Strafadvocatuur. Een balanceer-act

‘Dit is eigenlijk zo’n schmutzige wereld’

Het verdedigen van een topcrimineel brengt risico’s met zich mee, en niet alleen fysiek. Hoe voorkom je als strafadvocaat dat je onder druk van een cliënt over ethische of juridische grenzen gaat?

Bloemen voor het kantoor van de doodgeschoten advocaat Derk Wiersum, de raadsman van kroongetuige Nabil B, Amsterdam, 20 september © Robin Utrecht / HH

Toen advocaat Derk Wiersum de verdediging van kroongetuige Nabil B. aannam, gaf zijn kantoor in Haarlem hem te kennen daar grote moeite mee te hebben. Een riskante zaak, zo was de inschatting, waar niemand op zat te wachten. Wiersum zette door, verliet begin dit jaar het kantoor, begon voor zichzelf en heeft daar de hoogste prijs voor betaald. ‘Hij liet zich leiden door zijn advocatenhart’, zei collega Jillis Roelse, die hem goede kende, in een reactie op de moord. ‘Wiersum zag in deze cliënt iemand die heel erg zijn hulp nodig had, en voor wie hij wat kon betekenen.’

In extreme vorm is manifest geworden hoe strafadvocaten achter de schermen kunnen worstelen met hun positie. Je wil niet wijken voor intimidatie, maar je wil ook onafhankelijk en zonder angst verdachten bijstaan in de rechtszaal. Die rol is nu zwaar onder druk komen te staan; de juridische spelers in het proces tegen Ridouan T. moeten worden beveiligd en strafadvocaten twijfelen openlijk aan het verdedigen van kroongetuigen vanwege persoonlijke en zakelijke overwegingen, zoals het voormalige kantoor van Wiersum liet blijken.

De relatie tussen strafrechtadvocaat en verdachten die diep in het criminele circuit zitten, is een balanceer-act, die ook ethische dilemma’s met zich meebrengt. Zoals te veel vereenzelviging met de cliënt en de valkuilen van het geld. Of onder druk van fysieke bedreiging gemanipuleerd worden om het proces te sturen of iets buiten de rechtszaal te ‘regelen’.

‘Strafrechtadvocaten weten al langer dat ze ook zonder bijstand aan kroongetuigen groot gevaar kunnen lopen’, schreef strafadvocaat Peter Plasman in een artikel in NRC Handelsblad vlak na de moord op zijn collega. ‘Vanaf nu is dat gevaar heel concreet: levensgevaar.’ Hij beschrijft hoe advocaten moeten laveren tussen wet, gedragsregels en de eigen veiligheid. ‘Een adequate verdediging van meneer A kán betekenen dat meneer A naar meneer B moet wijzen. Later kan meneer A in zijn eigen kring vertellen dat hij dat van zijn advocaat moest doen.’ En: ‘Meneer C wil per se voor zijn alibi een meinedige getuige laten opdraven, de advocaat weigert. De advocaat krijgt uit de organisatie het dringende verzoek om ervoor te zorgen dat zijn cliënt de kaken stijf op elkaar houdt, maar daar wil de advocaat niets van weten. De ultieme sanctie voor de advocaat is nu bekend.’

Hoe vaak advocaten uit onwetendheid, eigen keuze, of gedwongen door de omstandigheden de grens van wet en gedragsregels overschrijden is onbekend. Schattingen zijn dat het gaat om drie procent van de beroepsgroep van ruim zeventienduizend advocaten; mogelijk kan deze verhouding worden geëxtrapoleerd naar de strafadvocatuur.

Dit jaar haalden Stijn Franken, voormalig advocaat van Willem Holleeder, en Bénédicte Ficq, advocaat van Dino S., het nieuws omdat Ficq in 2011 namens haar cliënt een verzoek zou hebben overgebracht dat als een bedreiging werd ervaren, en Franken tegen de regels in zijn cliënt zijn speciale advocatentelefoon uitleende om met misdaadjournalist Peter R. de Vries te praten. Het liep, na onderzoek door de Amsterdamse deken, met een sisser af, maar het illustreert dat strafadvocaten over de rand van de formele regels en mores van hun vak kunnen gaan. Hoe ver ga je in je partijdigheid? Waar ligt de grens tussen het belang van de cliënt en het publieke belang? Niet afglijden vergt een goed moreel kompas.

Het is daarom des te schokkender dat juist een advocaat die volgens zijn collega’s gedreven en integer was en beschikte over dat morele kompas, is geliquideerd. Deze aanslag op de rechtsstaat heeft duidelijk gemaakt dat strafpleiters al langer worden geconfronteerd met een ander type cliënt dan in de tijd dat de strafadvocatuur opkwam.

