Brazilië, corona en de wet van de berg

‘Dit gaat altijd gelijk om leven en dood’

Meer dan een miljoen coronadoden, is de voorspelling voor Brazilië. Wie houdt straks de opstanden en plunderingen tegen? Doodseskaders en drugsbazen regeren, dus de politie kun je niet bellen. Ook niet als je wordt overvallen, weet journalist Marjon van Royen maar al te goed.

Artikelen in De Groene Amsterdammer over de coronacrisis zijn voor alle lezers gratis te lezen. Interesse om meer te lezen?

Rio de Janeiro, favela Morro dos Prazeres © Elzauer / Getty Images

Het was een schreeuw van doodsangst. Mijn jonge Belgisch-Marokkaanse vriendin Aisha ging even naar de keuken om iets te halen. Ik zat te werken in mijn kantoor. ‘Marjoooooon!’ Vertraagd sta ik op. Ik heb geen gevoel. Wat ik zie dringt met de sprongetjes van een blokjesfilm tot me door. Aisha in de woonkamer. Om haar keel de blote arm van een man. Een man met een masker. Tegen haar slaap een pistool. Nog meer pistolen. Mannen springen uit het donker tevoorschijn. Nutteloze gedachten. Hoe hebben ze zo snel de lichten uitgedaan?

‘Silencio!’ Gemaskerde mannen duwen me terug het kantoor in. ‘Jij bent Marjon’, fluistert de dikste. ‘Wij kennen jou, Marjon!’ Rustig blijven nu. Ik registreer. Versleten trainingsbroek en vadsig bloot bovenlijf: hij heeft dat masker natuurlijk van zijn T-shirt gemaakt. Driftig beweegt hij zijn pistool tussen mij en de boekenkast: ‘Daar bewaar jij je geld, hè. Dollars. Geef me alles.’ Ik leg uit dat ik euro’s heb. ‘Dollar gringa, dollares!’ ‘Nee, ik heb euro’s. Ui-roos! Alles zit in mijn portemonnee daar in mijn tas.’

Hoe kennen ze mijn naam? Hoe weten ze dat ik mijn geld soms tussen mijn boeken bewaar? Geen tijd om te denken nu. ‘Rustig, tranquilo’, zeg ik en ik probeer de woonkamer in te lopen. Maar ze duwen me terug. Ze sluiten luiken, doven lichten. Uit een rugzak komen zwarte plastic tiewraps tevoorschijn. Nu gaan ze me vastbinden. En mijn mond dichtplakken. Dat vind ik het ergste. De mannen drukken me op mijn bureaustoel. Terwijl de een met de plastic boeien bij mijn handen en voeten bezig is, begint de ander te praten. Zijn hoofd vlak bij het mijne. ‘Weet je wat militie is Marjon?’ Ik knik. Natuurlijk eikel. Dat zijn doodseskaders van (ex-)politiemensen. Maar je gaat me toch niet vertellen met je afgetrapte slippers en zelfgeknutselde masker, dat jij van de militie bent. ‘Wij zijn van de militie’, zegt de overvaller. Ik knik eerbiedig.

Pas nu merk ik dat een lang mager joch nog steeds bezig is me vast te binden. Hij heeft geen idee hoe tiewraps werken. Ik zie zijn onhandige vingers trillen. Opeens komt de paniek. Dit zijn klunzen. Amateurovervallers! Op elke veiligheidscursus leer je: pubers en amateurs met vuurwapens zijn het gevaarlijkst. De jongen vloekt, trapt tegen mijn schenen. Ik wijs hem een la aan waarin ik nog wat tape voor verhuisdozen heb. Terwijl hij me met mijn eigen tape vastsnoert, hoor ik de andere mannen tegen Aisha in de woonkamer blaffen. Ik moet naar haar toe. Ze mag niet alleen met hen blijven. Zodra de puber weg is scheur ik mezelf los. Het is niet eens moeilijk. Langzaam loop ik de woonkamer binnen. Aisha zit op de bank. Ik ga naast haar zitten: ‘Schiet dan maar als je wil.’ Gelukkig zijn de overvallers vooral verdiept in het losrukken van de snoerenspaghetti aan mijn overjarige videorecorder.

