Interview Lolle Nauta

«Dit is geen menswaardige wereld»

Het gaat goed met de filosofie, die «mooie vrouw die verleidt». Toch schreef zwaargewicht Lolle Nauta een boek over het onbehagen in de filosofie. «Er gebeurt in de filosofie van vandaag nogal wat waar ik me behoorlijk aan erger.»

Terwijl vorige week vrijdag in De Balie de driedaagse jubelzang op het literaire genie van W.F. Hermans was losgebarsten en het pand uitpuilde van de extatische volgelingen die wild van begeerte langs de stalletjes met hermansiania schuifelden, leek de kleine salon van deze cultuurtempel gereserveerd voor een heel wat somberder gezelschap. Daar immers was een avond georganiseerd naar aanleiding van het nieuwste boek van Lolle Nauta. En aangezien deze essaybundel als titel Onbehagen in de filosofie heeft, kon men een avond verwachten vol onvrede en weeklachten. Wie echter de deelnemers aan de twee debatten aanhoorde, bekroop langzamerhand een vervreemdend gevoel van gelukzaligheid. Het was in Nederland nog nooit zo goed gegaan met de filosofie als op dit ogenblik. Kwamen vroeger filosofen per definitie niet aan een baan, tegenwoordig schijnt de arbeidsmarkt voor jonge wijsgeren veelbelovend te zijn. De belangstelling voor filosofische boeken, artikelen en cursussen is enorm. Herman Philipse vond het bovendien onzin om je, als Nauta, druk te maken over bepaalde vormen van filosofie die je niet bevallen. Dan bestrijd je die toch gewoon! Nee, filosofie is hartstikke leuk, spannend en bovendien hip. Dat vonden ook de drie jonge filosofes die daarna aan het woord kwamen. Volgens Stine Jensen is de filosofie op dit moment een mooie, zelfbewuste vrouw, die weet hoe ze moet verleiden. Al met al werd de stemming in de kleine zaal al bijna even euforisch als in de rest van De Balie.

Onbehagen in de filosofie? Begint de inmiddels 71-jarige Nauta, die vanaf de jaren zestig midden in het filosofische en politieke debat heeft gestaan, de aansluiting met de tijdgeest te verliezen? Als ik hem twee dagen later in Groningen opzoek blijkt daar niet veel van. «Ik heb natuurlijk wel geprobeerd met mijn boek enigszins te provoceren. De stemming in De Balie was inderdaad heel positief, men is vrij opgewekt en optimistisch. Ik vond dat beeld van de filosofie als vrouw die verleidt heel mooi. De titel van mijn boek is uiteraard enigszins dubbelzinnig. Want hoewel het diverse soorten filosofie zijn die je onbehagen opwekken, je schrijft er geen boek over als je het niet leuk vindt. Dus er zit ook heel wat behagen achter het onbehagen.

Maar daar staat tegenover dat er in de filosofie van vandaag nogal wat gebeurt waar ik me behoorlijk aan erger. Vandaar dat mijn boek voor een deel een polemiek met bepaalde hedendaagse vormen van filosofie is. En er valt nog een heleboel te polemiseren in een vak dat veel minder nauwkeurige regels kent van vakbeoefening dan een heleboel andere vakken. Een voorbeeld hiervan is de hele kwestie van de geschiedenis van de filosofie. Vaak wordt die geschiedenis gezien als een grote, mooie ronde tafel waar we allemaal aanzitten. Dat is ook een idee dat heel sterk leeft bij analytische filosofen. Toen ik het stuk ‹Filosofie als nachtmerrie› had geschreven, dat gaat over de geschiedenis van de filosofie, was het een vooraanstaand analytisch filosoof die opmerkte: ‹Ja, luister eens mensen, het gaat in de filosofie toch om het goede, het ware en het schone? Dus wat wil Lolle eigenlijk?›

Dat is een uitspraak van een analytisch filosoof, van wie je toch zou verwachten dat hij een kritisch bewustzijn heeft met betrekking tot de concepten die hij zelf hanteert. Alsof ook maar in de verte bekend zou zijn wat het goede, het ware en het schone betekenen. Dit is een type filosofie dat mijn onbehagen wekt, omdat het de grote rol die discontinuïteit in de geschiedenis speelt niet erkent.

