Uruzgan en de betrekkelijkheid van een opbouwmissie

‘Dit is een uitputtingsoorlog’

Nederland doet het goed in Uruzgan, stellen Afghaanse onderzoekers. Maar op nationaal niveau erodeert de democratie. Moet Nederland blijven of gaan in 2010?

Medium uruzgan

‘HET GAAT ALTIJD GOED in Uruzgan’, zegt Wim van den Burg. ‘Als het rustig is zegt Defensie: dat komt omdat we het goed doen. Als het onrustig is heet het dat de Taliban reageren op militaire druk: óók goed voor de veiligheid. Dat praatje geloven wij dus niet meer.’
Sinds de voorzitter van ’s lands grootste militaire vakbond AFMP/FNV twee weken geleden openlijk zijn twijfels uitte over de Nederlandse aanwezigheid in Afghanistan is de toon van de discussie verhard. Voor de AFMP is een verlenging van de missie in 2010 onbespreekbaar als de huidige machthebbers in Afghanistan aanblijven. Voor Van den Burg is het onverteerbaar dat president Hamid Karzai gefraudeerd heeft bij de presidentsverkiezingen van vorige maand, zoals de verdenking luidt. Bovendien werkt Karzai samen met wrede krijgsheren, bekrachtigt hij vrouwonvriendelijke wetgeving en beknot hij de persvrijheid. ‘De beoogde democratisering raakt steeds verder uit zicht, we zien het missiedoel vertroebelen. Onze regering moet zich afvragen of dit nou het doel was waarvoor 21 Nederlandse militairen moesten sneuvelen’, aldus de vakbondsvoorzitter in De Telegraaf.
Defensie reageerde fel. Staatssecretaris Jack de Vries deed voorkomen alsof de krijgsmacht een dolk in de rug werd gestoken. Hij vond het ‘onbegrijpelijk’ en ‘ongepast’ dat de AFMP de militaire aanwezigheid bediscussieert. ‘De Nederlandse militairen hebben tijdens de zware missie in Uruzgan alle steun uit Nederland nodig, juist van de militaire vakbonden’, zei hij.
‘Niet alleen goedkoop, maar ook smerig’, noemt Van den Burg die reactie tegenover De Groene Amsterdammer. ‘Ik heb al in mijn eerste opmerkingen de onvoorwaardelijke steun voor de militairen in Afghanistan uitgesproken. Het gaat ons erom dat een eventueel besluit om te verlengen niet op dezelfde manier wordt doorgedrukt als in 2007. Dat besluit was voorgekookt. Nu moeten alle argumenten op tafel. En dan zeggen wij: je kunt niet doorgaan met het steunen van een corrupt regime in Kaboel.’

