HR weekend: ‘The Workers Cup’

‘Dit hier is moderne slavernij’

Censuur maakt een film over de slechte werkomstandigheden van immigranten die in Qatar de stadions voor het WK 2022 bouwen onmogelijk. Via een aldaar georganiseerde arbeiderscup lukt het wel.

Medium the team in the changing room before a big match
het team van werknemers van Gulf Contracting Corporation in de kleedruimte voor een grote wedstrijd. Vlnr: Kenneth, David, Binumon, Purna, Umesh en Padam; © The Workers Cup LLC

Uitzinnige Aziatische en Afrikaanse bouwvakkers in een half afgebouwd voetbalstadion in Qatar. Ze juichen de in Arabische kledij gestoken leiders toe van het comité dat het wereldkampioenschap voetbal in 2022 organiseert. Wacht even. Dit zijn toch de arbeiders die onder barre omstandigheden aan de stadions werken? Deze mensen worden toch uitgebuit?

Doorgaans zie je ze in undercoverreportages. Of je leest over ze in kommer-en-kwel-artikelen waarin geen lachje voorkomt. En inderdaad, hun omstandigheden zijn naargeestig. Zeker in de ogen van westerlingen die leven in een rechtsstaat met strenge arbeidswetten en een redelijk minimumloon.

De misstanden maken ook deel uit van de documentaire The Workers Cup, maar het is regisseur Adam Sobel gelukt om een menselijke film te maken over de bouwvakkers in Qatar. Hij volgde maandenlang een groep arbeiders, in alle openheid, en hierdoor leer je ze kennen als de mannen die ze zijn: met hun dromen, hun naasten thuis in Afrika of Azië, en met hun dagelijkse leven rond de bouwplaatsen. Sobel maakte een film die tegelijkertijd het ellendige leven toont van de mannen die de stadions bouwen, en de vreugde en verbroedering die het voetbal hen biedt.

De camerabeelden zijn prachtig. Verstild en indringend, met voldoende rust gefilmd om ze diep bij de kijker te laten inslijten. Op andere momenten doet de documentaire je op het puntje van je stoel zitten, vooral door de wedstrijden van het arbeidersvoetbalteam dat we volgen. Wie The Workers Cup kijkt lacht en fronst. Want hoe je het ook wendt of keert: het WK voetbal in Qatar wordt gebouwd op ongelijkheid.

In 2010 werd het olie- en vooral gasrijke Golfstaatje Qatar tot veler verrassing verkozen om het wereldkampioenschap voetbal in 2022 te organiseren. Het eerste voetbal-WK ooit in het Midden-Oosten. Sindsdien is de aandacht van mensenrechtenorganisaties en de wereldpers voor Qatar sterk gegroeid. Het zijn vooral de schrijnende werkomstandigheden van honderdduizenden buitenlandse arbeidsmigranten in het woestijnsjeikdom die in de schijnwerpers staan. Zij zijn afkomstig uit arme landen in de regio, met name uit de Zuid-Aziatische landen rond India en uit Afrika. Onmenselijk lange werkdagen, gevaarlijke situaties op bouwplaatsen, lage salarissen en een grote mate van onvrijheid – al jaren wordt daarover bericht, en toch blijven de werknemers toestromen.

Adam Sobel woonde vijf jaar in Qatars hoofdstad Doha, waar zijn vriendin lesgaf. Sobel, van huis uit journalist, richtte met vrienden het media-productiebedrijfje Mediadante op dat opereerde vanuit de flashy torenflats waar het emiraatje vol mee staat. ‘Een van de verhalen die we vaak gevraagd werden te maken toen we daar woonden was dat over de migrantenarbeiders die er aan het bouwen waren voor het wereldkampioenschap’, vertelde hij vorig jaar aan de Canadese entertainmentwebsite The Gate. ‘Dat verhaal versloegen we voor allerlei internationale mediabedrijven: bbc, cnn, hbo, et cetera. En ik kan je vertellen: de mediarestricties zijn zeer streng in Qatar. Juist het verhaal over de buitenlandse arbeiders ligt erg gevoelig, dus meestal moest dat undercover, of je moest iemands identiteit verborgen houden. Als je in een van de arbeiderskampen filmde zonder dat je uitdrukkelijke toestemming had, kon je in zware problemen komen. We hanteerden de regel dat je iemand er maar acht minuten kon filmen om dan op te breken.’

