Is cinema rechts of links?

Dit is fictie! Geen traktaat!

Minimale staten en een leven in absolute vrijheid. In films wordt er druk over gefantaseerd. Is de cinema rechts of links?

In zijn verkiezingscampagne appelleerde George W. Bush aan diepgewortelde angsten. Zo gruwden kiezers bijna instinctmatig toen Bush hun het schrikbeeld voorhield van een machtige centrale overheid met vergaande bevoegdheden op het gebied van welzijn en gezondheidszorg. Nu is het melken van de zucht naar individuele vrijheid allerminst een teken van politieke creativi teit. Presidentskandidaten die het evangelie prediken van de minimale staat kunnen rekenen op groot succes. Ook in Europa treedt de overheid terug (met als meest actuele gevolg het spoorwegconflict) en groeit het wantrouwen van de burger wanneer de overheid wel ingrijpt (denk aan de boerenprotesten tegen het ruimen van vee).

Tegelijk zie je de libertaire houding van totale maatschappelijke vrijheid terug in de bioscopen. In films wordt volop gefantaseerd over minimale staten en een leven in absolute vrijheid. In het laatste nummer van het Engelse tijdschrift Prospect verscheen een essay waarin Mark Cousins tracht aan te tonen dat de filmkunst tot op het bot conservatief is. Qua vorm en inhoud is met name de Amerikaanse cinema van na de jaren zestig rechts en libertair. Zelfs de boegbeelden van de linkse cinema — David Lynch, Martin Scorsese, Francis Ford Coppola, Terrence Malick of David Fincher — slagen er niet in ideologisch progressieve kunst te maken. In wezen zijn ze allemaal net zo rechts als Reagan, en zo mogelijk nog erger doordat sommigen zich begeven in het gevaarlijke vaarwater van het «libertarianism».

Cousins gaat verder. Film is «de ultieme rechtse kunstvorm». Want door iets te fotograferen ben je al bezig dat te adoreren, te verheffen. In dit proces triomfeert emotie over rede en komt de «geest van Heidegger» te voorschijn. In navolging van de filmschrijver David Thomson wijst Cousins op het thema van vrijheid in veel Amerikaanse films: de strijd van het individu tegen de wereld. Maar deze viering van vrijheid verandert in een blind libertaire houding: «Met dat idee van vrijheid ontkent men ieder concept van solidariteit of gemeenschap of betrokkenheid bij andere waarden. Het gaat om de vrijheid van rechts.»

Nu kun je je afvragen of kunst zich überhaupt dienstbaar moet maken aan politieke ideologie. Hebben cineasten die rechts niet ondersteunen de morele plicht films te maken die de «vrijheid van links» tentoonspreiden? De vrijheid van de filmmaker heeft echter niet zozeer te maken met ideeën over links of rechts of libertair — als wel met decadentie.

The Gift, Sam Raimi’s gotische spookverhaal uit het Amerikaanse Zuiden, druist regelrecht in tegen heersende ideologieën betreffende vrouwelijkheid, religie, corporatieve macht en de gietvormen van de mainstream-cinema. Over dit laatste: Raimi zelf is de schrik van het culturele establishment wegens zijn beruchte Evil Dead-horrorfilms. Met The Gift toont hij zijn contemplatieve, maar daardoor niet minder decadente kant.

Raimi verweeft op sublieme wijze verhaal en personages met beelden waarin het moerasland langzaam aan de camera voorbijtrekt. Cate Blanchett speelt ijzersterk de rol van Annie Wilson, een waarzegster. Ze heeft drie kinderen, een overleden echtgenoot en een belachelijk lage uitkering, en nog zorgt de staat niet voor haar. Ze leest kaarten voor de inwoners van het dorp om in leven te blijven. Wat haar personage — en de hele film — belangwekkend maakt, is het feit dat ze haar vrijheid combineert met opvattingen over gemeenschapszin en solidariteit. «Je bent het hart van het dorp», zegt een van haar klanten. Het dorp is de westerse maatschappij in het klein: aan de ene kant Annie en haar klanten bestaande uit een bizarre verzameling armen, gestoorden en seksueel mishandelden, en aan de andere kant rijke witte mannen die ongetwijfeld op George W. Bush hebben gestemd en die wonen in grote villa’s in de everglades.

Niets in de film duidt op een verborgen conservatieve politieke agenda. Maar essayist Cousins zou in Annie een reactionair zien, iemand die het net als Clint Eastwoods Dirty Harry opneemt tegen gezagsdragers en «het systeem». Annies strijd om vrijheid is noch egoïstisch noch reactionair. Ze is een onwennige heldin. Haar kracht ligt in haar decadentie: binnen deze strengreligieuze gemeenschap «ziet» ze naakte, verminkte lichamen in de toppen van bomen. Ze onthult de waarheid over de menselijke aard — niet door de bijbel te lezen maar door de krachten van de natuur te gebruiken. Het waarzeggen is een politieke daad: op die manier verwerpt Annie conservatieve normen en waarden.

Evenals in The Gift zijn «family values» ver te zoeken in The Exorcist, William Friedkins film over duivelsuitdrijving die nu draait in een nieuwe regisseursversie. Decadentie en abnormaliteit zijn nog altijd de belangrijkste troeven van deze film. De film is afkomstig uit de Amerikaanse counter culture van de jaren zeventig. Dat is significant, want in zijn essay refereert Mark Cousins juist aan dat tijdperk als het laatste dat echt progressieve films voortbracht. Welnu, toentertijd was de film misschien ondermijnend wegens het blasfemische karakter en het blootleggen van het failliet van de psychiatrie. Vandaag de dag is hij echter nauwelijks nog controversieel. Goed gemaakt, dat wel. Maar angstaanjagend?

