreemdeling. Marcherende troepen van kleuters met uniformpjes aan en een geweertje op de schouder trokken daar zingend door het prachtige landschap. Het was duidelijk: dit ging naar een ramp! Als je door Frankrijk trok, in die jaren, dan ging je door een land in verval. De wegen waren slecht, de huizen niet goed onderhouden. Parijs was een smoezelige stad, niet te vergelijken met nu. De tegenstelling kon niet groter. In Duitsland was een duidelijk krijgshaftig volk met een onmiskenbare geestdrift om te gaan vechten bezig zich voor de grote sprong schrap te zetten.’ Het beeld heeft hem nooit meer verlaten. Het opgaan, blinken en verzinken van volken, van staten, in de tijd. Dat alles wat ontstaat met zekerheid weer vergaat. Dat de tijd een cirkelgang maakt, géén lijn. Het zal de basis worden van zijn filosofie. Jan Hendrik van den Berg 'staat buiten de oorlog’. Haalt de nodige onderwijsakten en geeft tien jaar les in de wiskunde om zijn studie te kunnen betalen. Hij kijkt quasi-verontschuldigend: 'Ik was tezeer geïnteresseerd in wetenschappelijke aangelegenheden om me met de oorlog te bemoeien. Ik voelde me in de zevende hemel toen ik eindelijk in de collegebanken kon zitten. Studeren was een zo verrukkelijke zaak dat ik daarnaast nauwelijks nog andere belangstellingen kon hebben.’ Hij lacht; anders dan men nu geneigd is te denken ging het leven in de eerste oorlogsjaren voornamelijk gewoon door. Op plantkunde, dierkunde, scheikunde en natuurkunde volgen medicijnen, wiskunde en filosofie. Hij behoort tot de laatste groep die in de oorlog examen doet voordat de universiteiten worden gesloten. Daarna kan de briljante student meteen assistent worden van de vermaarde psychiater Rümke. 'Zonder salaris natuurlijk.’ DE ANATOMIE VAN een kikker redt zijn leven. In 1943 belandt Van den Berg in de dodencel van de bezetter. 'Een schoolvriend vroeg of ik wist hoe je dynamiet maakte. Ik zei: dat weet ik wel. En of ik de formule kon opschrijven? En ik zei: dat kan ik ook wel. Ik heb het zelf vroeger gemaakt. Ik had een klein chemisch laboratoriumpje bij de watertoren in Deventer waar ik nogal wat proeven had genomen die ik achteraf niet graag meer zou herhalen. Ik heb voor hem opgeschreven welke grondstoffen er nodig waren om dynamiet te maken. Hij zei: “We willen een Duitse trein laten springen die elke nacht door Deventer rijdt met boter en kaas. 'Liebesgabe Hollands’ staat er dan op. Kun je ook de stoffen leveren?” Dat kon ik wel, want ik was een goede klant bij de Centrale Apotheek. De trein vloog de lucht in en iedereen werd opgepakt. Voor zover ik weet zijn ze ook allemaal gefusilleerd. De Duitsers ontdekten al gauw dat ik de stoffen had geleverd, omdat ik zo onverstandig ben geweest in mijn eigen handschrift te schrijven. En omdat iemand mijn naam noemde.’ Van den Berg wordt door de Gestapo geconfronteerd met de leden van de verzetsgroep, die hij verder niet kent. De eerste week deelt hij een ruimte met Nederlanders van verschillende origine die zich tegen de Duitsers hebben verzet. Hij voelt zich in die groep zeer wel. Een man draagt de zichtbare sporen van marteling en werpt zich over het hekje van de gaanderij op de verdieping. 'We waren redelijk op de hoogte van het onheil dat zich voltrok’, zegt Van den Berg. Een wonderlijk bewustzijn maakt zich meester van de gevangene. 'Op een heel merkwaardige manier weet je eigenlijk alles. Er wordt geklopt, geseind. Maar er is ook zoiets als het verdwijnen van geluid dat je opmerkzaam maakt. Als de Gestapo aankwam voor de verhoren, dan wisten wij als het ware op het ogenblik dat ze door de voordeur stapten dat ze er weer waren omdat de gevangenis begon te zwijgen.’ NA EEN WEEK wordt de student van de anderen gescheiden. 'Ze hebben me toen in een aparte cel gezet. Dat was het laatste punt, dat wist ik wel. Als je cellulair kwam te zitten, dan betekende dat dat je de kogel kon krijgen. Of naar alle waarschijnlijkheid de kogel kreeg… Maar een mens is een vreemd wezen, hè. Je kunt moeilijk peilen wat je in zo'n finale toestand doet. Ik ben helemaal niet ongelukkig geweest. Ik heb me relatief gelukkig gevoeld in die dodencel.’ Hij weet een brief uit de gevangenis te smokkelen - 'Geschreven op het harde wc-papier dat je toen had.’ De invloedrijke Duitse zoöloog professor Hirsch, hoogleraar aan Van den Bergs Utrechtse universiteit, wordt benaderd of hij zijn oud-student kan helpen. 'Hirsch, als typische Duitser, zei dat dit van mijn prestaties zou afhangen. Hij haalde mijn oude map te voorschijn. Ik bleek een tien te hebben vanwege de anatomische tekening van een kikker die ik, bij wijze van extra, ooit had gemaakt. Als ik een slecht cijfer had gehad, deed ik ook toen al aan politiek, was zijn mening, maar zou ik een goed cijfer hebben, was ik a-politiek, en dan zou dit gebeuren een incident zijn en daardoor eigenlijk niet zo erg.’ De volgende dag komt Van den Berg vrij. Tot zijn grote verbazing. 'Toen werd ik bang. Doodsbenauwd. Ik geloofde het niet, ik dacht: ze pakken me zo weer. Er was geen redenering bij, het was alleen maar sensatie.’ Een anticlimax. De alle romans en speelfilms logenstraffende menselijke geest. Van den Berg, die toch al een keuze moest maken, slaat de weg in van de psychiatrie. In 1946 trekt de jonge psychiater-filosoof naar Parijs en merkt, aangekomen in de rue Bonaparte tot zijn teleurstelling dat Sartre net is begonnen aan zijn reis om de wereld met De Beauvoir. Van den Berg stuit op Sartres moeder, die hem verzekert dat haar relatie met haar zoon uitstekend is. Hij grinnikt: 'Niet erg verstandig om tegen een psychiater te zeggen, hè?’ Voor zover zijn beurs het toelaat drinkt hij zijn koffie in café Les Deux Magots. De studie wil niet vlotten. Hij kan de pointe niet ontdekken in de Franse vakliteratuur en voelt zich beroerd: 'Ik was tenslotte al psychiater-neuroloog, gepromoveerd bovendien, en dan mag je toch eigenlijk niet meer weifelen over het begrip van een eenvoudig Frans leerboek. Op een plek aan de Seine, die ik nog kan aanwijzen, klaagde ik mijn nood tegenover een Franse collega. “Maar mon ami, je doet het fout. Als jij de Franse psychiatrie wilt begrijpen, moet je Franse romans gaan lezen!” zei hij. En toen ontdekte ik wat ik allang had kunnen weten. Want de Fransman is een persoon die allereerst bestaat uit zijn zintuigen. Zien, horen, proeven en ruiken, en dan pas komt zijn denken. Er is een Franse keuken. Er is geen noemenswaardige Duitse keuken. Duitsers zijn eerder zwaarwichtige denkers dan dat het zulke eminente waarnemers zijn. De Duitse psychiatrie is gebaseerd op de waan, stoornis in het denken. De Franse op hallucinatie, op te vatten als een stoornis in de waarneming. Ik ben toen gaan leren de fenomenen in hun culturele samenhang te zien.’ Met Martin Heidegger maakt hij later dat jaar lange wandelingen in het Zwarte Woud. Breed handgebaar: ’(“Herr Doktor Van den Berg, hier habe ich mein Sein und Zeit geschrieben!” Prachtig, prachtig!’) 'DE VINGER GODS in de anatomie van een luis’, schreef zijn zeventiende-eeuwse voorganger Jan Swammerdam. 