Het eenzijdige beeld dat uit zulke reportages voortkwam begon Sobel behoorlijk te irriteren. ‘De arbeiders als slachtoffer. Je legde eigenlijk nooit iets echt menselijks vast. Het enige wat je deed was het beschrijven van de werkomstandigheden.’ Zijn kans om daar bovenuit te stijgen kwam toen de Qatarese organisatoren van de wereldcup aankondigden dat in de stadions in aanbouw een voetbaltoernooi zou worden georganiseerd voor de arbeiders. De Workers Cup, in samenwerking met de internationale voetbalfederatie Fifa, de organisatie achter het wereldkampioenschap. Bouwbedrijven konden elk een voetbalteam, inclusief coaches en ondersteunend personeel formeren. Sobel filmde de tweede editie van het toernooi, waarbij 24 teams tegen elkaar strijden om de Arbeidersbeker.

De film volgt één team dat bestaat uit werknemers van Gulf Contracting Corporation (gcc). Voetballende mannen die elkaar voordien niet of nauwelijks kenden, maar die in de loop van de documentaire steeds dichter bij elkaar komen. Dat is niet vanzelfsprekend, want het team is een mix van culturen. Het bestaat onder meer uit Nepalezen, Bengalen, Indiërs, Kenianen en een topscorende Ghanees. In India en de omliggende landen wordt flink gediscrimineerd op huidskleur, maar in de film is van raciaal wantrouwen – aanvankelijk – weinig te merken. Van meet af aan bestaat het elftal voor de kijker uit een stel interessante kerels met een geschiedenis, een thuisfront en een leven. Maar, en dat is het fascinerende: een vastomlijnde, veilige toekomst heeft eigenlijk geen van de teamleden.

Het betreft een elftal, dus de cast is niet gering, ook al worden niet alle leden gevolgd. Teammanager Sebastian, afkomstig uit een Zuid-Aziatisch land (welk, daar komen we niet achter) werkt op het kantoor van gcc, waar hij verantwoordelijk is voor de administratie van de kampen die door het bedrijf zijn gebouwd om zijn werknemers te huisvesten. Hij is duidelijk afkomstig uit een hogere sociale klasse dan die van de meeste spelers, maar hij gaat zich steeds verbondener voelen met de voetballende bouwvakkers.

Vrijwel dagelijks kwam een Nepalese bouwvakker in Qatar om het leven. Vaak door hartfalen

Sterspeler Kenneth wil maar één ding: profvoetballer worden. Gaat het arbeiderstoernooi hem daarbij helpen? De Indiase middenvelder Umesh, die zijn zoons Robin en Rooney noemde naar zijn Manchester United-idolen: zou hij zijn melancholie van zich kunnen afschudden als hij zijn contract heeft uitgediend? En dan zijn er nog Padam, de olijke verdediger die gek wordt van het ‘gezeur’ van zijn vrouw in Nepal, totdat de teamgeest hem de ogen opent, en Calton, de goedlachse keeper die niet zonder vrouwen kan. Daarnaast komen nog meer leden van het elftal in beeld. Maar dankzij hun verschillende achtergronden en de kalme, ongehaaste manier van filmen is dat geen overkill.