Wie ook zeer sterk mijn onbehagen wekken, zijn filosofen die nog steeds uitgaan van het idee dat de filosofie de koningin der wetenschappen is. Zij zeggen: al die wetenschappers zijn alleen maar met een heel klein stukje van de werkelijkheid bezig, wij filosofen zijn er om de fundamentele vragen te stellen. Zij hebben het nog steeds over ‹de grond›, ‹het zijn› of ‹de totaliteit›. Op dit punt ben ik volledig positivist en beschouw ik dergelijke uitspraken als pretentieus en onzinnig. Dat is wat ik noem de ‹filosofie met de grote F›. Helaas is die nog steeds populair.»

Tot nog toe heeft Nauta bedachtzaam, op docerende toon gesproken, maar nu is hij enigszins geagiteerd. Hij zoekt tussen de papieren op tafel en grist er De Groene van 23 september tussenuit. Het blad is opengeslagen bij het artikel «Filosofie als curiositeit», waarin wordt gesteld dat de filosofie aan de Universiteit van Amsterdam stelselmatig de nek is omgedraaid. «Kijk, dit bedoel ik nu! Wat een treurig stuk», zegt Nauta. «Het had mijns inziens in een progressief weekblad nooit gepubliceerd mogen worden. Wat ik er zo treurig aan vond, is dat het stuk doet alsof er alleen maar fenomenologie en filosofische antropologie bestaat. De analytische filosofie en de kritische theorie komen er niet in voor. Er staat zelfs letterlijk dat alle wijsgerige zwaargewichten van de twintigste eeuw in de hermeneutische en fenomenologische traditie zijn te plaatsen, en dan noemen ze de namen van Husserl, Heidegger, Gadamer en Ricoeur. Over Wittgenstein, Adorno en Habermas geen woord! Het is van een zielige arrogantie. Het is een benadering die een halve eeuw geleden nog enigszins actueel was, maar die nu door niemand meer wordt aangehangen, behalve dan in enkele wijsgerige reservaten.»

Maar zou de toenemende belangstelling voor filosofie nu juist niet vooral uitgaan naar dit soort filosofie? Het brede publiek dat wijsgerige boeken en tijdschriften leest of cursussen volgt, is toch niet geïnteresseerd in allerlei hoogst specialistische en abstracte kwesties? Is er toch niet vooral behoefte aan die filosofie met de grote F, zijn het niet juist zingevingsvraagstukken waarmee de mensen zitten? Nauta gelooft het niet zo erg. «Waarom zou de behoefte aan zingeving ertoe moeten leiden dat men een type filosofie gaat omhelzen ergens uit het midden van de vorige eeuw? Dat kan toch ook anders? Een prachtig boekje over zingevingsvraagstukken is dat van Jaap van Heerden, Wees blij dat het leven geen zin heeft. Dat is een bekend en goed verkocht boek, dat deze sfeer helemaal niet ademt. En dat toch gaat over het probleem van de zingeving. Het publiek is vandaag de dag mondig genoeg om ook wat dat betreft het kaf van het koren te scheiden. Daar heeft men de filosoof niet voor nodig. De filosofen die denken dat zij de weg moeten wijzen lopen ook in dat opzicht hopeloos achter.»

De grote belangstelling die er in Nederland nog steeds is voor Heidegger moet Nauta dan ook een doorn in het oog zijn. «Dat klopt. Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat Heidegger een van de grootste geesten was van de twintigste eeuw; dat was zeker het geval, alleen, ik houd zijn invloed tegelijkertijd voor buitengewoon gevaarlijk. Omdat zijn hele filosofie doortrokken is van een nostalgie naar een wereldbeeld dat allang niet meer het onze is. Ik vind het daarom zeer jammer dat ook een groot deel van de jonge filosofen in Nederland zich vooral met Heidegger bezighouden. De filosofie van Heidegger is iets waarin je moet geloven, je moet bij de club horen, anders kun je niet meedoen. Ik wijt die behoefte aan nostalgische filosofie aan allerlei frustraties ten opzichte van de modernisering. Aan de weigering om een modern wereldbeeld te accepteren, te accepteren dat de modernisering bepaalde onherroepelijke kanten heeft.»

