De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk vanavond om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Dit gedicht is allesomvattend

Wie naar de zon reikt zal verbranden, blind worden of als Icarus in zee storten. Er zijn altijd kunstenaars geweest die zich aangetrokken voelden tot het nietige, het schijnbaar onbeduidende, die zich toelegden op subtiele verschuivingen of onderkoelde grapjes om het bewustzijn te kietelen. Het is een houding die getuigt van een intelligente en bescheiden, maar realistische ambitie.

Medium cover grote nieuwe zoon

De klassieke reuzen en de romantische dromers deinsden daarentegen niet terug voor het grote gebaar. Zij mikten op het absolute, stortten zich in de ultieme erotiek, doorkruisten de dood en trachtten samen te vallen met God, wiens wezen niet in woord of beeld valt uit te drukken. Pindaros, Caravaggio, Hölderlin, Beethoven, Rimbaud en Pollock: mogelijk hebben ze zich soms overschreeuwd of zijn ze aan hun inspiratie ten onder gegaan, maar zelfs hun mislukkingen zijn vele malen indrukwekkender dan de nuances van de knapste fijnschilder of de briljantste verteller.

Jacob Groot (1947) behoort tot de categorie der hemelbestormers. Al ruim veertig jaar werkt hij koortsachtig aan een gestaag uitdijend oeuvre van bevlogen poëzie, lyrisch proza en dwarse essayistiek dat uit zijn voegen barst van muzikaliteit en seksuele expansiedrift. Groot wil luid kwinkelerend de schepping neuken, daar komt het in het kort op neer. Omdat hij nooit enige concessie aan een potentieel publiek heeft gedaan, is hij een cult-auteur gebleven, die door de kritiek met verbazing werd bejegend en door jury’s van literaire prijzen genegeerd. Ten onrechte. Het ‘megagedicht’ Nieuwe zon laat zien wat ongebreidelde creativiteit vermag.

Op het omslag licht de o van ‘zon’ op als een vurig hemellichaam met een zwart gat erin. De zon is het goddelijk niets, het definitieve nulpunt, de o-mega die het systeem van de menselijke spraak afsluit. De protagonist staat op, gaat op weg, ziet zijn leven aan zich voorbij trekken en valt na een dramatische ontknoping, waarvan niet zeker is in hoeverre ze slechts is ingebeeld, samen met de ondergaande zon. Niet voor niets is het epos opgebouwd uit 26 episoden die genummerd zijn met de letters van het alfabet. Groot bestrijkt alle registers van het Nederlands, van grof en banaal tot verheven en filosofisch, hij citeert zowel Wittgenstein en de bijbel als James Brown en Anthony Kiedis, hij schrijft sonnetten en balladen, maar ook prozagedichten en dialogen. Dit gedicht is alomvattend.

Hoe moet je zoiets lezen? De schier eindeloze zinnen, de felle beeldtaal en het exuberante woordspel nodigen ertoe uit het werk in een urenlange roes te ondergaan, als een psychedelische road movie, hetgeen de lezer soms naar adem doet snakken. Tegelijkertijd verstoort Groot de neiging tot overgave door de lyrische gekte van intellectuele reflectie en ironisch commentaar te voorzien. Misschien schuilt de meest effectieve leesinstructie in de episode ‘mijn gebed is op weg’, die is opgezet als een innerlijke dialoog over de vraag in hoeverre bidden zinvol zou kunnen zijn. Groot zoekt een God wiens existentie onkenbaar en uiteindelijk irrelevant is, wat geenszins betekent dat je niet met Hem in gesprek kunt gaan. Zo bijvoorbeeld:

O overste, in de tijdslijn

der woestijn van uw gratie

omwille van de werkplaats

met de naam Geschiedenis

die ons verbindt met de arbeid

van de feiten, de dagmars

van de nonsens langs de kant

van de weg, de demonstratie

van het lijden achter de voordeur

die ons opent tot de nacht

valt in de kamer, O pure O, O

tuin in de verte met de vruchtsoort

De klassieke reuzen en de romantische dromers mikten op het absolute, stortten zich in de ultieme erotiek

Fucker! Sucker! Plukker! Rukker!

Je gebed, zegt vervolgens een van de stemmen, ‘had het juiste tempo, het zei de juiste woorden’, ja, ‘als een raket schoot je gebed de ruimte in, naar de oorsprong van de ster, nee nog verder, als een ster bood je gebed zich aan’. Groots taal schittert, knalt en verbluft als illegaal vuurwerk.

Martinus Nijhoff speelt in Nieuwe zon een niet onaanzienlijke rol, zelfs in die mate dat Groot hem een keer ‘Mijhoff’ noemt. Verwijzingen naar Awater en Het uur u liggen bij zo’n epische tekst voor de hand, maar het is vooral het sonnet De moeder de vrouw dat een prominente functie heeft gekregen. De dichter reist per trein naar Zaltbommel, waar de nieuwe, naar Nijhoff genoemde brug zich voordoet als een reusachtige harp waarop de wind zijn lied speelt. Vanaf het perron van het station duidt hij ‘de honderdtwintig pijlen naar de hemel/ toe’, door vanaf een afstand ‘uw kabaal// te horen, uw altaar te naderen stroomafwaarts/ in een exaltatie over de sporen, om uw harp te verspelen’.

Wanneer er een sneltrein nadert, wordt gesuggereerd dat onze held ervoor springt, maar zeker is dat niet. ‘Sprong hij nou wel of sprong hij nou niet?’ vraagt iemand in de slotepisode. ‘Op de een of andere manier bleef hij zweven’, aldus het antwoord. Sterker nog, ‘hij sprong maar hij kaatste terug, rolde om in het licht en begon te draaien als een tol, toen verdween hij’. Hoe dan ook ‘bloosde’ het station en ‘het hele landschap lag in een vermiljoenen gloed’, de zon ‘sproeide bloed’ en ‘de Waal bloeide’. Waarop een van de reizigers voorstelt er nog eventjes over na te praten op het terrasje van De Verdraagzaamheid’, een bekend etablissement te Zaltbommel. Zoveel glans, kleur, extase en muziek, dat vraagt inderdaad om een koel glas bier op de kade van een oude stad die uitkijkt over een trage rivier.

Uit het licht laat me nemen de nacht

waarmee wordt geweven de draad

van mijn leven opdat ik in een net

ben opgehaald en zo bijeengebracht

Bedacht ben ik daarbij maar ik doe

het samen met alle anderen en simultaan

door me niet te verbeelden als iemand

anders maar als wie niet zonder naam

wordt verwacht door degene in het gewelf

van het scherm als zijn wederhelft

tegenover zich die hem vraagt

het te bevestigen: ik ben het niet zelf


Jacob Groot, Nieuwe zon: Een megagedicht_. De Harmonie, 224 blz., € 29,90_