Het arbeiderskampioenschap vormde de ideale sluiproute voor zijn film, vertelde Sobel aan The Gate. ‘Het was steeds onmogelijk geweest om een individuele verbinding te krijgen met de mannen die we filmden, maar het benaderen van de arbeiders die tezamen een team vormden zou een echt cinematografisch verhaal zijn.’ Dat was wat hij wilde. Een verhaal waarbij je de mannen recht in de ogen kijkt, en zelfs in de ziel, omdat hij veel tijd met hen zou kunnen doorbrengen. Het Workers Cup-toernooi bleek die mogelijkheid te bieden. Sobel besefte dat het vooral werd georganiseerd om Qatar, het wereldkampioenschap en de bouwbedrijven te promoten. Maar toch: ‘We dachten: dit is onze kans om in de kampen te komen waar de arbeiders leven. En toen dat eenmaal lukte, zorgden we ervoor dat we er zo vaak waren dat ze ons begonnen te vergeten terwijl wij maar door bleven filmen. Het was niet de bedoeling dat het toernooi het onderwerp van de film zou worden. Het was voor ons slechts een manier om toegang te krijgen tot het verhaal van de arbeiders.’

Het idee was aanvankelijk om bij verscheidene bedrijfselftallen op zoek te gaan naar spelers die geschikt waren om uit de doeken te doen hoe het eraan toe ging op de bouwplaatsen. Maar opnieuw maakte de censuur van de corporaties dat vrijwel onmogelijk. gcc, met het voetbalteam dat de hoofdrol speelt in de film, was het bedrijf dat verreweg de meeste openheid bood. Adam Sobel: ‘Ook zij gaven ons een minder mee, een communicatiemedewerker die bepaalt wat wel en niet gefilmd mag worden, maar die begon zich na een paar maanden te vervelen. Daardoor waren we in staat de film te maken die we wilden. Ik denk dat je via dit bedrijf een goed beeld krijgt van het geheel.’

Dat is niet helemaal juist. Het beeld dat de film ons biedt is, hoe gek het ook klinkt, dat van een elite onder de bouwvakkers in Qatar en de andere Golfstaten. In een interview aan de Britse filmwebsite Eye For Film geeft Sobel er overigens blijk van dit te beseffen. De omstandigheden voor degenen die werken op de WK-bouwplaatsen zijn minder zwaar dan die van andere bouwvakkers in Qatar – dat is het gevolg van de overvloedige media-aandacht die er de afgelopen jaren is geweest voor de misstanden.

Medium carlton  right  and samuel  standing left
Calton (rechts), de goedlachse keeper die niet zonder vrouwen kan © The Workers Cup LLC

Hoe zit het met die arbeidsomstandigheden? In Qatar werken ruim twee miljoen buitenlanders, op een inheemse bevolking van iets meer dan driehonderdduizend mensen. Het overgrote deel werkt in de bouw. Uit cijfers van de Nepalese ambassade in Doha bleek volgens The Guardian dat in 2012 vrijwel dagelijks een Nepalese bouwvakker in Qatar om het leven kwam. Velen door ongelukken op de bouwplaatsen, maar een nog groter deel door hartfalen. Door een verbod op autopsie blijft onduidelijk waardoor de hartstilstanden veroorzaakt werden. Mensenrechtenorganisaties vermoeden dat het de hitte is (tot 45 graden in de zomermaanden) in combinatie met de lange werktijden van tien tot twaalf uur per dag. Ruim 350 doden per jaar, alleen al onder de Nepalezen. Later bevestigden de Qatarese autoriteiten dat in 2012 en 2013 onder Nepalese, Indiase en Bengalese arbeiders 964 doden waren gevallen. Ook dat aantal is onvolledig. Het bevat bijvoorbeeld geen Sri Lankanen en Afrikanen.