MET WIM van den Burgs politieke voelsprieten is niets mis. Anderhalve week na zijn kritiek liet minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen blijken dat er wat hem betreft ruimte is voor een langer verblijf in Uruzgan dan de deadline van augustus 2010. In 2007 werd besloten dat dan Nederlands rol als leading nation in Uruzgan eindigt. Enkele dagen later meldden kringen rond het kabinet dat ook defensieminister Eimert van Middelkoop akkoord zou gaan met een verlenging, mits in afgeslankte vorm.
Opnieuw dreigt nu een fel debat over de inzet van militairen in Afghanistan, waar jaar na jaar de strijd heviger wordt. Het eerste debat vond begin 2006 plaats, het tweede in de zomer van 2007, toen ook in Uruzgan hard werd gevochten. De missie raakt velen – in de afgelopen drie jaar zijn al zo’n vijftienduizend militairen uitgezonden en menigeen staat op de rol voor een tweede tour. Hun tienduizenden dierbaren vormen een steeds kritischer thuisfront.
Maar Van den Burg weet uit gesprekken met zijn leden dat er grote twijfels heersen onder militairen: ‘Zeker als er, zoals onlangs, kort na elkaar twee collega’s sneuvelen, vragen velen zich af of dat het wel waard is. Maar vooral degenen in leidinggevende posities spreken hun twijfels niet in het openbaar uit. Dat zou een enorm effect hebben op het moreel van de troepen.’
In april voerde het tv-programma Rondom 10 een representatief onderzoek uit onder militairen. Veertig procent vond dat een te hoge prijs werd betaald met, toen nog, negentien doden. Een even groot percentage vond dat Nederland na augustus 2010 uit Uruzgan moet vertrekken. Een jaar eerder bleek al uit een onderzoek in opdracht van Pauw & Witteman dat 51 procent van de Nederlandse officieren de missie ‘niet zinvol’ vond. Bijna driekwart van hen meende dat politici geen goed beeld hadden van Afghanistan en 63 procent voelde zich door de politiek niet gesteund. Het zijn alarmerende cijfers: blijkbaar vindt een meerderheid van de officieren, van wie velen Afghanistan uit ervaring kennen, dat hun politieke bazen het onmogelijke eisen. De enquête-uitslag werd weggewuifd door Van Middelkoop.
De steun onder militairen blijkt nog lager te zijn dan die onder de bevolking. Onderzoek van Defensie wijst uit dat de steun van de Nederlanders voor de militairen toeneemt, terwijl het vertrouwen in de missie daalt. ‘Dat kan erop duiden dat veel mensen denken dat de regering de militairen en de samenleving maar wat op de mouw speldt over de missie’, meent Van den Burg. In augustus was 57 procent van de bevolking trots op de militairen, terwijl maar 32 procent voorstander van de missie was. 37 procent sprak zich uit tegen de missie. Sinds het begin van de Uruzgan-operatie drie jaar geleden daalt het aantal voorstanders en stijgt de tegenstand. Het is een langzaam proces, maar het lijkt onomkeerbaar.
Met het verdampen van de steun eroderen ook de doelstellingen. ‘Wij hebben een strategisch en moreel belang bij het vestigen van een welvarende en vreedzame democratie in Afghanistan’, zei ex-president George Bush. Zijn opvolger Barack Obama is minder stellig. In een commentaar op de frauduleus verlopen verkiezingen, met bovendien een rampzalige opkomst van nog geen 38 procent, zei hij dat we ‘Afghanistan niet kunnen herbouwen in een jeffersonian democracy’. In Nederland klonken bij het begin van de missie nog hoopvolle uitingen over de democratisering van Afghanistan als waarborg voor veiligheid, stabiliteit en wederopbouw. Twee weken terug zei staatssecretaris De Vries echter: ‘We moeten niet denken dat we van Afghanistan een westerse democratie kunnen maken. Dan zijn we met irreële doelstellingen bezig.’

