Interview: Ruud de Wild

«Dit is een rauwe tijd»

Ruud de Wild verbaast zich over de gebektheid van hedendaagse jongeren. Hij maakt zich over hen niet veel zorgen: «Er wordt op straat veel meer geïntegreerd dan we in de krant lezen.»

Soms spreken lullige geschiedenisjes boekdelen. Een dag voor dit interview maakt staatssecretaris Van Geel van Milieu bekend dat hij de populaire trance-deejay Tiësto zal vragen zich in te zetten voor het milieu in Nederland. Jongeren zouden een goed voorbeeld aan hem kunnen nemen. Die zéggen alleen maar dat ze het milieu belangrijk vinden, maar passen hun verkwistende gedrag niet aan. Tiësto zou voor het milieu moeten worden wat U2-zanger Bono is voor Afrika. De deejay zelf wordt niets gevraagd. Tiësto reageert enkele uren later via zijn management. Geen tijd.

Ruud de Wild maakt een wegwerpgebaar. «Ik begrijp daar helemaal niets van. Zo’n gast in Den Haag die denkt: Tiësto, ja leuk, hip, die moeten we hebben. Dat tekent de kloof tussen jongeren en de gevestigde orde. Jongeren maken zelf wel uit of ze iets aan het milieu willen doen. Daar hebben ze echt geen Tiësto voor nodig. En Tiësto ziet Van Geel aankomen, zeg. Die gozer is wereldberoemd en zou dan zijn Nederlandse publiek moeten gaan betuttelen? Waanzin!»

Weten politici nog wat er leeft onder jongeren?

Ruud de Wild: «Absoluut niet. Ik heb het meerendeel van Den Haag in mijn programma gehad. Ik sta er elke keer van te kijken dat ze geen idee hebben waar jonge mensen van houden. Hetzelfde geldt voor omroepbazen van de publieke zenders. Ik heb daar dichtbij gezeten want ik zat in de zenderredactie toen ik voor de publieke omroep werkte. Ze wisten niet wat wanneer werd uitgezonden op 3FM, toch dé publieke radiozender voor jongeren. Schandalig.»

Ruud de Wild (36) behoort tot de populairste radio-diskjockeys van Nederland. Hij presenteert op Radio 538 met sidekicks Tamara Brinkman en Jelte van der Goot het programma Ruud de Wild.nl. Radio maakt hij al sinds hij op zijn zestiende achter de knoppen zat bij een radio piraat. Rond zijn twintigste kon De Wild als deejay assistent terecht bij de Avro. Zes jaar later stapte hij over naar Radio 538, waar hij uiteindelijk zijn eigen programma’s kon gaan maken. The Jungle en Wild in het weekend waren een groot succes. Drie jaar later volgt hij Lex Harding met zijn muziekzender op tv, TMF. Weer drie jaar later stapt hij over naar BNN, onderdeel van de publieke omroep. Hij presenteert het tv-programma Top of the Pops en krijgt tot zijn tevredenheid ook weer een eigen radioprogramma op 3FM.

«Tv is niet per se mijn ding», zegt hij. «Het is moeilijk om jezelf te kunnen zijn.» Toch gaat De Wild binnenkort voor de nieuwe zender Talpa van John de Mol samen met Bridget Maasland Big Brother presenteren. Maar dat doet hij naast zijn radioprogramma bij 538. «Ik stap erin en eruit. Ik heb er zin in; ik kan van Bridget veel leren.»

Toen Ruud de Wild in 2004 de publieke omroep verliet en terugkeerde naar Radio 538, brak er een discussie los over het salaris van radiodeejays. Opeens was De Wild omstreden omdat hij te veel zou verdienen. De discussie is onzinnig. De reclame-inkomsten van radiozenders zijn vele malen hoger dan het salaris van een deejay. En De Wild, met zijn lange radiogeschiedenis, creëert nu eenmaal marktaandeel. In de artikelen die over hem werden geschreven, ging het steeds over radio en commercie. Niet over de andere zeventig procent van zijn tijdsbesteding: schilderen en ontwerpen.