Paniek is als water waar de kraan is afgesprongen. Zolang het blijft spuiten krijg je de kraan er niet meer op. Ga weg, ga weg. In mijn hoofd passen geen andere gedachten meer. Jullie hebben ons geld, onze computers, telefoontjes. Donder op! Tergend langzaam worden Aisha en ik aan elkaar vastgebonden. Onze monden afgeplakt. Met geknevelde handen moeten we de deblokkeringscodes van onze apparaten opschrijven. ‘Ik schiet je door je hoofd, teef’, vloekt de zenuwachtige. ‘Denk je dat je met mijn ballen kan spelen?’ Ik heb niet mijn telefooncode verkeerd opgeschreven; mijn overvaller heeft de code verkeerd ingetypt.

De mannen trekken elke lade, elke kast open. Ga weg, ga nou weg! Ze zwaaien met mijn kaasschaaf. ‘Wat is dit? Waar dient dat voor?’ Het is surreëel, deze halfnaakte gewapende mannen die zich gedragen als gewichtige klanten in een exotisch warenhuis, waarvan de verkopers niet eens kunnen praten. Is dat emaillen bakje zilver? Is dit medicijn soms speed? ‘Waar is de wiet?’ vraagt de leider die binnenkomt met een biertje uit mijn ijskast. Dreigend gaat hij voor me staan, mijn ogen ter hoogte van zijn blubberbuik. Hij richt zijn pistool en doet alsof hij gaat schieten. Klik. En nog een keer. Klik. Klik. Mijn mond is droog. Ik krijg geen lucht meer. Wanneer houdt deze slechte film eindelijk op?

Meer dan een uur later bellen Aisha en ik aan bij de buren. Trillerig, naar adem happend. Of we de telefoon even mogen gebruiken. Nee, niet om de politie te bellen. ‘Geen politie’, zegt Aisha gedecideerd. Ze kent mijn verhaal. Hoe na mijn vorige roofoverval tientallen agenten met oorlogsgeweren door mijn huis zwermden. Ik kwam ze tegen op de trap, in de badkamer. Ook in mijn slaapkamer, waar ze hun zakken vol stonden te proppen met sieraden die de overvallers hadden laten liggen. De commandant haalde zijn schouders erover op. Wel wilde hij vanaf mijn balkon een rondje machinegeweervuur op de sloppenwijk tegenover afvuren. Hij ‘wist zeker’ dat de bandieten daar vandaan kwamen. Maar nee, als ik een echt politieonderzoek wil kostte me dat 1000 real (toen 300 euro). ‘Wij hebben ook zo onze kosten, mevrouw.’

Deze keer is het gecompliceerder. Angstiger. De tijd van de overval rekt zich uit tot een eindeloos lange draad. Onze te snelle adem. Sluipende stappen. Weer dat pistool. ‘Rugzakken. We hebben rugzakken nodig.’ Traag stoppen ze alles in mijn blauwe Nederlandse Albert Heijn-tassen. De spinazie uit de vriezer, de boter. ‘Wat is dit?’ Hondenvoer! Ga weg, ga toch weg. Verbazingwekkend hoe er dan nog een compartiment in de hersens over is dat denkt: ze hebben geen moddervoeten, dus ze zijn niet via het oerwoud gekomen. Ze hebben geen schrammen, dus ze zijn niet over de muur geklommen. De hond sloeg niet aan. Dus is er maar een mogelijkheid: ze zijn door de voordeur gekomen. Met een sleutel! Maar de sleutel van wie?