In zijn bundel stelt Nauta dat de geschiedenis van de moderne filosofie, zo vanaf de Renaissance, de geschiedenis is van de verplaatsing van de filosofie. Het is de permanente verhuizing naar nieuwe thema’s en gebieden. Een tegenwoordig veel verguisd denker als Descartes voerde in z'n eentje zo'n verplaatsing uit, toen hij de filosofie overbracht naar het terrein van de natuurwetenschappen. Die verwetenschappelijking van de filosofie is volgens Nauta, net als alle andere «verplaatsingen», niet meer terug te draaien. Hedendaagse filosofen kunnen dat misschien betreuren, maar ze zullen toch moeten erkennen dat die grens gepasseerd is, dat er geen weg terug is. Het onbehagen van Nauta richt zich onder meer op filosofen die dit ontkennen. «Je kunt niet aan je studeerkamerbureau besluiten dat het met die vakwetenschappelijke specialisatie, of met de individualisering, maar eens gedaan zou moeten zijn. Je kunt niet de autonomie en de rechten van de mens centraal stellen en tegelijkertijd van mening zijn dat aan individualiseringsprocessen een halt moet worden toegeroepen. Voor dat soort dingen — mensenrechten, kosmopolitisme, problemen van ontwikkeling — voor dat soort problemen bestaat bij heideggerianen eigenlijk geen belangstelling. Dergelijke filosofen creëren in de samenleving een eiland waarop hedendaagse problemen niet besproken kunnen worden. Het is een vlucht uit de samenleving. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de politiek bedenkelijke kant van Heideggers denken. Het is niet zo dat Heidegger een bepaalde filosofie verdedigd heeft en daarnaast een overtuigd aanhanger van het nationaal-socialisme was. Zijn keuze voor het nationaal-socialisme was intrinsiek verbonden met het type wijsbegeerte dat hij bedreef. En ook daarover hoor je de heideggerianen nauwelijks.»

Toch zijn het niet alleen aanhangers van Heidegger die kanttekeningen bij de Verlichting plaatsen. Iemand als Isaiah Berlin, die letterlijk onpasselijk werd als hij een tekst van de denker uit het Zwarte Woud trachtte te lezen, was van mening dat de universalistische pretenties en het rationalisme van de Verlichtingsfilosofen een bedenkelijke kant had. Zij onderkenden niet dat er waarden zijn die niet met elkaar te verenigen zijn, en dat je niet in alle gevallen een rationele keus kunt maken. Nauta verklaart dat hij groot respect heeft voor Berlin, en dat deze, ondanks diens kritiek, ondubbelzinnig in de traditie van de Verlichting stond. «Het centrale ideaal van de Verlichting, hoe je het ook wendt of keert, is de autonomie van het individu. Dat is een van de meest cruciale waarden in onze ethiek. Wij vinden zelden dingen goed die de vrijheid van het individu belemmeren. Ik zeg ‹zelden›, want we zijn van mening dat iemand die zo pathologisch crimineel is dat hij een gevaar is voor zijn medemensen moet worden opgesloten. Daar telt het maatschappelijk belang van de meerderheid zwaarder dan de keuzevrijheid van het individu. Ik heb er geen bezwaar tegen de beslissing om dergelijke mensen hun vrijheid te ontnemen, een rationele te noemen. Die beslissing is het gevolg van een rationele afweging. Dat is niet irrationeel. Pas als besloten wordt pedofielen maar met naam en adres in de krant te zetten, kun je spreken van een irrationele beslissing. Dan wordt de deur opengezet voor lynchpraktijken en heeft geweld het laatste woord. Het niet een zuiver logische beslissing, maar een rationele beslissing hoeft niet zuiver logisch te zijn. Emoties, overtuigingen, wereldbeelden kunnen een rol spelen. Er spelen ook utilistische overwegingen een rol.»