De Wild heeft inmiddels meer dan vijfhonderd doeken gemaakt. Hij ontwierp diverse cd-hoezen, onder meer voor Van Dikhout, en het omslag van Ronald Gipharts laatste boek, Troost. «Ook daarmee houd ik voeling met jongeren. En ik ga vaak op stap, de straat op, kroegen en clubs in, ook om te weten wat er speelt.»

Hij groeide op in een gezin van elf kinderen. «Ik ben de op een na jongste. Mijn pad was geëffend. Toen ik aan het puberen was, haalden mijn ouders hun schouders op. Die wisten dat het overging. Ik moest hard vechten voor mezelf om gehoord te worden. Ik ben een individualist en dat heb ik noodgedwongen thuis geleerd. Ik kijk er dus niet zo van op dat jongeren niet meer bij één club willen horen, maar hun eigen weg gaan.»

Hyperindividualistisch en mondig, zo schetst Ruud de Wild de jongeren van nu. «Veel jonge mensen zijn helemaal niet zo plat en onwetend als ik dacht. Toen ik jong was werd voor mij bepaald wat hip was. Nu bepalen jongeren dat zelf. Wij waren indertijd met andere dingen bezig. Toen ik nog geen twintig was draaide het om school, om uitgaan, om brommers. Je wist wel iets van politiek, maar Den Haag was onbereikbaar, dus waarom zou je je er écht mee bezighouden? Maar dat was óók de tijd dat je geen second opinion durfde vragen bij een dokter. Jongeren hebben nu al vroeg een expliciete mening. Ze zijn ook vaker politiek geëngageerd op jonge leeftijd. Internet, chatten, en sms’en, dat gaat zó snel. Ze flitsen van Nijntje naar het wereldnieuws. Straattaal en sms-taal zijn in elkaar overgelopen. Ik vind het briljant om te zien hoe snel en zelfstandig zich dat ontwikkelt. En daar zit niemand tussen. Dat doen jongeren helemaal zelf.

Mijn dochter van tweeënhalf snapt niet eens meer wat het is, een telefoon met een draad eraan. Ik had er een thuis. Ze zat er naar te kijken als iemand die je in de rimboe een flesje cola geeft. Jongeren zien wat er aan de hand is in de wereld. En ze kunnen zelfstandig kiezen waar ze bij willen horen. Kijk maar op straat. Nederlandse jongens in Amsterdam-West spreken moeiteloos een straattaal die bol staat van de invloeden van andere culturen. We beleven nu echt het einde van het verzuilde denken en het calvinisme. Jongeren van nu weten niet eens wat het is. En het verschil tussen publieke en commerciële zenders kennen ze al helemáál niet. Jongeren sprokkelen hun eigen wereldje bijeen en ontmoeten elkaar in een groep individuen die elkaar verkozen heeft. Via internetsites bepalen ze naar welk feest ze gaan. Ze kunnen overal opduiken. Het idee van een stamkroeg is tegenwoordig iets voor ouwe lullen.»

Ben je niet bang dat er een egoïstische samen leving ontstaat?

Ruud de Wild: «Nee hoor. Jongeren maken nu veel eerder mee wat andere generaties, wij ook, pas veel later op hun brood kregen. Vaak als het al te laat was. Het is nu niet meer zo dat je trouwt op je negentiende en dan maar een gezin sticht. Nee, dat doe je pas als je voelt dat je daaraan toe bent. Dat scheelt je de frustratie op latere leeftijd dat je veel gemist hebt. Jongeren zijn volwassener nu dan wij toen.»