Twee recente culturele ontwikkelingen halen de angel uit The Exorcist. Ten eerste weten we sinds de seriemoordenaarsfilm Seven (1999) van David Fincher dat de mens — en dus ook de kijkers — tot veel ergere dingen in staat is dan de duivel. Ten tweede weten we dankzij de videoclips van Britney Spears dat jonge meisjes verregaand worstelen met seksuele gevoelens. Vergeleken daarmee is masturberen met een kruis minder onthutsend, tenzij je katholiek bent. Het enige wat nog een beetje choqueert, is een nieuwe scène waarin Regan als een spin de trap afkruipt en bloed braakt. Dat is abnormaal en decadent, en je schrikt je rot. Dat kennen we niet — zo lopen mensen nu eenmaal niet. Verder is The Exorcist alleen nog maar interessant als bewijs van het vervlogen meesterschap van regisseur Friedkin.

Stalingrad, 1942: pijnlijk mooie beelden van lijken in de modder, scherpschutters met engelachtige gezichten, en de gouden sigaretten en het kreukvrije nazi-uniform van majoor Koenig. Enemy at the Gates van Jean-Jacques Annaud is een traditionele oorlogsfilm: individuele heldendaden krijgen meer aandacht dan het lijden van duizenden gewone mensen. Toch is de film curieus. Dat komt door het karakter van Koenig, gespeeld door de Amerikaan Ed Harris. Zijn decadentie — gesymboliseerd door zijn dure sigaretten — maakt zijn wreedheid des te erger. Hij hangt koelbloedig een jongetje op tussen de kapotgeschoten gebouwen van de beroemde stad. Harris schittert in de rol van de Duitse scherpschutter die het opneemt tegen zijn Russische «collega», Vassili (Jude Law). Vassili en Koenig geloven in niets behalve zichzelf. Allebei zijn amorele monsters.

Nog iemand die zich met veel genot losweekt van moraliteit zit in de psychiatrische inrichting Charenton. «Dit is fictie! Geen traktaat!» gilt de Markies de Sade als de Abbé de Coulmier hem polst over de inhoud van zijn romans. In de ogen van de markies, gespeeld door Geoffrey Rush, verdient de kunstenaar niets anders dan volledige vrijheid. Maar in Philip Kaufmans prachtige film Quills komt de dood van de mooie Madeleine (Kate Winslet) hard aan. Een van Sades lezers raakt namelijk zo in de war van zijn roman dat hij Madeleine verkracht en vermoordt. In Charenton is het geschreven woord levensgevaarlijk.

De markies is een reactionair pur sang, een decadent van de eerste orde. Dat maakt de politieke boodschap van Quills zeer ambigu: het verzet van de libertijn Sade tegen de tirannie van zowel Coulmier (Joaquin Phoenix) als Royer-Collard (Michael Caine) toont veel overeenkomsten met dat van een rechtse reactionair. Beiden zijn door en door anti autoritair, egoïstisch en onverschillig jegens de maatschappelijke gevolgen van hun daden. In die zin zou je Mark Cousins gelijk moeten geven. Het bejubelen van de zucht naar vrijheid van Sade — wij verlustigen ons in zijn decadentie — is een rechtse, libertaire daad. De kiezers van George W. Bush, met hun angst voor een machtige staat, zouden blij zijn met Sade. Voor hem telt niets anders dan vrijheid.

De kracht van Quills ligt daarin dat de regisseur de kijker bewust maakt van de gevolgen van kunst. Kunst gedijt ondanks onderdrukking. Sade vindt zijn woorden mooier wanneer ze worden vervormd door de waanzinnige inwoners van Charenton. En dat is een prachtig idee: de artistieke impuls zit vooral in gewone mensen; kunst en het leven zijn onlosmakelijk verbonden; er zijn geen grenzen aan de mogelijkheden tot expressie. Maar deze decadentie heeft een prijs: schizofrenie en de dood.

Dat Mark Cousins de «geest van Heidegger» in de moderne cinema ziet, heeft te maken met de beruchte dubieuze opvattingen van de filosoof over moderne democratische principes en zijn connectie met het nationaal-socialisme. Cousins’ betoog klopt op dit punt. De jaren tachtig waren een donker tijdperk waarin gespierde acteurs op angstaanjagende wijze in de huid kropen van reactionaire filmpersonages. Karakters als Rambo en Dirty Harry vertolkten de gevaarlijke dromen van bange kiezers die alle vertrouwen hadden verloren in het politieke systeem. Dit proces heeft zich doorgezet, ook in Europese landen waar sociaal-democratische vernieuwing, in de vorm van de Derde Weg, een werkbaar alternatief moet bieden tegen desillusie en terugtredende nationale overheden.

Het gaat echter te ver om de filmkunst te bestempelen als de ultieme rechtse kunstvorm. Cousins lamenteert erover dat film niet in staat is tot «rationele» kritiek. Maar waarom zou enige kunstvorm de politieke agenda van links moeten overnemen? Zouden kunstenaars in dat geval niet op precies dezelfde wijze gevangenen zijn van een politieke ideologie als wanneer ze gestalte geven aan rechts-libertaire droombeelden? Veel interessanter zijn de waarzegsters, zoals Annie Wilson in het moerasland, of een duivelse dandy die roept: «Dit is fictie! Geen traktaat!»

The Gift, Sam Raimi

The Exorcist, William Friedkin

Enemy at the Gates, Jean-Jacques Annaud

Quills, Philip Kaufman