Hans Hom, Het eind van het lied

Dit is geen damesroman

Het kan dus nog altijd, een boek over de obsessie van liefde. Margriet de Moor bewees het een paar maanden geleden en nu gooit Hans Hom in zijn debuutroman opnieuw olie op het vuur. Ramses Shaffy schreef en zong er al jaren geleden een bijzonder treffend en geestig lied over, De één wil de ander, met als refrein: ‘De ene wil een ander, maar die ander wil die ene niet/ De ander wil een ander, maar die ene heeft verdriet’, met ertussendoor een kraaiend en joelend gelal dat alleen Shaffy goed beheerste.

Hans Hom, Het einde van het lied, € 21,95
e-book, € 17,99

Medium hans hom

Ik merk dat ik bij Hom de neiging heb heel snel in een ironische leeshouding te schieten, omdat hij in zijn roman geen middel ongebruikt laat om het ons keer op keer in te peperen: de liefde, jongen, dat is geen grap, je gaat eraan kapot en dat is dan nog het minste. Zeer raak is het motto uit het lied Passion, van Rod Stewart, dat hij voor in de roman zette: ‘Once in love, you’re never out of danger’. De daaropvolgende zin kan ik ook al dromen: ‘One hot night spent with a stranger.’

Hom zoekt het overigens niet in allerlei ingewikkelde realistische toestanden rondom liefde en vreemdgaan, die we kennen uit de mooi-en-spannend-leven-industrie, met veel seks, kleinzielig geneuzel en prietpraat in Vinexwijken met Ikea-meubilair waarop of waartegen de geliefden het met allerlei wisselende partners doen. Hij zet het breed op en haalt maatschappelijke discussies helemaal weg. We komen vrijwel niets te weten over wat de geliefden zoal doen in het dagelijks leven, behalve dan oeverloos reflecteren over hun al of niet dovende liefde. De roman opent met een klassieke Natureingang. ‘Na de lange reeks stadswoningen, waarvan de meeste ook nog eens bovenhuizen waren, tot en met de laatste, die hij samen met Asja had bewoond en die zelfs hoger was gelegen dan de hoogste kruisen, urnen en pinakels op het zadeldak van de buurtkerk, is het boshuis vooral laag, dicht bij de aarde.’ Zulke zinnen dus, ze golven af en aan, deze eerste is nog tamelijk eenvoudig, maar de toon is gezet, zo gaat de schrijver het aanpakken. Hij wil een gecompliceerde relatie uit de doeken doen en past zijn stijl daarbij aan. Geen korte beschrijvingen, mededelingen, anekdotiek, maar lange, wiegende zinnen, waarin het enerzijds/anderzijds, het voor-en-tegen, het ja-maar en het misschien-was-het-toch-ook anders, ruim baan krijgen. Je kunt het zus zien, maar je kunt het ook zo zien. Is die Asja een eindeloze trut met een koketterieverslaving en Peter een halfgare nitwit die alleen aan zichzelf denkt? Of zit er veel meer achter? Die langzame, woekerende stijl heeft de functie een illusie van diepzinnigheid te creëren. Dit is geen damesromannetje met een fijn en een beetje open einde. Dan liever de lucht in, heeft de schrijver ongetwijfeld gedacht, maar het is wel een roman waarin de rapen gaar zijn, de liefde onmogelijk is maar wel hardnekkig en de betrokkenen elkaar altijd in de wielen rijden, soms nog met de beste bedoelingen ook. Je kunt er vergif op innemen dat je bij een dergelijk project er nooit helemaal in slaagt alle platgetreden paden links te laten liggen. Ik zette soms de letter c van ‘cliché’ in de kantlijn.

Hom heeft ook een voorkeur voor tamelijk archaïsche zinswendingen. ‘Maar ook los van Asja en afgezien van aanzien of status wenkte de wereld van de kunst hem op een of andere manier, al zou hij toen niet hebben kunnen zeggen waarom, als een wereld van vrijheid en menswaardigheid.’ Zou zo’n zin toch niet anders kunnen of moeten? Ik mag me natuurlijk nergens mee bemoeien maar de enigszins houterige precisie van deze formulering neemt te veel lyriek en durf weg, al begrijp ik best dat hier niet Homs opvatting over kunst aan de orde is, maar die van zijn hoofdfiguur, de nogal benepen nietsnut Peter, die nu eenmaal graag in clichés denkt en handelt. Zijn opvattingen over ‘buiten wonen’ voldoen bijvoorbeeld geheel aan alle richtlijnen uit de literatuur over (en voor) de betere stand waarin buiten wonen gelijk staat aan mooi en diepzinnig leven. En neem deze formulering: ‘Als ze het bed niet deelden en nu ook de maaltijden niet meer samen gebruikten, wat bleef er dan over?’ Het bed delen, de maaltijden samen gebruiken, moet je daar als schrijver maar niet iets anders op bedenken? Of wil je juist dit opgelegde naturalisme als vehikel van je werk? Is dat je ideaal? Terwijl het in deze roman toch vaak genoeg ook fors zindert van allerlei opgekropte of juist uitgeschreeuwde emoties. Dan leeft het allemaal en gaan de zinnen ook werkelijk flink tekeer, die Hom kan er beslist wat van. Maar waarom niet het hele boek onder literair vuur gezet?

De geliefden uit deze roman – ze hebben een knipperlichtrelatie die zich over minstens veertig jaar uitstrekt – gaan elkaar overigens ook letterlijk te lijf. Dan komt er ineens iets mooi verbetens en tegelijk laconieks in de schrijftoon alsof het allemaal de gewoonste zaak van de wereld is, dat meppen bedoel ik. En kreeg het me helemaal te pakken. ‘Sloegen ze er de eerste paar keren nog blindelings en in een roes op los, geleidelijk aan leerden ze net als bij onderwaterzwemmen hun ogen open te houden en om zich heen te kijken.’ Wat een mooi en raak beeld, nog geestig ook! Hom probeerde in deze roman de achterliggende aantrekking en afstoting van langdurige relaties zichtbaar en voelbaar te maken, maar hij heeft daarbij toch regelmatig expliciete uitleg nodig die het geheel weer doodslaat. ‘Zo had ze het zich voorgesteld. Maar het liep anders, ze wist zich niet afdoende tegen de hittestraling van de verliefdheid te beschermen, iets van de gloed daarvan stak ook haar aan.’ Dan zijn we toch weer ergens anders dan in literatuur.


Hans Hom
Het eind van het lied
Augustus, 255 blz., € 19,95