Mede daardoor verliezen de journalistiek en de reclamewereld volgens De Wild in hoog tempo aansluiting bij de vrije, individualistische wereld van jongeren. «Er wordt op straat veel meer geïntegreerd dan we in de krant lezen. Journalisten, de veertigers, snappen het niet meer. Ze zíen het niet. Het gezeur over Lonsdale-jongeren, die allemáál neonazi’s zouden zijn, is daar een voorbeeld van. Ik kan me ook ontzettend kwaad maken over reclamebureaus. Ik verzet me tegen die te dure Amstelveense bedrijven met hun grote ovale tafels waaraan een stel omhooggevallen hippe veertigers zitten die neuken met hun secretaresse en denken dat ze weten wat jong zijn is, terwijl ze maar vijftig cd’tjes in de kast hebben staan. Ze komen niet op de juiste plekken. Ze gaan niet de straat op. Dáár gebeurt het. Als ze eens een leuk idee hebben, blijkt het gekopieerd uit Engeland of Amerika.»

De jaren tachtig zijn weer helemaal terug. In de kleding en de muziek. Is dat weer een truc van die hippe veertigers?

«Ik denk dat het verder gaat. Dit is de eerste échte herhaling in twintig jaar. En dan ook nog een herhaling die teruggrijpt op onze eigen jeugd. Niks flauwe fifties- of seventies-invloeden in de kleding. Nee, nu is er echt iets aan de hand. Dit is een rauwe tijd. De muziek wordt ook rauwer. Jongeren staan weer voor keuzes. Het ziet er niet rooskleurig uit, economisch. En er is weer oorlog op tv. Belangrijk is dat jongeren nu veel meer op zichzelf staan en zélf kiezen voor die herhaling in de cultuur. Tot een aantal jaren geleden bepaalden marketeers de sfeer. Daar trekken ze zich nu geen bal meer van aan. Wordt de muziek rauwer, dan is dat niet omdat iemand hun dat wil verkopen, maar omdat jongeren gewoon zelf rauwere muziek maken. Iedereen is deejay tegenwoordig.»

Komt het doemdenken terug?

«Ik denk dat wij grotere doemdenkers waren in de jaren tachtig dan jongeren nu. Ik werd angstig van die Greenpeace-beelden. Die kernenergie, dacht ik, dat gaat helemaal mis. Oorlogen in El Salvador en Nicaragua. Vreselijk. Nu is er de oorlog tegen het terrorisme. Ik denk dat veel jonge mensen die niet serieus nemen, omdat ze Bush niet serieus nemen. Die man is zo’n persiflage. Ze schrikken veel meer van de dingen die dichtbij gebeuren. Van Gogh, Fortuyn, Hirsi Ali. Het integratieprobleem, het gedoe met jonge Marokkanen, leeftijdgenoten waar ze dagelijks mee te maken hebben. Dáár hebben ze het onderling over. Niet over angst voor terrorisme.

Ik schrik weleens van het drugsgebruik. Da’s ook iets wat je met de jaren tachtig associeerde. Individualisme is prachtig, maar het gevaar is dat je te jong in aanraking kunt komen met dope. Kijk bijvoorbeeld naar die ID&t-gabberfeesten. Er wordt heel veel dope gebruikt in die scene. In de uitgaanswereld überhaupt, tegenwoordig.»

Hij pakt er een boek bij, Release, waarin de ID&t-feesten zijn beschreven en gefotografeerd. «Hier, kijk. Je schrikt je kapot, man. Die jongen heeft drie pillen op zijn tong. Hier, pupillen als schoteltjes; die gozer is helemaal weg. Er zit ook een fake pilletje in het boek, als leuke gadget. Dat moet je niet propageren. Het is gevaarlijk. Maar aan de andere kant: als je een beetje stevig in je schoenen staat, dan waait drugsgebruik op jonge leeftijd wel over.»

Moet je niet als deejay je verantwoordelijkheid nemen en er eens wat over zeggen in je programma?

«Nee, joh! Dan ben ik opeens een ouwe lul geworden en nemen jongeren helemaal niks meer van me aan. Dat werkt niet, kijk maar naar Van Geel en Tiësto. Nee, dit zal wel weer zo’n periode zijn. Mensen moeten het zelf weten. Experimenteren hoort bij jong zijn. Het past ook bij de verharding die je onder jongeren ziet. Als iemand het niet redt, dan maar niet. Dat is de rauwheid waarin we leven.» Peinzend: «Maar het blijft link, de hoeveelheid dope die er doorheen gaat.»