Het extreem hoge dodental en de lange werkdagen – vaak zeven dagen per week, ondanks de wettelijke bepaling dat elke werknemer een dag per week vrij moet zijn – zorgden voor een storm van internationale verontwaardiging. Die zwol aan tot orkaankracht toen bleek dat veel buitenlandse werknemers in feite moderne slaven zijn. In het vooruitzicht van goede lonen gingen ze ermee akkoord dat tussenpersonen hun reis- en bemiddelingskosten voorschoten. Die werden na aankomst in Qatar ingehouden van een salaris dat veel lager was dan beloofd. En tegen rentes die volgens de Britse krant konden oplopen tot 36 procent per maand. Een illegale truc die met name in Zuid-Azië geregeld wordt toegepast om een vorm van modern lijfeigenschap te creëren.

Je baan opzeggen en het land ontvluchten is er in Qatar niet bij. Het kafala-systeem maakt de werkgever moreel en financieel voor je verantwoordelijk. Hij moet toestemming geven als je het land wilt verlaten of van baan wilt veranderen. Om je in het gareel te houden neemt hij je paspoort in totdat je je contract hebt uitgediend. Ten tijde van het Guardian-onderzoek waren tientallen wanhopige Nepalese arbeiders naar hun ambassade in Doha gevlucht.

Niets hiervan was echter nieuw. In het hele Golfgebied golden dit soort wantoestanden al vele jaren, ook ruim voordat in 2010 Qatar werd aangewezen als organisator van de wereldcup. Met medeweten van ambassades en opiniemakers in Nepal, India en Bangladesh. Wat nieuw was, was de internationale verontwaardiging. De Internationale Arbeidsorganisatie (ilo) van de Verenigde Naties en de Fifa houden nu de aanleg van infrastructuur voor de World Cup 2022 scherp in de gaten. Momenteel werken ‘slechts’ zo’n twintigduizend bouwvakkers aan wereldbekerprojecten. Dat aantal zal de komende jaren uitgroeien tot zo’n 35.000.

‘Dit toernooi toont hoe belangrijk wij het vinden dat bedrijven hun sociale verantwoordelijkheid nemen’

De arbeiders die werken aan de bouw van stadions, hotels en andere faciliteiten die specifiek worden aangelegd voor de wereldcup resorteren onder Qatars Supreme Committee for Delivery and Legacy, een typisch Midden-Oosterse, bloemrijke benaming voor een overheidsorganisatie die desnoods met het mes op tafel de voortgang van de WK-bouwprojecten bewaakt. Het zijn de statige leden van dit comité, in hun lange witte kaftans en hoofddoeken, die in de documentaire worden toegejuicht door de arbeiders. Waar het maar kan verspreidt de Supreme Committee (SC) haar propaganda over blije, gezonde werkkrachten. ‘Dit toernooi toont hoe belangrijk wij het vinden dat bedrijven hun sociale verantwoordelijkheid nemen’, zegt de Qatarese voorzitter van de SC in de documentaire.

In de schijnwerpers is uitbuiting lastiger. Hoewel de omstandigheden nog altijd loodzwaar zijn, zijn de werkdagen en werkweken van de wereldcuparbeiders korter dan die van andere bouwvakkers; hun bescherming tegen de ongenadige hitte is beter en hun salarissen zijn iets hoger. Volgens de makers van de film verdienen de spelers tussen de twee- en vierhonderd dollar per maand. Afgaande op uitlatingen in de media verdienen veel constructiewerkers die voor de Supreme Committee werken meer: salarissen van 550 dollar zouden geen uitzondering zijn. Dat is weinig in westerse ogen, maar nog altijd ruim het dubbele van wat een bouwvakker kan verdienen in India en Nepal.

Sterspeler Kenneth is de enige die vertelt hoe hij werd opgelicht. Zijn leven in Ghana stond in het teken van voetbal. Dus toen een agent hem vertelde dat hij kon werken aan de bouw van stadions in Qatar en dat hij daar dan na een tijdje de kans zou krijgen een geschikte internationale club te vinden, hapte hij meteen toe. ‘Hij liet me vijftienhonderd dollar betalen. Toen ik hier kwam zeiden ze: “Wij doen niets met voetbal, je kunt hier niet spelen.”’