OVER IRREËLE DOELSTELLINGEN gesproken: onderzoek van Defensie geeft aan dat slechts zeven procent van de bevolking gelooft in die andere doelstelling: dat de missie de dreiging van terroristische aanslagen in Nederland kleiner zal maken. Afgelopen week bevestigde Paul R. Pillar, de voormalige nationale inlichtingenofficier van de CIA in het Midden-Oosten, nog eens dat dat idee onzinnig is. Aanslagen kunnen op vele plaatsen worden voorbereid. Al-Qaeda heeft zijn terreurkampen nu in Pakistan.
Toch was juist dat ‘voorkomen dat Afghanistan opnieuw afglijdt tot een vrijplaats voor antiwesterse terroristen’ het enige concrete doel van de Amerikaanse aanval na de aanslagen van 11 september 2001. Al-Qaeda en de Taliban moesten worden uitgeschakeld. Hoe is het daarmee?
In 2007 publiceerde Antonio Giustozzi, onderzoeker aan de Crisis States Research Center van de London School of Economics and Political Science zijn boek Koran, Kalashnikov and Laptop: The Neo-Taliban Insurgency in Afghanistan. ‘Het gaat een stuk beter met de Taliban dan toen mijn boek verscheen’, zegt Giustozzi. ‘Inmiddels hebben ze zich gevestigd in het westen en tot vlak bij Kaboel. Je ziet ook een duidelijke tactische en technologische verbetering. Ze maken zeer professioneel gebruik van IED’s (bermbommen – jb) en tegenwoordig ook van sniper-wapens. Zelfmoordcommando’s zijn hun equivalent van westerse precisiebombardementen. Hun hinderlagen worden gevaarlijker en professioneler. Die verbeteringen zijn waarschijnlijk op het conto te schrijven van buitenlandse al-Qaeda-strijders. Dat zou betekenen dat die nu veel beter geïntegreerd zijn in het commandosysteem van de Taliban en dat is een zeer gevaarlijke ontwikkeling voor de Navo en de VS. Er vallen meer dodelijke slachtoffers onder westerse militairen, hetgeen gevolgen heeft voor de steun van de missie in de thuislanden. Dit is een oorlog die niet gewonnen zal worden door veldslagen. Dit is een uitputtingsoorlog.’
Volgens Giustozzi begint nu pijnlijk duidelijk te worden dat het echte probleem van het Westen op strategisch gebied ligt: ‘Het lukt al die militaire partners maar niet om overeenstemming te bereiken over een overkoepelende strategie. Maar zonder strategie kun je geen oorlog winnen.’ De Amerikaanse bevelhebber in Afghanistan generaal Stanley McChrystal vergeleek zijn strijdmacht met een gewonde stier die bij elke nieuwe aanval ernstiger verzwakt. Vorige week lekte uit dat hij dertigduizend extra troepen nodig heeft, boven op de 21.000 mariniers die Obama al heeft gestuurd. Giustozzi: ‘De VS zijn bezig met een gevaarlijke escalatie. Juist omdat er geen strategie is, pompen ze meer en meer troepen in het land, maar niemand weet hoe die het beste te gebruiken.’
In Koran, Kalashnikov and Laptop schreef Giustozzi dat Karzai de bevolking tegen de Taliban moest mobiliseren als laatste kans om de democratie te redden en de opstandelingen te verslaan. Nu hij in zee is gegaan met de gehate krijgsheren is die kans verkeken. Maar er zijn meer manieren om de Taliban terug te dringen, zegt Giustozzi nu, al zullen die de democratie niet ten goede komen: ‘Karzai wil de gevechtskracht van de krijgsheren en hun illegale milities gebruiken tegen de Taliban. Europa beziet dat met afschuw, want veel krijgsheren hebben de mensenrechten geschonden. De Amerikanen zijn realistischer. Het is te laat om vast te houden aan democratische principes. Er moet een keuze gemaakt worden, hoe hardvochtig dat ook is. Zoals het nu gaat, gaat het onherroepelijk mis.’
Karzai is niet de hoofdschuldige voor het democratische falen. Al sinds het verdrijven van de Taliban bouwt de internationale gemeenschap met de ene hand de democratie op en breekt ze haar met de andere weer af. Er wordt om het hardst geroepen dat alleen democratie Afghanistan kan stabiliseren; er worden miljoenen gepompt in het organiseren van verkiezingen. Tegelijkertijd paaien de Amerikanen, maar zij niet alleen, de krijgsheren met koffers vol dollars, om te voorkomen dat ze met hun milities overlopen naar de Taliban. In een interview met Der Spiegel liet Karzai doorschemeren dat hij geen andere keuze had dan terug te vallen op de krijgsheren. ‘Ik geef u een voorbeeld’, zei hij. ‘Wij wilden een werkelijk verschrikkelijke krijgsheer arresteren. Maar dat was onmogelijk, omdat hij door een bepaald land wordt beschermd. We kwamen erachter dat hij dertigduizend dollar per maand ontving, alleen om hem te vriend te houden. Ze gebruikten zelfs zijn soldaten als lijfwachten.’