Een halve eeuw geleden was het strafrecht een terrein voor losers, met daartussen een enkele uitblinker. Sindsdien is het vak mee ontwikkeld met de opkomst van de georganiseerde, internationaal opererende misdaad. In het boek De bokser (2018) staat hoe het er in het verleden aan toeging. Daarin beschrijft misdaadverslaggever Marcel Haenen de levensgeschiedenis van de roemruchte strafpleiter Max Moszkowicz. In de tijd dat hij zijn kantoor opende in Maastricht, eind jaren vijftig, was de advocatuur een kleine, beschaafde wereld van ons kent ons. Het gebied waar Moszkowicz zich op toelegde had daarentegen een minder deftig imago; het werd gezien als een ordinair beroep waar de meeste advocaten zich niet aan waagden. Strafzaken werden op advocatenkantoren meestal overgelaten aan stagiaires en het intellectuele niveau was mager. Je kon er nauwelijks iets mee verdienen en er werd op neergekeken: voor intellectuele hoogstandjes moest je in het civiele recht zijn. ‘Het stigma dat de strafrechtadvocatuur in de krochten van de onderwereld onvermijdelijk zelf besmet raakt, zal nog lang aan ze kleven’, schrijft Haenen.

De strafrechtadvocatuur emancipeerde tegelijk met de georganiseerde misdaad

Hij schetst een adembenemend beeld van de advocatenpraktijk van de eigenzinnige éénpitter. In de rechtszaal is Moszkowicz een charmant en scherp redenaar met de timing van een acteur. Menige rechter, officier van justitie en toeschouwer hangt aan zijn lippen. Op kantoor bulkt intussen het contante geld uit de dossiers. Het binnenstromende zwarte geld en het uitgavenpatroon – dure auto’s, horloges, juwelen, vastgoed – doen soms denken aan de onderwereld die bij hem vaste klant was.

Wat is er tussen toen en nu veranderd? De geschiedenis van de huidige Balie, de beroepsvereniging van advocaten, valt samen met de opkomst begin jaren zeventig van de ‘sociale advocatuur’. Dat was een reactie op een in het studentenblad Ars Aequi gesignaleerde leemte in de rechtshulp. Mensen met weinig geld, onder wie de doorsnee verdachte, werden niet goed bijgestaan. Blijkbaar was de tijd rijp voor verandering, want begin jaren zeventig gebeurde er ineens van alles tegelijk. De Rotterdamse hoogleraar strafrecht Louk Hulsman en zijn Utrechtse collega Toon Peters richtten samen met studenten de vereniging voor strafrechthervorming de Coornhert-Liga op. Het peil van de rechtshulp aan verdachten kreeg een boost uit de wetenschap. Peters kwam met zijn oratie Het rechtskarakter van het strafrecht, Hulsman met het rapport Verdediging in de aanval. Jonge juristen voelden zich deel van een nieuwe beweging, ze putten er inspiratie uit.

Leo Spigt behoorde tot de eerste generatie sociale strafadvocaten. Hij herinnert zich het verschil met de oude garde strafpleiters: ‘Wij gingen de wet echt uitpluizen en kijken of er wel genoeg bewijs was. We waren broekjes, kwamen net binnen, en dan hoorden we al die grote strafpleiters staan schmieren over hoe zielig de verdachten waren in plaats van te praten over de kwaliteit van het bewijs’, zegt hij. Veel kwam volgens hem in die tijd overwaaien uit Amerika, zoals ideeën over due process (eerlijk proces) en de noodzaak van een verdediging op het scherp van de juridische snede. Immers: tegenspraak houdt de andere procesdeelnemers fris. Het was pionieren uit idealisme: het de rechter zo moeilijk maken, zodat hij pas na veel wikken en wegen kon besluiten dat het opleggen van straf gerechtvaardigd was.

Maar de strafrechtadvocatuur emancipeerde zich tegelijkertijd met de uitdijende georganiseerde misdaad. En wat in de begintijd nog werd gezien als interessante nieuwe invalshoek, kwam nu, door de verharding in de onderwereld, onder druk te staan van de publieke opinie.

Zo was ook uit Amerika overgewaaid dat de politie in de rechtszaal werd afgerekend op misbruik van macht. Als er tijdens een huiszoeking bewijs werd gevonden, hamerde de verdediging erop dat dit alleen mocht meetellen als de huiszoeking voldeed aan de wettelijke regels. Rechters zagen de noodzaak van het tot de orde kunnen roepen van wilde politieacties wel in, maar het publiek begreep er weinig van. Dat publiek werd goed op de hoogte gehouden, omdat de media hadden ontdekt dat het strafrecht een interessante nieuwsbron was geworden. Grote krantenkoppen met ‘moordenaar vrij door vormfouten’ legden de bal bij de advocatuur.