Uit de verhalen van de voetballers blijkt dat het niet per se het zware werk is dat hun parten speelt. Het is de eenzaamheid. Het afgesneden zijn van familie en vrienden thuis, en in die situatie gevangen zitten omdat je zonder paspoort niet weg kunt.

Het voetbaltoernooi brengt verbroedering, en dat leidt tot een prachtige scène. De Afrikaanse spelers blijven na hun gaarkeukenachtige avondmaal zitten in de fel verlichte kantine. Ze spreken over vrijheid. Voor de een is het: kunnen praten met vrouwen. Voor de ander zijn familie zien, of zich vrij kunnen bewegen, mogen stemmen. Eigenlijk komen ze er niet uit. Maar één ding weten ze zeker: ‘Dit hier is moderne slavernij.’

2 t/m 4 februari Human Rights Weekend 2018

Human Rights Watch, De Balie en partners presenteren van 2 tot en met 4 februari in Amsterdam de zesde editie van het Human Rights Weekend. De editie van dit jaar vraagt om reflectie. Wat is jouw mening over belangrijke mensenrechtenkwesties van deze tijd? Hoe ben jij indirect betrokken bij mensenrechtenschendingen elders in de wereld?

Het weekend is gevuld met mensenrechtenfilms, discussies en fotografie. Er vinden ontmoetingen plaats met filmregisseurs, Human Rights Watch-onderzoekers, activisten, parlementsleden en journalisten. Er komt een breed scala van landen aan de orde. Van Rusland tot Myanmar en van Mexico tot Liberia.

Sommige arbeiders doen de gekste dingen om terug naar huis te worden gestuurd. Dat kan onder meer als je werkgever denkt dat je krankzinnig bent. De film bevat een bloedstollend verhaal over hoe ver iemand kan gaan om dat voor elkaar te krijgen.

Het merkwaardige is echter – en het is een verdienste van Adam Sobel dat hij dat laat zien – dat arbeiders die hun contract hebben uitgediend niet zelden spoedig terugkeren naar de Golf. Het blijkt moeilijk aarden thuis, en vaak is er geen werk. Umesh, de watervlugge speler uit India, keerde na drie jaar werken in Dubai terug naar huis.

‘Ze gaan weer naar hun land om een huis te bouwen. Maar na die “vakantie” komen ze opnieuw in financiële nood’

‘Ik kwam terug omdat ik mijn gezin zo miste. Maar ik kreeg financiële problemen. Daarom ben ik nu hier in Qatar. Mijn vrouw was er fel tegen gekant dat ik opnieuw in de Golf ging werken.’ Dat verergert het gevoel gevangen te zijn. ‘Ik weet dat ik mijn leven vergooi’, zegt Umesh. ‘Maar wat kan ik doen?’

Hij voelt zich als een verslaafde die maar niet van het spul af komt. Dat geldt ook voor Sebastian, de teammanager, verantwoordelijk voor de huisvestingskampen. Hoewel hij in hiërarchie dicht bij het management van het bouwbedrijf staat, radicaliseert hij in straf tempo, totdat hij minstens zulke harde woorden bezigt als de spelers zelf. Die hebben het op hun snikhete bouwplaatsen een stuk zwaarder dan hij in zijn ergonomische kantoorstoel, maar daar gaat het hem niet om. Zijn boosheid geldt de onvrijheid, het gevoel veroordeeld te zijn tot een lousy job ver van huis.

Ook hij begon zijn ‘carrière in het Midden-Oosten’, zoals hij het zelf noemt, jaren eerder, in Oman. Ook hij is daardoor al acht jaar afgesneden van zijn familie. ‘Dit is niet wat de arbeiders verwachtten. Ze gaan weer naar hun land om een huis te bouwen. Maar na die “vakantie” komen ze opnieuw in financiële nood, en keren ze terug. Dit houdt nooit op.’