De rauwheid in zijn eigen leven kwam drie jaar geleden in verkiezingstijd, uit de loop van een pistool. Hij had zojuist Pim Fortuyn geïnterviewd. Toen hij met hem naar buiten liep, schoot Volkert van der G. zijn wapen leeg. De Wild liep naast hem; achteraf bleek er een kogelgat te zitten in de tas die hij in een reflex voor zijn gezicht hield. Fortuyn pakte nog even zijn arm vast, «maar tussen schot drie en vier raakte ik hem kwijt». Het was het breekpunt in zijn leven.

Je hoort vaak van mensen die onder vuur gelegen hebben dat ze daardoor hun jeugd verliezen, hun naïviteit. Hoe was dat bij jou?

Ruud de Wild: «Dat herken ik. De moord is het moment geweest waarop ik volwassen ben geworden. Nu pas weet ik: ik had het niet willen missen. De moord wel, natuurlijk. Maar niet wat er daarna met mij is gebeurd.»

Aanvankelijk gleed hij weg in een persoonlijke crisis. «Ik ging gekke dingen doen. Ik had iets suïcidaals in me, al ben ik daar eigenlijk te laf voor. Drie weken na de moord kocht ik een motor. Hard rijden, gevaarlijk. Met windkracht acht ging ik in het bos wandelen in de hoop dat ik een tak op m’n kop kreeg. Ik wilde eruit maar het lukte niet. Ik ben acht maanden flink in de war geweest. Het heeft me mijn huwelijk gekost. Het is voor Tatum (Dagelet – jb) afschuwelijk geweest met iemand samen te wo nen die alleen met zichzelf bezig was.»

Nu, jaren later, beseft hij dat de ervaring hem wijzer heeft gemaakt. «Voor de moord leidde ik een zorgeloos, mondain, plastic leven. Plaatjes draaien, cabrio’s, veel geld, uit in Londen en New York. En ineens moest ik mens worden. Dat heeft me in alle opzichten goeds gebracht. Vrienden zien me weer als de Ruud van vroeger. Ik ben gaan voelen. Ik ben niet zachtaardiger geworden, dat is het niet. Sommigen vinden me een grotere lul dan vroeger. Het verschil is dat dat me niet meer boeit. Vroeger was ik veel meer bezig met mensen tevreden stellen.

Het had te maken met de dood in de ogen kijken. Zo makkelijk is het dus. Poef en je bent weg. Waar ik de meeste moeite mee heb gehad is dat geen enkel kader meer toepasbaar is. Het clubje om mij heen werd heel klein, want er zijn maar weinig mensen die zich kunnen voorstellen wat dit met je doet. Het vriendje van een vriendin kwam destijds naar me toe. Hij was militair geweest in het Israëlische leger. Hij zei: ‹Ik heb het zien gebeuren bij vrienden. De trekker overhalen betekent een nieuwe wereld.› Kijk, dacht ik, dát snap ik. Er vlakbij staan als iemand anders dat doet met de dood als gevolg, opent óók een nieuwe wereld.

Ik ben gaan boksen en overwon zo een grote angst. Je wordt geslagen! De eerste tik is het allerergste. Daarna wordt het steeds makkelijker. Naarmate ik fysiek meer kon hebben, kon ik ook geestelijk meer aan. De keuze is simpel: of je komt erbovenop, of je gaat eronderdoor. Pas als je kiest erbovenop te komen, ga je dingen aan die iedereen eigenlijk liever uit de weg gaat, omdat ze je kwetsbaar maken. Dát is de stap naar volwassenheid. Als je geen klappen hebt gekregen in je leven, hoef je niet na te denken. Zoveel mensen leven voor de vuist weg. Bij hun vader en moeder wonen, trouwen, kantoorbaan, kinderen en dat is het dan. Daar krijg ik het Spaans benauwd van.»