Peter Plasman, die eind jaren tachtig advocaat werd, zegt dat in die tijd de grote omslag in zijn vak door de media werd veroorzaakt. ‘De advocatuur had als reactie: vanaf nu zijn wij zélf in de media. Sinds die tijd zijn advocaten niet meer uit de media verdwenen. Het is alleen maar toegenomen, want vroeger had je geen talkshows.’

Tijdens de beruchte Hakkelaar-zaak (1996) leek het te escaleren. Johan V. stond terecht op verdenking van internationale handel in miljoenen kilo’s hasj. Maar rondom het proces ging het nauwelijks over de strafbare feiten, aldus de Volkskrant indertijd: ‘Het klimaat rond de rechtszaak werd gedomineerd door andere kwesties: het deugen van kroongetuigen, de ongekende beveiligingsmaatregelen en de spraakmakende optredens van zowel verdediging als Openbaar Ministerie. Justitie zette zelfs een pr-adviseur in.’

Een dreamteam van advocaten, onder wie Gerard Spong, stond de hoofdverdachten bij, wat hem kwam te staan op de typering ‘advocaat van gore zaken’. Hij zou een exponent zijn van de nieuwe school die behept was met een juridisch-technocratische taakopvatting en zich eenzijdig toeleggen op het pootje lichten van politie en justitie. Spong vond dat ‘kletskoek’, want een van de kernwaarden van een advocaat is de opdracht om partijdig te zijn. Het debat liep hoog op, met aan beide zijden coryfeeën in het recht.

Hoe verhoudt de persoonlijke moraal van een advocaat zich tot zijn vak?

Op het oog won Spong, in 1996 net gelauwerd als beste strafpleiter van Nederland, het pleit. Maar er hoeft maar iets te gebeuren of de discussie laait weer op. De advocaat krijgt het verwijt zand te strooien in de raderen van justitie. De strafrechtadvocatuur is inmiddels zo volwassen en georganiseerd dat publieke reacties van die kant niet uitblijven. Maar in die reacties lijkt ook iets essentieels te ontbreken: advocaten hebben een maatschappelijke functie die noopt tot ‘betamelijkheid’, aldus de gedragsregels. In het publieke debat krijgt dit weinig aandacht. Wat is de grens aan een partijdige opstelling? Wat is de relatie tot andere gedragsregels, zoals integriteit? En hoe verhoudt de persoonlijke moraal van een advocaat zich tot wat hij in zijn vak tegenkomt?

‘Er zijn persoonlijke grenzen’, zegt advocaat Hendrik Jan Biemond, die ook enige jaren officier van justitie was. ‘Als je die te vaak tegenkomt, kun je dat werk niet doen. Ik stond lang geleden op een zitting waar de cliënt mij had bekend: “Ik deed die bankoverval.” Er was eigenlijk geen bewijs voor, dus ik moest bij de rechtbank betogen: er is geen bewijs. Dat deed ik natuurlijk. Maar ik vond het moeilijk. Met het commune strafrecht ben ik ook gestopt. Ik dacht: ik ben hier dus niet goed in. Want deze man heeft er recht op dat hij wordt berecht volgens de regels van het Nederlandse strafrecht. En in ons rechtsstelsel is partijdigheid juist dé kernwaarde van de advocatuur.’

Toch blijft dan de vraag: zou het niet vaker voorkomen dat die persoonlijke grens is bereikt? En andersom: als advocaten vanuit de kernwaarde partijdigheid te werk gaan, is er dan niet het gevaar dat het juridisch-technische aspect het menselijke overstemt? Leo Spigt heeft een verharding zien optreden. ‘Het werd steeds feller. Persoonlijke uitvallen naar de recherche, niet meer twee partijen die samen justitie plegen maar: wie wint er. Het gaat nu om winnen.’

Een andere heikele kwestie is de betaling van strafrechtadvocaten. De staat sprong vanaf de jaren zeventig bij door gefinancierde rechtshulp te faciliteren: onder meer elke verdachte die in voorlopige hechtenis wordt genomen kan er aanspraak op maken. Dat geldt dus net zo goed voor topstukken uit de criminele wereld. Die hebben mogelijk miljoenen zwart geld, maar er staat niets op de bank. Zo worden de advocaten van Holleeder betaald via een toevoeging, hebben ze onlangs laten weten. Door de langdurige processen tegen topcriminelen kunnen hun advocaten blijkbaar (goed) leven van deze inkomsten. Maar hoe verhoudt zich dat tot de bijstand aan andere verdachten, onder wie gewone burgers die voor het eerst van hun leven met justitie in aanraking komen? Plasman spreekt over ‘het leegeten van de toevoegingspot’. Hij vindt dat daar meer aandacht voor moet zijn, gelet op de drastische bezuinigingen op de gefinancierde rechtshulp.