Ik was getuige van die eeuwige cyclus toen ik in 2015 in de puinhopen stond die een zware aardbeving in Nepal had aangericht. Op het platteland waren het vooral vrouwen die de ravage te lijf gingen. Er waren nauwelijks volwassen mannen. Boven op een berg puin in een weggevaagd dorpje in het zwaar getroffen district Gorka stond een vrouw. Ze had een deur met kozijn en al bevrijd uit het puin van wat dagen eerder nog haar huisje was. Ze had het kozijn neergelegd en liet zien dat de deur nog steeds open en dicht kon. Een klein wonder. Haar zoontje speelde aan haar voeten.

‘Waar is uw man?’ vroeg ik. ‘In de Golf’, zei ze. ‘Daar werkt hij. En mijn broers ook.’ De aardbeving doodde negenduizend Nepalezen en verwoestte ruim een half miljoen woningen. Nepal is een van de armste landen van Azië met een gekmakend inefficiënte en corrupte overheid. De enige hoop voor honderdduizenden Nepalese families om ooit nog de klap te boven te komen, is het geld dat hun in half-slavernij werkende mannen uit de Golfregio naar huis blijven sturen. Ook al verwoest dat de samenhang van hun gezinnen.

Medium the workers cup   umesh  right  copyrights the workers cup llc
Umesh (rechts): ‘Ik weet dat ik mijn leven vergooi. Maar wat kan ik doen?’ © The Workers Cup LLC

Het zijn niet alleen de allerarmsten die vastraken in die cyclus. Ook de middenklasse loopt dat risico. Een vriendin uit Dhaka, met wie ik in september in het zuiden van Bangladesh de exodus van Rohingya-moslims uit Birma versloeg, vertelde dat ze als jong meisje haar vader jarenlang moest missen omdat hij als administrateur werkte in Oman. Uiteindelijk wist haar moeder hem ervan te overtuigen dat hij daar niet opnieuw een wurgcontract moest tekenen. Maar in Dhaka vond hij geen werk. Dus moet nu, bij ontstentenis van een zoon, mijn vriendin (de oudste dochter) in het gezinsinkomen voorzien. Dat lukt haar, omdat ze een begenadigd cameravrouw en documentairemaakster is. Maar inmiddels ligt haar vader na een zware hartaanval in het ziekenhuis, opgebrand door stress omdat hij niet voor zijn gezin kan zorgen.

Als Sebastian gelijk heeft en de cyclus eeuwigdurend is, dan is de enige hoop voor de arbeiders dat hun werkomstandigheden binnen die cyclus verbeteren. Voor de mannen die de stadions bouwen gaat het de goede kant op – maar veel te langzaam. Sebastian doorziet de organisatie van de Workers Cup: ‘Het ging nooit om de arbeiders. Het ging erom dat een aandeelhouder dit zag. Bedrijven willen tenders winnen, ze willen opdrachten voor stadions.’ Maar hij leidt het camerateam óók rond door een nieuw kamp dat er veel minder slecht uitziet dan dat waar de bouwvakkers tot dan toe leefden. ‘Er zijn controleurs geweest van de Fifa’, zegt hij.

Inmiddels is onder druk van sancties van de VN, waarmee de Internationale Arbeidersorganisatie dreigde, de macht van de werkgevers over hun werknemers enigszins ingeperkt. Ook is een wet aangenomen die de werktijden beperkt – al zijn die nog altijd tien uur per dag. De door de wereldpers in de gaten gehouden Supreme Committee hanteert sinds kort bovendien een systeem dat moet voorkomen dat de bouwvakkers worden blootgesteld aan te grote hitte. Maar dat geldt slechts voor de twintigduizend arbeiders die werken voor het wereldkampioenschap. Niet voor die miljoenen andere arbeiders in Qatar en de overige Golflanden.


The Workers Cup: zaterdag 3 februari 12.45 uur. Passepartouts (€45,-), dagpassen(€25,-) en losse kaartjes zijn te verkrijgen op debalie.nl