‘Ik wíst dat je Maria niet kon vertrouwen!’ In haar shock wijst Aisha onmiddellijk een schuldige aan. ‘Die vrouw is favela! Puur sloppenwijk’, zegt ze tegen de buurman. Sinds zeven jaar komt Maria een keer per week mijn huis schoonmaken. Al even lang zijn zij en ik vriendinnen. In elk geval meer dan de madame en haar werkster. We komen op elkaars feestjes, delen dezelfde humor en helpen elkaar als het nodig is. Maria woont in de grote favela hiernaast, de Morro dos Prazeres, letterlijk Berg der Geneugten. Ze woont daar al sinds haar dertiende, nadat de man aan wie ze was uitgehuwelijkt in de dorpsstraat werd doodgeschoten door huurmoordenaars. Zwanger en met een baby op de arm trok Maria vanuit het arme noordoosten bij een tante in. Ze werd door de tante misbruikt als huishoudster. Na de geboorte van haar kind verhuurde de vrouw haar ook onder als werkster. Toen Maria op een dag thuiskwam, bleek dat haar tante de pasgeboren baby had verkocht. Pas zeventien jaar later vond ze haar baby’tje terug als jongeman met al een eigen kind in een andere stad. Intussen bouwde Maria in de favela haar eigen huisje op. Steen voor steen. Werkhuis na werkhuis. Ze viel op een man, haalde hem binnen en kreeg nog eens twee kinderen. Maar hij dronk en hij sloeg. Uiteindelijk had ze de moed de kerel naar de gevangenis te sturen.

Brasilia, 15 maart. President Jair Bolsonaro groet aanhangers voor het regeringspaleis tijdens een demonstratie tegen het Congres en het hooggerechtshof © Sergio Lima / AFP / ANP

Nu vrees ik voor haar leven. Ik zit in het krankzinnige dilemma te moeten kiezen tussen haar leven en dat van mij. In Brazilië gelden er in de praktijk twee rechtssystemen. Beide ondemocratisch. Allebei dodelijk. De toegang tot die rechtssystemen wordt ook uitsluitend bepaald door de contacten en ‘vriendschappen’ die je hebt. Toen de motor van president Bolsonaro jaren geleden werd gestolen, schakelde hij zijn vrienden van de militie in. Het doodseskader vermoordde de overvallers en bracht Bolsonaro zijn motor terug.

Ook mijn vriend Alberto werd van zijn motor beroofd. Net als ik woont hij bij de Berg der Geneugten. We drinken er biertjes in de steeg bij onze vriend Muis, of in de Bar van Jezus. We komen er op feestjes en vieren er verjaardagen. Net als iedereen die in de favela woont, weten we wie de dono, de ‘eigenaar’ van de sloppenwijk is. De hoogste drugsbaas is niet alleen degene die verkoop van wiet en cocaïne op de drugsverkooppunten regelt, hij is ook de politiechef, rechter en burgemeester van de wijk. Want officieel bestaan de sloppenwijken in Rio niet. De enige overheidsinstantie die er ooit komt is de politie. Met zwaar geschut en gemiddeld vijf doden per dag achterlatend. Zonder overheid geldt in de sloppenwijken de ‘wet van de berg’: het rechtssysteem dat de drugsbazen decreteren.

Toen Alberto drie maanden geleden bij een stoplicht pistolen op zijn hoofd kreeg van jongens die hem dwongen zijn motor af te geven, ging ook hij niet naar de politie. Hij belde vrienden in de favela die het weer doorgaven aan de drugsbaas. De volgende dag kreeg Alberto zijn motor terug. Bedremmeld vroegen zijn overvallers hem om excuus. Toen een van de overvallers weigerde, kreeg hij een oplawaai van de baas en zei hij alsnog ‘sorry’. Zo simpel kan het dus zijn. Maar in een land waar de democratische rechtsstaat onder de autoritaire legerkapitein Bolsonaro is ingestort, een land waar politieagenten nu straffeloos mogen executeren, waar de president zelf in verband staat met paramilitaire doodseskaders, waar het enige ‘tegensysteem’ de wet van de berg is – in zo’n land gaat het direct om leven of dood.

Hij richt zijn pistool en doet alsof hij gaat schieten. Klik. Ik krijg geen lucht meer. Wanneer houdt deze slechte film eindelijk op?

Om mezelf te beschermen moet ik uitzoeken wie mijn overvallers zijn. Hoe ze aan mijn sleutel zijn gekomen. Een week voor de overval hadden de drugsbazen op elk muurtje, elke paal in de favela een decreet geplakt: ‘Waarschuwing. Vanaf vandaag is het plegen van overvallen of heling van gestolen goederen in de wijk ten strengste verboden. De gevolgen zijn voor jezelf!’ Iedere sloppenwijkbewoner weet wat die ‘gevolgen’ zijn: een afranseling met stokken, een schot door handen of voeten en zeer waarschijnlijk de dood.