'Ik wil de voile van de wereld afhalen’, zegt Van den Berg. In 1995 schreef hij Metabletica van God. Staande, aan twee op elkaar gestapelde tafels, toen de dokter hem verbood nog langer in verkrampte schrijfhouding te zitten. De metabletica ofwel de 'leer van de veranderingen’ is zijn hoogstpersoonlijke eigendom. Het komt buiten Van Dale in geen enkel woordenboek voor. 'De gebruikelijke geschiedschrijving gaat van jaar naar jaar, van eeuw naar eeuw. Metabletica begint met het gelijktijdige, schenkt zo lang mogelijk aandacht aan dat gelijktijdige om pas in de tweede plaats te zien naar wat op elkaar volgt’, schrijft Van den Berg in het voorwoord. Een dwarsdoorsnede van het jaar dus, een jacht naar veelbetekenende gebeurtenissen die gelijktijdig plaatshebben. Een leer van de synchrone blik. 'De klaroenstoot van 1905 luidde de twintigste eeuw in’, zegt Van den Berg. 'In het jaar dat Freud zijn Drei Abhandlungen schreef, ontwikkelde Einstein de relativiteitstheorie en componeert Schönberg de eerste atonale muziek. Ziedaar: de twintigste eeuw komt! Freud heeft - een beetje overdreven - ons gedegradeerd tot een dierlijk wezen, een levend seksueel lichaam. Schönberg schaft alle melodie af; nooit eerder in de geschiedenis was er antikunst geweest. En Einstein maakt onze wereld voor de intelligente man of vrouw onbegrijpelijk. Een wereld die grenzeloos is, maar eindig. Dat valt wel te rijmen, maar dan moet je het nodige afweten van het verband tussen zwaartekracht en licht. Voor de gewone mens is het niet te vatten.’ Dan, onverwacht fel: 'Maar het is de wereld waarin wij leven. Het is onze wereld!’ DE ARCHITECTUUR loopt vooruit. De architectuur is altijd het eerste sein van wende. 'Eerst het huis en vervolgens wat er in dat huis gebeurt.’ In Metabletica van God beschrijft Van den Berg het verdwijnen van de keizertempels van de Romeinse fora. Die wijken letterlijk naar de achtergrond en maken op die manier plaats voor het komende christendom. 'Nu nadert het jaar 2000 en opnieuw staan we op een drempel van nieuwe tijd. Een drempel die we zelf hebben gemaakt, maar niettemin een drempel. Typerend voor westerse samenlevingen is dat niets stabiel blijft en alles verandert. Alles wordt verleden bij ons. Het postmodernisme is in verval en ik denk dat het aan het eind van onze eeuw wel voorbij zal zijn. We zaten helemaal tussen de horizontale lijnen, deze eeuw. De begrenzingen tussen verdiepingen zijn horizontaal. Dat had en heeft zijn functie. In het begin van onze eeuw heeft Frank Lloyd Wright de sweeping horizontals verdedigd en tegelijkertijd bekritiseerd. Hij achtte ze uitstekend voor zover het ging om kleine, luxueuze huizen. Bij flatgebouwen zijn ze verachtelijk. De horizontale lijn is aanbeden door Le Corbusier. De veranderingen die nu plaatsvinden bestaan voor een belangrijk deel, misschien wel uitsluitend, in het verwerpen van de horizontale lijn. Met alle politieke consequenties; het einde van de egalisering. Want een horizontale lijn egaliseert. Letterlijk. We zouden er niet opkomen onze huizen te voorzien van horizontale lijnen wanneer niet onze politieke hartstocht bestond uit het egaliseren van mensen. Loop door het centrum van Amsterdam, de oude tijd, daar vind je geen horizontale lijn! De verschillen zijn heel duidelijk: hier woont een rijk man, daar een arme. De horizontale lijn is een leugen omdat hij verschillen, die er zijn en blijven, egaliseert.’ Hij wijst op het gebouw van de Gasunie van architect Ton Alberts. Op het NMB-gebouw in Amsterdam-Zuidoost. Gekromde gevel, gestulpte zijkanten, geen rechte lijn te zien. Organisch. En wulps als een vrouwengestalte. Toonaangevend voor de komende eeuw, denkt Van den Berg. Eerst het huis, dan pas de muziek en de poëzie. 'Ik vind dat frappant. Om haast bij flauw te vallen zo bijzonder.’ 'WE LEVEN IN een disteltijdperk.’ Een goed observator heeft eens waargenomen dat de botanische versierselen van de gotische kathedralen een opmerkelijke verandering te zien geven. In de dertiende eeuw zijn de versieringen bloemknoppen en ontluikende bladeren. In de daaropvolgende eeuw - de spreekwoordelijke Bloeitijd der Gotiek; je ziet de glimlach der veertiende-eeuwse madonna’s! - domineren rozentakken en wijnranken. In de vijftiende eeuw verschijnt de distel, heraut van herfsttij. 'De vlaggen nog wapperende, maar de geest is geweken’, in de woorden van Huizinga. 'Langgekoesterde ideeën sterven nu langzaam af. Ideeën overigens die tot geweldige ontwikkelingen hebben geleid’, zegt Van den Berg. De Franse Revolutie, met die égalité, toen broodnodig, nu zo bespottelijk doorgeslagen. De techniek is failliet; bijna niemand gelooft er nog onvoorwaardelijk in. En alles wat puur en zuiver was, wordt door de reclame verbonden aan een wc-reiniger.’ Hij ergert zich aan het onderwijs dat studenten aflevert die niet in staat zijn een Franse krant te lezen. Gaanderijendemocratie. Maar het lichaam neemt wraak, zegt hij, aids is een voorbeeld. 'Als we dat gelijkheidsideaal niet tot in het uiterste wilden realiseren, hadden we nooit aids gehad. Aids komt immers uit Afrika.’ En euthanasie is de logische keerzijde van een ongebreidelde medische wetenschap. Het zijn standpunten die hem niet populair hebben gemaakt. Zomin als zijn reizen naar Zuid-Afrika in de 'verboden periode’. Hij herinnert zich zijn laatste academische betoog in Leiden, 1980: 'De gemoederen waren genoeg verhit op dit punt om de bezoekers van mijn afscheidscollege te ontraden naar de man te luisteren.’ Een lintje heeft de hoogleraar nooit gekregen. 'Daar ben ik, zegt u maar gerust, de enige in. Des te blamerender voor hen die dit bepaalden!’ Hij mikt op een postuum eerherstel. Geregeld verblijf in Japan leerde hem 'dat Japanners drie minderwaardigheidscomplexen hebben. Ze hebben, naar eigen zeggen, een te groot hoofd, ze hebben kromme benen en ze kunnen in de techniek niet initiëren. Dat is voor ons nogal vleiend; wij hebben niet een te groot hoofd, geen kromme benen en we kunnen geweldig het voortouw nemen. Westerse mensen zijn uitvinders bij uitstek. Zoiets mag je wel zeggen over Japan maar niet over Zuid-Afrika.’ Is dat dan cultureel bepaald? 'Laten we er maar niet verder over praten. Een andere keer misschien.’ Hij zoekt de vertelling, niet de verklaring. Het Verhaal meer dan het Geheim. Sinds Descartes is het misgegaan met de westerse wereld, is elk geloof in een einddoel, een causa finalis, volledig verdwenen. Het leven gedesacraliseerd. Hij denkt lang na, bijna een minuut. Zoekt naar de crux van het moderne bestaan. 'Als een moderne bioloog het orgaan van een dier beschrijft, dan laat hij consequent na de functie van dat orgaan te vermelden. Want die functie geeft aan wat een dier ermee gaat doen. Die sprong naar het doel, naar de toekomst, wordt principieel afgewezen door de biologen en eigenlijk door ons allemaal. Die toekomst is weggenomen, weggeschakeld. We leven in een tijd die slechts een heden heeft, een nu, en een verleden. Geen toekomst. Misschien dat in de volgende eeuw eindelijk wordt ontdekt dat de werkelijkheid niet zo in elkaar zit.’