Ook de manier waarop de hulpgelden worden besteed ondermijnt Karzai’s macht. De bevolking keerde zich van de president af wegens de ineffectiviteit van zijn regering. Maar die ineffectiviteit wordt in stand gehouden omdat de meeste donorlanden uit angst voor overheidscorruptie hun gelden niet in de Afghaanse schatkist storten, maar buiten de regering om besteden. Juist dat heeft, door gebrekkige internationale controle, de corruptie doen exploderen. Opbouwprojecten worden nu door de Afghanen beschouwd als het werk van buitenlanders én geassocieerd met corruptie. Karzai staat met lege handen langs de zijlijn. Giustozzi: ‘Hoe langer de Afghanen hun regering als onmachtig beschouwen, hoe meer ze de Taliban-opstand beschouwen als een rechtvaardige strijd tegen de buitenlanders.’ Nederland behoort overigens tot een selecte groep landen die deze desastreuze spiraal trachten te doorbreken door hulpgelden te storten in een door de Wereldbank gecontroleerd trustfonds waaruit de regering kan putten.
Op de overkoepelende strategie hebben de Nederlanders in Uruzgan nauwelijks invloed. Ze lijken intussen verstrikt te zijn geraakt in hun eigen succes. Eind vorige week verscheen een rapport van de Tribal Liaison Office (TLO), een Afghaanse onderzoeksgroep die bij het begin van de missie al eens de sociaal-politieke situatie in Uruzgan onderzocht. Het nieuwe rapport, geschreven in opdracht van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, behandelt de resultaten van drie jaar Nederlandse inzet in de provincie. Medewerkers van de TLO voerden meer dan tweehonderd gesprekken met inwoners, stamleiders en overheidsfunctionarissen.
De resultaten: in vergelijking met 2006 is de veiligheid aanmerkelijk toegenomen, de economie op gang gekomen, zijn onderwijs en gezondheidszorg sterk verbeterd en is er weer iets van perspectief ontstaan voor de straatarme provincie. Daar staat tegenover dat het lokale bestuur, ondanks verwoede pogingen van de Nederlanders, nog steeds belabberd is: de opbouw wordt niet geassocieerd met de Afghaanse overheid, maar met de buitenlanders. De bevolking is positief over de Nederlanders, maar vreest dat de situatie verslechtert als zij vertrekken. In de overheid heeft ze geen enkel vertrouwen. De Nederlanders bereiken ongeveer vijftig procent van de bevolking (ongeveer 160.000 mensen). De rest leeft in districten waar de Taliban heersen.
Het relatieve succes maakt een verlengingsbesluit niet gemakkelijker. Als Nederland vertrekt zonder opvolger die net zo behoedzaam opereert, storten de opbouwprojecten in. Volgens velen zal dan het bloed van Nederlandse militairen voor niets zijn vergoten. Blijft Nederland, dan kan de situatie in de provincie nog verbeteren, maar dat helpt niets aan de democratische crisis op nationaal niveau. Ook dan zullen gepikeerde reacties van Defensie niet kunnen verhullen dat de Nederlandse krijgsmacht niet bijdraagt aan de internationale rechtsorde, zoals artikel 97 van de grondwet voorschrijft.
Masood Karokhail, deputy director van de TLO, had niet verwacht dat de Nederlanders goede resultaten in Uruzgan zouden boeken. Toen hij voor het eerst in Tarin Kowt kwam, kon hij niet het stadje uit. De Taliban beheersten alle vlaktes, alle wegen en de bergen en dalen. ‘Ze beschoten Tarin Kowt vanuit de boomgaarden aan de stadsrand met mortieren. Ze waren heel dicht bij een overwinning.’
Volgens Karokhail blijken het uitbouwen van lokale projecten en het bieden van hulp ‘onder de radar’ succesvoller dan grote militaire offensieven die vaak gepaard gaan met burgerslachtoffers. ‘De Nederlanders zijn meesters in het omgaan met lokale rivaliteiten. Ze hebben veel tijd gestoken in het begrijpen van de machtsverhoudingen. Daardoor is het in de gebieden die ze controleren redelijk veilig. We merken nu dat mensen wegtrekken uit Taliban-gebieden en zich vestigen in de buurt van regeringscentra.’
Maar het succes zal beperkt blijven, want Uruzgan kan nauwelijks invloed uitoefenen op de rest van Afghanistan. Het is eerder andersom. Karokhail: ‘Na de verkiezingen met alle fraude, wordt de nationale regering meer dan ooit geassocieerd met machtsmisbruik. Dat is desastreus voor het lokale gezag in Uruzgan dat wordt aangesteld door Kaboel.’
Antonio Giustozzi verwacht niet dat Nederland nog militair actief zal blijven in Uruzgan: ‘Eigenlijk is er behalve de VS niet één land dat niet graag zijn militairen uit Afghanistan zou terughalen. Je ziet de signalen: veel landen zeggen na te denken over het verhogen van hun hulpbijdragen, in ruil voor het verminderen van hun troepensterkte. Andere landen richten zich liever op het trainen van de politie en het leger in plaats van op gevechtsacties tegen de Taliban. Europese landen kunnen zich nu eenmaal niet verenigen met het gebrek aan democratie. Daarvoor willen zij hun militairen niet opofferen.’
Masood Karokhail hoopt dat de Nederlanders niet helemaal weggaan: ‘Ze hebben steeds gezegd dat ze niet kwamen om oorlog te voeren, maar om mensen te helpen. Nu kunnen ze bewijzen dat ze dat meenden. Ik hoop dat ze nog een provinciaal reconstructieteam zullen bemannen en hun Uruzgan-expertise op het gebied van hulpverlening zullen gebruiken. Dat zou getuigen van een eerlijk buitenlands beleid.’

Foto (detail) Evert-Jan Daniëls / HH
Bijschrift: Mirweis/Chora, juli. Nederlandse militairen van de luchtmobiele brigade in gesprek met een lokaal stamhoofd op patrouille in het gebied rond Kowtal