Geen enkele professionele overvaller haalt het in zijn hoofd de wet van de berg te overtreden. Dus moet het een stelletje onverantwoordelijke idioten geweest zijn. Opnieuw is dat een vingerwijzing in de richting van Maria. Als één man in de favela een stompzinnige semicriminele prutser is, dan is het wel haar huidige minnaar. Keer op keer brengt hij Maria in de problemen. De ene keer moet hij de wijk uit vluchten omdat hij gejat heeft van de drugsbazen, de andere keer verkwanselt hij zowel het bed als het fornuis dat ik Maria cadeau heb gedaan. Ten slotte schopt hij haar ook nog zwanger met een vijfde kind en verdwijnt. Niet hij, maar ik was bij haar tijdens de geboorte. Niet bij hem, maar bij mij lag de baby in de wieg. Wat moet ik doen? Ik kan niet het risico lopen dat de drugsbazen hem vermoorden. Ik wil dat drugsbazen niemand vermoorden. Maar je kunt niet tegen de wet van de berg in gaan. Anders ben je er zelf geweest. ‘Wacht tot je spullen in de wijk komen bovendrijven’, zeggen mijn vrienden in de favela. ‘Op een gegeven moment gaan ze dingen te koop aanbieden. Dan weten we wie het geweest zijn.’

De dagen erop blijft de draad van de overval zich maar uitrekken. Ik kan niet vluchten, ik kan niet vechten. Alleen wachten. De adrenaline blijft door mijn lijf schieten. Op vrijdag komt Maria. Ik kan niets vreemds aan haar ontdekken. ‘Wacht af. Verander je slot niet. Aan het eind komt er duidelijkheid’, zeggen mijn vrienden. Maar wat als ze terugkomen?

‘Het lijkt verdorie corona wel’, zegt mijn vriendin Marlies vanuit Nederland. Tijdens de vorige roofoverval woonde zij bij mij. De overvallers besprenkelden haar toen met alcohol en dreigden haar in brand te steken. ‘Je voelt dat je in een slechte film bent beland. Maar je weet niet hoe hij afloopt en of je er weer uitkomt. Net als nu met die epidemie.’

Inmiddels is het virus ook in Brazilië geland. Begin maart ging Bolsonaro met zijn vrouw en een schare aan volgelingen op bezoek bij zijn afgod Trump in Mar-a-Lago. Zo vloog Covid-19 vorstelijk aan boord van het presidentiële vliegtuig Brazilië binnen. Bolsonaro’s communicatiechef Fábio Wajngarten was het eerste slachtoffer. Een bittere teleurstelling voor iemand die tot dan toe beweerde dat corona een ‘complot van de linkse pers’ is (en gelooft dat de aarde plat is). Na Wajngarten volgden nog 22 anderen onder wie ministers, generaals, rechtse partijbonzen en voorzitters van werkgeversorganisaties uit de Bolsonaro-karavaan. Allemaal positief. Alleen Bolsonaro niet. Zégt hij. Want de president weigert zijn testuitslag en die van zijn vrouw te tonen. Opmerkelijk. Het militaire hospitaal dat de tests van de Trump-reizigers afnam, publiceerde alle positieve uitslagen met naam en toenaam. Behalve twee. Anoniem ‘uit overwegingen van staatveiligheid’.

Wekenlang heeft Bolsonaro met behulp van zijn virtuele militie en online knokploegen toegewerkt naar zondag 15 maart: de nationale protestdag tegen het parlement. Het begon met de machtigste militair uit de regering-Bolsonaro. ‘Die lui chanteren ons. Fuck het Congres’, sprak de 72-jarige viersterrengeneraal Augusto Heleno, de veiligheidschef van Bolsonaro. Hij sloeg met zijn vuist op de ministerstafel en zei dat het tijd was dat Bolsonaro ‘het volk de straat op roept’ tégen het Congres en tégen het hooggerechtshof. Nu doen deze beide pijlers van de democratie niet zoveel meer mis dan pogen de stroom ongrondwettelijke decreten waarmee Bolsonaro de macht steeds verder naar zich toetrekt tegen te houden. Maar alleen al dat was genoeg om de achterban van nog steeds rond de dertig procent het oorlogspad op te sturen.