Verdachten kunnen er óók voor kiezen hun advocaat zelf te betalen. Criminele kopstukken hadden al in de jaren negentig winsten van tientallen miljoenen guldens, geld dat ook wordt gebruikt om zich te laten bijstaan door gespecialiseerde juridische raadslieden. In De bokser staat dat de drugshandel volgens de voormalige Rotterdamse politieman en latere baas van het Openbaar Ministerie, Gerrit van der Burg, leidt tot ‘de opkomst van duurdere advocaten’. En niet alleen de oude Moszkowicz, door zijn voormalige kantoorgenoot Piet Doedens getypeerd als ‘een handelaar in recht’, krijgt van cliënten grote bedragen aan contant geld, aldus Haenen. Spong zegt in het boek dat hij dat ook meemaakt. ‘Het was de tijd dat cliënten rustig vijftien- of twintigduizend gulden op je kantoor kwamen brengen.’

Uiteindelijk kwam het Openbaar Ministerie in actie. Een bekende Haagse strafadvocaat werd opgepakt voor heling, omdat hij kon vermoeden dat het grote bedrag aan contant geld dat hij had aangenomen van een misdrijf kwam. De Balie was in rep en roer. Elke verdachte heeft recht op verdediging, maar een verdachte heeft nu eenmaal lang niet altijd een bankrekening, werd van die zijde benadrukt. Er volgde overleg tussen advocatuur en Openbaar Ministerie. De uitkomst was de Bruyninckx-richtlijn (1995): voor heling zal geen advocaat meer worden vervolgd. Voorwaarde is sindsdien wel dat de geldbewegingen voor het betalingsverkeer bij de advocaat giraal moeten plaatsvinden. Oftewel: zakken vol geld op het kantoor afleveren is verleden tijd. Behalve als het gaat om relatief kleine bedragen – momenteel maximaal vijfduizend euro – is de route die een potentiële cliënt moet volgen: het geld overmaken naar het advocatenkantoor.

Betekent dit dat de geldstroom van een crimineel topstuk richting advocatenkantoor zichtbaar wordt, van zwart verandert in wit? Nee. Uit gesprekken met Plasman en oud-deken Germ Kemper wordt duidelijk dat de betalingsregel zo wordt uitgelegd dat het niet uitmaakt wie het geld stort, als het maar via een bank op het advocatenkantoor binnenkomt. ‘Er is niets wat dit verbiedt. Er kan altijd iemand anders voor je betalen, je oma, een vriend’, aldus Kemper. En Plasman zegt: ‘Als ik een betaling binnenkrijg van een autogarage in Oost die zegt te betalen voor Pietje Puk, dan komt het op mijn bankrekening binnen.’ Emeritus hoogleraar advocatuur Floris Bannier heeft hier meer moeite mee. ‘Dat lijkt mij niet goed, het is niet de strekking van die voorwaarde. Mijn probleem is dat derden die betalen invloed kunnen krijgen op het strafproces en op de rol van de advocaat. Wiens brood men eet…’

Wie de regels wil ontduiken, kan dat nog altijd doen, maar overtreedt dan de gedragsregels met het risico dat het uitkomt. ‘Er zijn allerlei verhalen in omloop, criminelen praten met de politie, in cafés, over de telefoontap. Het is eigenlijk zo’n schmutzige wereld’, zegt Plasman. De etalage van zijn kantoor in Amsterdam-Zuid staat sinds ‘18/9’ op zwart, met groot de woorden ‘Derk Wiersum’ en ‘Rechtsstaat’.

Het strafrecht is in de afgelopen decennia professioneler geworden, de concurrentie is hard en er wordt door sommigen veel geld verdiend, terwijl anderen te kampen hebben met een slinkende toevoegingspot. Het werd een sexy vak, dankzij media-aandacht voor grote strafzaken, optredens in talkshows en fictiefilms. In het verleden kon er veel meer dan nu, zo laat De bokser zien. Advocaten hadden in feite een grote vrijheid. Max Moszkowicz werd zo goed als niets in de weg gelegd, mogelijk omdat cliënten niets te klagen hadden en anderen bij een klacht geen belang hadden. In zijn lange loopbaan is hij nauwelijks met het tuchtrecht in aanraking gekomen.

Daarentegen zijn drie van zijn vier zoons die in zijn voetsporen traden na tuchtklachten wél uit het vak gezet. Misschien waren zij minder handig dan hun vader. Overmoediger, brutaler, meer gebrek aan een moreel kompas. Maar het zegt ook iets anders: het toezicht is meegedeind met de professionalisering van het strafrecht. En dat is hoopgevend.


Dit artikel is een inleiding van een onderzoeksserie over advocatuur en ethiek die De Groene zal publiceren. Annerie Smolders is publicist, gastonderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) en oud-rechter