Dit ben ik

Luister naar dit artikel

Lang geleden, ik heb het eerder over twee decennia dan over twee jaren, nam een vriend voor mij een kaart mee uit New York. Hij had ’m gekocht in de Pierpont Morgan Library, en had blijkbaar aan mij moeten denken toen hij dit portret zag. Het was een tijd dat we nog vaak aan elkaar dachten, of nou ja, dat zeg ik verkeerd. We denken nog steeds wel vaak aan elkaar, zij het dat we dit vaker hardop uitspreken. Alsof het anders niet zo zou zijn.

Op een dag is ‘ik hou van jou’ meer een intentie dan een gevoel. Ik vergis me misschien deerlijk, maar hoe vaker je denkt iets te moeten zeggen, hoe minder het aan de hand is.

Die kaart uit New York. Hij had hem voor me in een envelop gedaan, met alleen M. erop, want zo noemt hij me ook: M. Het maakte de gift speciaal. Ik vind het ook een mooi cadeau op zich, veelzeggend in z’n simpelheid: een kaart. Zeker uit de Pierpont Morgan Library. Ik heb er ook weleens eentje voor iemand gekocht. Het is een manier om iemand duidelijk te maken dat je hem ziet voor wat hij is: geen gewoon mensenkind, maar een vorst. Met baard en hond, en gehuld in lange oliejas.

Een paar weken geleden kwam een vriendin bij mij over de vloer die ik nog niet zo heel lang ken. We dronken koffie, praatten wat, en opeens zei ze dat ze nog iets voor me had. Uit haar tas kwam een kaart tevoorschijn. Ik sluit niet uit dat ik de dingen te persoonlijk neem, maar nu weet ik dat zij mij ziet als een lichtend visioen, een strijdbare gestalte waarvan de contouren zich scherp aftekenen tegen een hel uitslaand vuur.

Hoe vaker je denkt iets te moeten zeggen, hoe minder het aan de hand is

De ideale verhouding tussen een vrouw en een beer waarover ik net een roman las, wordt medebepaald door het vermogen van de vrouw alles van de berensnuit te kunnen aflezen zonder ook maar enige uitdrukking van hem te kunnen doorgronden.

Vorig jaar zomer kon ik tussen de lockdowns door nog net de expositie zien die in Eye werd gewijd aan het werk van Chantal Akerman. Ik was er samen met een vriendin die een brood voor me had meegenomen. Zo lang kennen we elkaar. Ik kocht in de winkel van Eye twee dezelfde kaarten, een voor haar en een voor mezelf, met een portret van Akerman, het gezicht van een vrouw zoals je dat voor het laatst zag in de jaren zeventig. Dit is onze stam, dacht ik.

Goed, de kaart voor M. uit New York, die me deed rillen toen ik hem uit de envelop haalde. Het had ook het skelet van een apenbaby kunnen zijn, of een gestorven boom. Ik zag verval minutieus getekend, de rode jurk die het aanhad onderstreepte dat nog eens, bespotte de neergang.

Een beeld dat me niet loslaat, van zo’n drie jaar geleden, is van een vrouw van mijn leeftijd die net haar auto heeft geparkeerd op het Janskerkhof, hartje Utrecht. Ze kijkt om zich heen, aarzelend op haar hakken. Ik fiets voorbij en weet dat ik haar ergens van ken, een lezing in Breda? Ze was iets bestuurlijks, politieks, maar zoals ze daar nu staat te staan in een krappe rode jurk is ze vooral een monument van behoeftigheid.

Ik weet het, mijn stam heeft het geïnternaliseerd. Schaamte, haat, angst. Het zal de reden zijn dat ik niet anders dan met afkeer kon kijken naar de kaart die ik kreeg, het portret van Germaine Greer gemaakt door Paula Rego in 1995. Wat ik zag was grijs, craquelé, ontremd. Een oude vrouw in rode jurk en platte veterschoenen, wijdbeens zittend op een lage bank.

Zojuist toen ik op zoek was naar een rolmaat kwam de envelop weer boven water, decennia eerder diep in een la weggestopt. Ik heb de kaart boven m’n bureau gehangen en kan nog steeds niet uit over de levenslust die me tegemoet schittert. Ik weet nog wat ik toen zag, maar ik zie het nu niet meer. Dit is wat mensen bedoelen, denk ik, als ze het over blikverruiming hebben, maar ik vind het een wonder, het wonder der natuur.