‘Dit is geen potje Nutella-voetbal met fair play’, waarschuwde Bolsonaro’s zogeheten ‘haatkabinet’ dat de sociale media aanstuurt. ‘Dit is oorlog en wij schieten om te doden, zelfs als de vijand al op de grond ligt.’ Het haatkabinet, geleid door zijn zoons, zit pal naast het politieke kernkabinet van de president. Het zijn de enige burgers in het belangrijkste regeringspaleis. ‘Nu is mijn paleis volledig gemilitariseerd’, zei de voormalige legerkapitein tevreden toen hij de laatste burgerminister uit zijn basisteam verwijderde.

De verwachtingen van de aanhang voor de officiële #FuckZe-marsen zijn hooggespannen. Er zijn posters van de Kamervoorzitters als speenvarkens aan het spit. De gezichten van de rechters bespat met bloed. ‘Weg met het parlement en het hooggerechtshof! Generaals, weet wat u te doen staat. Dit zijn de orders van het volk!’ Er is ook een filmpje waarin Bolsonaro poseert als een tropische Kim Jong-un. ‘Hij heeft de machtigen weerstaan, voor ons’, luidt de tekst. ‘Hij heeft bloedig links bestreden, voor ons. VOOR ONS HEEFT HIJ BIJNA ZIJN LEVEN GEGEVEN!’ Marsmuziek, vlaggen. Een vertraagd vallende Bolsonaro toen een psychotische man in 2018 een keukenmes in zijn buik stak. De president heeft het filmpje zelf verspreid. Maar de kers op dit coupscenario komt van zoon Eduardo: ‘Het volk zal niet huilen als het parlement door een H-bom wordt opgeblazen. En het volk regeert.’

‘Waarom zo’n haast’, lacht de taxichauffeur als ik zijn auto in struikel. Ik heb mijn zojuist aangeschafte laptop verstopt in een vuilniszak. Ik wilde gewoon met de bus naar huis, maar de adrenaline heeft mijn verstand weggepompt. Opeens zie ik overal dieven. Opgelucht maak ik mijn gordel vast en vertel de chauffeur van de overval. ‘Daarom heb ik op Bolsonaro gestemd’, roept hij. ‘Dat ze al die bandieten neerknallen. Liefst eerst martelen. Als jij zo’n mensenrechtennazi was, ben je nu wel genezen, toch?’ Hij begint het verhaal over de corrupte ‘communistische politici’. Hoe ze ‘het volk’ verneuken en alleen aan hun eigen zakken denken. Mijn ogen dwalen langs de taximeter. Opeens zie ik dat hij hem op nachttarief heeft gezet. ‘Het is midden op de dag, man.’ Hij begint te schelden. Dat hij het ‘recht’ heeft, omdat ik op een berg woon. Omdat hij langs favela’s moet rijden. Bij het eerste rode stoplicht stap ik uit. Hij probeert de vuilniszak met mijn computer van me af te pakken. Ik trek uit alle macht terug. ‘Jij bent er gewoon ook zo een’, schreeuw ik wanneer ik het pleit uiteindelijk win.

Het virus begint zich te verspreiden. De onheilsberichten uit Italië stromen binnen. Het goede nieuws is dat die pro-Bolsonaro-demonstratie van zondag nu niet doorgaat. Of wel? Opeens zijn er beelden uit verschillende steden. Groepen scanderende mensen gehuld in het geel en groen van de Braziliaanse vlag. ‘Fuck het parlement, fuck het hooggerechtshof!’ En: ‘Wij geven jullie het virus, vuile communisten, landverraders!’ Zijn Bolsonaro-aanhangers immuun dan? Hun idool lijkt er zelf van overtuigd: ‘Nadat ik een moordaanslag overleefde zal zo’n gripezinha me niet vellen, oké.’ ‘Griepje’, noemt de president van het grootste land van Latijns-Amerika de pandemie die de helft van de mensheid in quarantaine heeft gezet.

