Dit eiland

Op het eiland waar ik ben woont een Argentijn die al zes jaar niet eet en drinkt. Je kunt bij hem langs gaan voor advies. Hij is spaarzaam met zijn woorden. Alleen als hij een boodschap door krijgt opent hij zijn mond.

Zijn adviezen hebben meestal te maken met niet-eten. Je mag vijf dagen niet eten, of zes, of als het echt slecht, of misschien juist goed, met je gesteld is misschien wel tien.

‘Hij leeft van de lucht’, zegt mijn ene reisgenoot.

‘Hij leeft van de lucht, ja’, zegt mijn andere reisgenoot. ‘Gebakken lucht zeker.’

Het is voor de westerling verleidelijk te denken dat het leven op dit eiland eenvoudiger is dan bij ons. Je ziet het aan de baby’s. Die liggen urenlang op hun moeders arm, hun lichaampjes helemaal gevoegd naar die arm, zacht en stil en vredig. Je ziet het aan het uitbundige groen van de planten, hun reusachtige vingerige bladeren, de rijpe vruchten die ze afwerpen. Je ziet het aan de manier waarop de mensen hun goden aanbidden: zonder angst voor het tweede gebod, snoepjes offerend aan hun afgodsbeelden.

Als wij westerlingen met bewondering naar een cultuur kijken die we basaler achten dan de onze bewonderen we volgens de essayist William H. Gass een onschuld die we ten onrechte aanzien voor die van onszelf. (Laatst vond er een klein brommerincident plaats op de weg naar het dorp. Een man van het eiland reed tegen het verkeer in en botste op twee toeristen. Het is jullie schuld, zei de man. Als jullie niet hadden besloten hier naartoe te komen, was dit ongeluk niet gebeurd.)

Tussen het verlangen naar eenvoud en eenvoud zelf zit een groot en misschien onoverbrugbaar verschil

Westerse mensen met complexe problemen komen naar dit eiland om zichzelf of anderen te bevrijden van die problemen. Ze doen aan yoga en meditatie en praatkringen die ze ‘safespace’ noemen. Ze bezoeken healers en acupuncturisten, ze omarmen goeroes of worden goeroes. Op het geluid van trommels ademen ze diep in en uit, urenlang, totdat de extra zuurstoftoevoer ze aan het huilen of lachen maakt. Ze drinken kombuchasap en alkalinewater, op hun armen en rug staan spreuken in het Sanskriet. Langzaam pellen ze alle angst en ongeluk van hun huid, als de stekelige schil van een ramboetan, om er schoon en wit onder vandaan te komen. Surrender. Let go of anything that isn’t true. Anything that isn’t you.

Je zou het een anti-ironische micromaatschappij kunnen noemen, oosters noch westers, religieus noch seculier. Meer dan wat dan ook verlangen de mensen in deze maatschappij naar een drie-eenheid van stilte, eenvoud en zelfinzicht. Het eiland is er om deze drie dingen toegankelijk te maken. Een spirituele plek vol tempels en heiligdommen en geesten van voorouders. Dat het andermans voorouders zijn, is van ondergeschikt belang. Dat Amerikanen helemaal vanuit hun thuisland naar het eiland komen afgereisd om zich te laten helen door Amerikaanse helers en leermeesters is geen gekkigheid, maar een doel op zich.

Tussen het verlangen naar eenvoud en eenvoud zelf zit een groot en misschien onoverbrugbaar verschil. Ik zie het als ik kijk naar de perfect gematchte yogakleding van de vrouw voor me in de les. De bandjes van haar top, die in een veelvoudig gevlochten patroon over haar rug lopen. Ik zie het aan de waslijst van gezondheidsvoordelen die ik lees op een menukaart die geelwortelsap aanprijst. Ik zie het aan de rij voor de bakker die glutenvrij brood verkoopt voor de prijs van drie maaltijden.

Ware eenvoud heeft relatief weinig eigenschappen, en dat is ook meteen de moeilijkheid ervan voor de westerling. Eenvoud veronderstelt puurheid, en puurheid is zo ondeelbaar en solide als de atomen van Democritus. Het is weinig, niet veel. Het houdt van helderheid en contrast, van compleetheid en uitsluitsel en evenwicht. Het is, kortom, iets heel anders dan de chaos en beweging en grilligheid van het leven. Misschien is de dood wel het ultieme voorbeeld van eenvoud.

‘Simplicity is not a given. It is an achievement, a human invention, a discovery, a beloved belief’, schrijft Gass. Eenvoud is een ideaal, en daarmee een morele positie. En zoiets kan nooit vrijblijvend zijn. In het geval van eenvoud sluipt er zelfs iets defensiefs in, want het is in de eerste plaats een schild. Tegen de ruis en de afleiding, tegen de angsten en verlangens die het menszijn zo ingewikkeld maken.

Op dit eiland woont een Amerikaan die schatrijk is geworden als kunstmakelaar voor Andy Warhol. Hij woont met zijn vrouw en zoon in een villa. ’s Ochtends leest hij de krant. Hij brengt zijn zoontje naar school. Hij drinkt koffie. Hij zit op zijn veranda. Bij het eten drinken ze flessen wijn voor de prijs van vijftien tot twintig maaltijden. Ze zijn naar het eiland gekomen voor kalmte, zegt hij. Hij ziet er miserabel uit. Misschien, zegt mijn ene reisgenoot, zou hij er goed aan doen eens een healer op te zoeken.