Maar betekent dat dan we onze keuzes altijd rationeel kunnen verantwoorden? Als bij een zwangere vrouw wordt geconstateerd dat ze een gehandicapt kind draagt, kan dan rationeel worden vastgesteld wat er moet gebeuren? Is de beslissing om het kind toch geboren te laten worden dan per definitie irrationeel? Nauta: «Je moet het begrip rationeel niet zien als synoniem met eenduidig en definitief. Het gaat om het proces waarin verschillende gezichtspunten worden afgewogen; dat proces is een rationele bezigheid. Bij de uiteindelijke beslissing is er ruimte voor een antwoord waarbij niet alleen het verstand maar ook de emoties en overtuigingen een rol spelen. De mens is geen rekenmachine. Maar als we onderhandelen, compromissen sluiten, voor- en nadelen tegen elkaar afwegen, dan zijn we rationeel bezig.»

Het blinde, onredelijke rationalisme van Wim Rietdijk is Nauta dus vreemd. Maar wie lichtvaardig kritiek uitoefent op de Verlichting ontmoet in hem een felle tegenstander. «Uiteraard zaten die achttiende-eeuwse Verlichtingsdenkers er nogal eens naast. Neem nu hun eurocentrisme, dat is volslagen achterhaald. Zij waren zich nog niet bewust van het feit dat het proces van modernisering een ongelijkmatig verloop had, dat het ook geen eenduidig proces was. Het loopt in verschillende landen anders. Er is niet één weg tot modernisering, er zijn verscheidene wegen. Autonomie betekent voor Gandhi iets anders dan voor Habermas, maar het betekent niet dat het allemaal relatief is, zoals sommige critici van de Verlichting beweren. Onze common sense verzet zich tegen dat relativisme.

Een groot verschil met de achttiende eeuw is dat er inmiddels een consensus is over het nut en de waarde van mensenrechten. Dat is wat ik mis in allerlei debatten over de Verlichting. Die debatten gaan altijd weer over de vraag: wat kunnen wij nu nog van de Verlichting accepteren en wat moeten we kritiseren? Ik wil niet ontkennen dat dit van belang is, maar eigenlijk gaat het om de vraag: welke Verlichtingsidealen zijn inmiddels in de hele wereld gemeengoed geworden, zodat ze niet eens meer herkenbaar zijn als Verlichtingsideaal? Noem alle elementaire zaken maar op: een goede gezondheidszorg, schoon water, een verbod op kinderarbeid, het recht op een dak boven je hoofd, enzo voort — allemaal zaken waar de Verenigde Naties zich druk over maken, en die we allemaal heel gewoon vinden. Filosofen als Zygmut Bauman voeren een debat over de Verlichting dat bij voorbaat achterhaald is, omdat ze niet de vraag stellen welke onderdelen normale elementen van het maatschappelijk verkeer zijn geworden.»

Er lijkt dus reden tot optimisme, alleen wil Nauta dat niet te simpel zien. «Ik geloof inderdaad dat het mogelijk moet zijn om een wereld te creëren waarin de mensenrechten voor iedereen gelden. Maar ik zeg niet dat die wereld er zal komen. Ik zeg alleen: als we er niet in slagen een dergelijke wereld tot stand te brengen, stevenen we af op een catastrofe. Een wereld waarin de mensenrechten niet voor iedereen gelden, is geen menswaardige wereld, en in zo'n wereld leven wij. Er zijn tendenties in de richting van een menswaardiger wereld, bijvoorbeeld het Joegoslavië-tribunaal. Een ander voorbeeld is de slavernij. Die wordt officieel niet langer geaccepteerd, maar dat betekent niet dat zij volledig is verdwenen. Maar ja, de slavernij is pas iets meer dan een eeuw geleden afgeschaft. Dit soort processen gaat nu eenmaal heel langzaam. We hebben nog een lange weg te gaan.»

Lolle Nauta, Onbehagen in de filosofie: Essays. Uitg. Van Gennep, 206 blz., ƒ39,90