Na zijn Trump-reis zou ook hij in quarantaine moeten zitten. Maar zie: daar stapt de voormalige legerkapitein omgeven door lijfwachten het regeringspaleis uit en loopt recht op de #FuckZe-demonstratie in Brasilia af. Verbijsterd volg ik het op mijn nieuwe laptop. Bolsonaro schudt handen. Bossen met gretige handen. Hij krijgt mobieltjes aangereikt waarmee hij zichzelf met zijn fans op de achtergrond filmt. Wang aan wang poseren ze voor selfies. Bolsonaro lacht en geniet. Twee uur lang. Dit is krankzinnig! De stream is live op Facebook en blijkt gefilmd door een wel heel bijzondere cameraman: marine-admiraal Antônio Barra Torres, de militair die Bolsonaro aan het hoofd van het Braziliaanse rivm heeft gezet. ‘Drastische maatregelen zijn absoluut niet nodig’, zegt de admiraal, alle richtlijnen van de who aan zijn laars lappend. ‘We moeten niet in de neurose schieten. In Brazilië gaan we zeker niet sociaal isoleren.’

De volgende dagen testen de Senaatsvoorzitter en nog twee militaire ministers positief. Ook de eerste dode in Rio valt. De 62-jarige werkster van een rijke mevrouw die carnaval in Italië had gevierd. Bij terugkomst bleek madame besmet. Maar dat vertelde ze niet aan de vrouw die al decennialang haar huis schoonmaakt en vier dagen per week haar gezin in de steek laat om bij haar bazin te slapen.

Die dag komt er ook nieuws uit de favela: op het drugsverkooppunt serveren ze blokjes Hollandse kaas bij de wiet. ‘We zijn er nu vlakbij’, zegt mijn favelavriend. ‘Er circuleert een naam.’ Hij vertelt dat het om een ‘slippercrimineel’ gaat die al in december door de bazen uit het drugsverkooppunt is gegooid. Hij heeft ook al twee keer stokslagen gehad omdat hij zijn vrouw blijft mishandelen. ‘Het spijt me’, zegt mijn vriend aarzelend. ‘Maar die vent is de beste vriend van man van Maria. Hij komt zelfs bij hen thuis.’

Bolsonaro blaft de natie zijn dodelijke boodschap toe: ‘Ga aan het werk, mensen! Je kunt je niet verstoppen, het virus komt toch’

Het is alsof een slang mijn nek wurgt. Ik weet nu dat ik Maria moet ontslaan. Als haar sleutel in zulke handen terechtkomt kan ze niet meer bij mij werken. En natuurlijk is haar vriend bij de overval betrokken! Hebben ze haar onder druk gezet of heeft hij mijn sleutel stiekem nagemaakt? Hij heeft de daders verteld waar ik woon, hoe ik heet. Meer dollares, meer computers. Ziet hij niet wat hij zijn vrouw en zichzelf aandoet?

Dinsdagochtend gaat de bel. Voor mijn deur staat een jongen op slippers. Hij heeft ook een motor. ‘De baas wil u spreken, klim achterop. Ik breng u ernaartoe.’ Ben je gek? Ik ken jou niet. Straks is het een valstrik van de overvallers. Met trillende vingers bel ik mijn vrienden. Tien minuten later staat de motor van een vriend voor de deur. ‘Het zijn inderdaad de bazen’, vertelt hij. ‘Ze hebben de overvallers gepakt en de dono wil ze nu je spullen laten teruggeven.’ O god, laat ze alsjeblieft niet gemarteld zijn.

Om het drugsverkooppunt zwermen meer gastjes dan gewoonlijk. Pistool in de bermuda en geweer om blote schouder. Tussen hen in het blauw van mijn boodschappentassen. Op een rijtje de daders. Blubberbuik herken ik meteen. Gek genoeg aan zijn ogen. Ik zie nu dat hij een elektronische enkelband draagt. Vandaar die lange trainingsbroek toen. Kil en uitdagend kijkt hij me aan, net als de dader naast hem. Maar de magere puber zit angstig te huilen. De baas stapt op me af. Massief gouden ketting, halfbloot en op slippers. Hij zegt dat de daders de wet van sloppenwijk overtreden hebben en biedt zijn excuses aan. Hij vraagt me te controleren of de spullen in de tassen van mij zijn. Ik zie mijn rode broodrooster en de boormachine. ‘Ja, alles van mij.’

De baas houdt een telefoon voor mijn neus. Opeens kijk ik via Facetime in het gezicht van een van de hoogste drugsbazen van Rio. Ik kan duidelijk zien dat hij in de gevangenis zit. Vanuit een volle cel biedt ook hij excuses aan. ‘Wil je dat ik de daders laat vermoorden?’ vraagt hij. Ik zwijg even. Laat ze maar zweten. ‘Nee’, zeg ik. ‘Het enige wat ik wil is met rust gelaten worden.’ ‘Goed’, zegt de baas. ‘Als er iets gebeurt zoek je me maar op.’ In de gevangenis?

Eenmaal thuis boen ik alles schoon met alcohol. Weg met het virus en de herinnering. Maar evenals corona blijkt ook de overval niet weg te poetsen. Langzaam, voorwerp na voorwerp ontdek ik dat ik in de maling ben genomen. Ze hebben mijn oude, kapotte computer teruggeven, maar niet de goede. De kapotte boormachine, maar niet de nieuwe. Het is als een waarschuwing, een maffiose boodschap. Waarom geven ze twee lege ballpoints terug in plaats van mijn vulpennen? Waarom een blikken ringetje en niet mijn sieraden? Voor het eerst slaat mijn angst om in woede. Ik zie Blubberbuik weer pedant rondstappen op het drugsverkooppunt, meteen nadat ik mijn Romeinse keizersduim voor hem omhoog had gestoken. De hufter probeerde me zelfs grijnzend aan te raken. Hij speelt hoog spel. Maar voorlopig wint híj. Precies als Bolsonaro!

Rio de Janeiro, 24 maart. ‘Fora Bolsonaaaaaaro!’ In meerdere steden in Brazilië wordt getimmerd op potten en pannen als protest tegen het coronabeleid van hun president © Pilar Olivares / REUTERS / ANP

Die avond spreekt ‘kapitein corona’ de natie weer toe. Zelfingenomen blaft hij ‘het volk’ zijn dodelijke boodschap toe: ‘Ga aan het werk, mensen! Je kunt jezelf niet thuis verstoppen. Ook als het niet regent word je nat. Het virus komt toch, shit! Ze proberen Brazilië economisch op de knieën te dwingen met hun bangmakerij, oké! Welke belangen denk je dat daarachter zitten?’ Dit is hoe de nationalist Bolsonaro de grootste gezondheidscrisis sinds 1918 in zijn ‘geliefde vaderland’ te lijf gaat. Complottheorieën over ‘communistische multimiljardairs’ en het ontkennen van wetenschap. Hij ontkent zelfs de doden. ‘Zo’n vent sterft gewoon aan ouderdom. Maar om de hysterie te voeden plakken ze daar nu corona op!’ Hij ontkent zelfs de doden in de VS. ‘Geloof ik niet!’ Maar waar Trump de sociale isolatie nog tot eind april aanhoudt, blijft Bolsonaro een hersenloze campagne voeren tegen elke veiligheidsmaatregel.

Na de instituties van parlement en hooggerechtshof zijn nu de gekozen gouverneurs de ‘vijand van het volk’. De deelstaten negeerden president Bolsonaro en gooiden unaniem evenementen, winkels en stranden dicht. Ook oude rechtse bondgenoten, zoals de gouverneurs van Rio en São Paulo, bevelen de bevolking binnen te blijven. Met name dit tweetal wekt de paranoia in Bolsonaro: ‘Wie is hier nu de president, shit. Ik ben de president, ík ben de president, oké!’

‘Sommigen zullen sterven, poeh. Dat is het leven’, verkondigt hij. Zo zweept hij zijn achterban cynisch op. ‘Je legt een autofabriek toch ook niet stil omdat er verkeersdoden vallen? Ga de straat op!’ En dat doen ze ook nog. Maar wel veilig in hun auto’s. Toeterend rijden de Bolsonaro-karavanen door de lege steden. In met vlaggen behangen suv’s en luchtgekoelde auto’s zetten ze anderen aan om hun leven te wagen.

De rede houdt de meeste mensen vooralsnog binnen. In het open raam slaan ze ’s avonds voor hun raam luidruchtig op potten en pannen en roepen: ‘Weg met Bolsonaro!’ De meesten weten: als je hier echt ziek wordt, ben je er geweest. In Rio zijn driehonderd extra intensivecarebedden aangekondigd. ‘Half mei klaar.’ Driehonderd extra bedden in een stad met 13 miljoen mensen, per half mei? Dat wordt de Apocalyps. Als in Rio met kerst nog een man met longembolie door het ziekenhuispersoneel uit zijn rolstoel op straat gekieperd werd en hij daar stierf omdat er ‘geen plek’ was, hoe moet dat dan als corona zich eenmaal goed verspreidt? Het Britse Imperial College London voorspelt meer dan een miljoen doden in Brazilië als Bolsonaro zo doorgaat. Een berekening bovendien die uitgaat van een Europese gezondheidszorg en Europese woonomstandigheden.

Die avond koel ik mijn woede met de grootste pollepel op de grootste pan die ik kan vinden. Pubers en amateurs als staatshoofd is het aller-áller-gevaarlijkste dat er bestaat! ‘Fora Bolsonaaaaaaro!’ Opeens komt het geschreeuw ook uit de favela. ‘Ga weg, donder op!’ Tot nu toe klonk van daaruit alleen de baile funk, de stampende feesten die de drugsbazen geven om hun handel te aan de man te krijgen. Met gebrek aan water, open riolen en gemiddeld tien mensen in een huisje – hoe moeten zij zich beschermen tegen het virus? Straatverkopers, vuilscheiders, schoonmakers; al hun werk is stilgevallen. De boodschappen raken op en geld is er niet meer. Laat staan voor zeep.

Aanvankelijk beloofde Bolsonaro een ‘inkomen’ van, omgerekend, 35 euro per maand. Het parlement trok het vrijdag op tot 109 euro. Maar of, wanneer en hoe dit geld er ooit gaat komen is in de huidige chaos onduidelijk. De drugsbazen hebben een avondklok ingesteld. Maar wat heb je eraan? Ik denk aan Maria en wat ik haar aandoe. Weg uit haar heldere huurhuisje. Terug is de vochtige pijpenla waar ze met zeven volwassenen, een kind en twee baby’s in een ruimte moet samenwonen. Geen ramen, geen daglicht. De enige ventilatie? Voordeur openzetten naar de donkere steeg. De baby van haar zoon heeft al tuberculose. Hoe loopt dat af?

Zij klettert nu met de pannen waarvan ze weet dat er voorlopig geen eten meer in komt. ‘Er komt opstand. Plunderingen van supermarkten en winkels’, voorspellen experts. Precies wat Bolsonaro wil. ‘Hij heeft er nooit doekjes om gewonden wie hij is’, zegt de politicoloog Marcos Nobre, professor aan de Unicamp-universiteit. ‘Dictatuur is voor hem het gewenste model.’ Van het begin af aan was Bolsonaro uit op het afbreken van de democratische instituties. Tijdens een bijeenkomst in Washington met belangrijke Amerikaanse alt-right-figuren als Steve Bannon zei hij het vorig jaar letterlijk: ‘Ik zie Brazilië niet als een terrein waar we dingen voor het volk gaan opbouwen. Wat wij moeten, is afbreken. Er is ontzettend veel af te breken.’

Zijn veiligheidschef generaal Heleno, zijn haatkabinet en ook de ultra-neoliberale minister van Economie, Paulo Guedes, legden het de afgelopen maanden telkens weer in week: ‘Als er protesten komen, roepen we de AI-5 in.’ Het klinkt als een virus, maar AI-5 was het decreet waarmee de militaire dictatuur in 1968 alle grondwettelijke rechten ophief en de weg opende voor martelingen en executies. Nu Covid-19 het land gijzelt is het moment daar. Hoe dit precies afloopt is nog onduidelijk. Maar na meer dan dertig jaar democratie gaat het op apenrots Brazilië nog steeds puur om leven of dood.