Dit is geen recensie

Pol Hoste
Een dag in maart
Prometheus, 302 blz., e 19,95

Pol Hoste introduceert in de documentaireroman Een dag in maart een onderzoeker die hij Passant noemt. Passant is schrijver, woont tijdelijk in Montréal en beschrijft in korte, vaak sterk associatieve passages zijn pogingen «een literaire plattegrond van de stad te construeren». Wat hem interesseert is «hoe bewoners met elkaar omgaan vanuit de locatie die ze bewonen». Misschien gaat het hem erom «zijn relatie met de wereld te onderzoeken. Meer is er voor mij niet.»

Elders in het boek formuleert Hoste het aldus: «Op zoek naar zijn geschiedenis, naar zichzelf en naar wat Montréal met Gent te maken had, dreef Passant langs vervallen, door de tijd aangetaste panden van boulevard St.-Laurent met zijn bloeiende kruidenierszaken, bakkerijen, wapenhandels en koffiebars.»

Ook de koloniale overheersing van de oorspronkelijke bevolking van Montréal speelt een belangrijke rol. Passant beschrijft in een wirwar van vaak associatieve zinnen en anekdotes ontmoetingen met bewoners, hogere ambtenaren, wetenschappers en andere passanten en probeert ze van het belang van zijn «project» te overtuigen. Steeds vergelijkt hij Montréal met Gent of Lokeren en met zijn jeugd aldaar. Dit is geen traditionele roman maar eerder een caleidoscopische documentaire over hoe een vreemdeling het leven ervaart in een stad waaruit de oude oorspronkelijke kernen voorgoed zijn weggesneden. Hostes boek bevat geen psychologische verwikkelingen, het sluit zich aan bij een traditie van literatuur die «de werkelijkheid» zo direct mogelijk wil weergeven. Elementen als chronologie, spanning en centrale betekenisgeving spelen er geen rol in.

Tot zo ver een samenvatting, die natuurlijk geen recht doet aan het geheel, daarvoor is dit boek te hybride. Het probleem is dat deze roman liever geen samenvatting wíl, laat staan een recensie. Een verhaal ontbreekt, van «diepgang» is geen sprake, de samenhang schuilt alleen in de herhaling, chronologie ontbreekt, de verbanden tussen de zinnen zijn associatief. Bij Hoste is dit overigens niet een kwestie van niet kunnen maar van hardnekkig niet willen. Omdat hij niet gelooft in romans die een eigen wereld creëren waarin gebeurtenissen met elkaar samenhangen en waarin een «visie» wordt gepresenteerd, laat staan dat ze een wereld oproepen waarbinnen een lezer tijdelijk kan verblijven.

Voor een recensent valt er weinig eer aan dit boek te behalen en dat hoeft natuurlijk niet een nadeel te zijn. Positieve of negatieve beschouwingen erover vallen altijd in het water omdat er nu eenmaal weinig te beschouwen valt. Wat je er ook over schrijft, het schiet er langs. Als je het positief bespreekt heb je de essentie ervan toch net niet helemaal goed begrepen, want het gaat niet om essenties. Als je het afkraakt word je maar al te snel versleten voor een aanhanger van een achterhaalde romantische literatuuropvatting en laat je je verblinden door de amusementsindustrie waarvan de boekproductie een exponent is. En als je er niks over schrijft, wat ik op dit moment erg aantrekkelijk vind, discrimineer je een minderheidsgroep binnen de literaire wereld die steeds meer in de verdrukking dreigt te raken, precies dankzij deze zwijgzaamheid.

Kortom, hoe schrijf je een recensie over Een dag in maart van Pol Hoste? Misschien moet ik alleen mijn verbazing uitspreken over het politieke karakter van deze roman. Aan de ene kant wil het boek een versnipperde wereld presenteren waarbinnen geen kernen aanwezig zijn, aan de andere kant doet het zijn uiterste best kapitalisme en koloniale uitbuiting als de kern van alle ellende op de wereld aan te wijzen. Keer op keer, pagina na pagina, wordt dit uitgangspunt, deze kern moet ik zeggen, de lezer expliciet voorgehouden. Terwijl dit boek in de grond kernloos wil zijn. Deze tegenstrijdigheid ondermijnt de geloofwaardigheid ervan grondig.

Hoste heeft daarbij de neiging zijn opzichtige en steeds herhaalde gelijk ook in filosofische termen te willen halen en dat levert passages op als deze: «Passant daarentegen was eerder geneigd om de transcendentale pretenties van het klassiek humanisme van op een zekere afstand te bekijken om te vermijden dat hij er emotioneel onderdoor zou gaan telkens als hij werd geconfronteerd met berichten over oorlogen, vluchtelingenkampen, wapenindustrie, hongersnoden, ziekten, folteringen en de onnoemelijke gruwelijkheden die nog nauwelijks het internationale nieuws haalden.»

Ik kreeg steeds meer de neiging de spot met dit boek te drijven, zo van dat Pol Hoste ons nu voor de laatste keer waarschuwt voor de teloorgang van de wereld dankzij het grootkapitaal. En dat het wel erg fijn is dat hij dit nog eens zo duidelijk op wilde schrijven, want ook ik ben bezorgd, net als Passant, echt waar, maar ik kan er niet zo mooi over schrijven. Pech gehad. En naar mij willen de mensen thuis trouwens nooit luisteren.

Of zal ik alleen schrijven dat ik geen reet aan dit boek vond? Veel zin heeft dat niet, dat begrijp ik best, want dit boek wil zich juist onttrekken aan de notie dat er een reet aan te vinden zou kunnen zijn. Zal ik schrijven dat de oeverloze serie geëngageerde en tot niets verplichtende statements over zwervers, landlopers, alcoholisten, armen en verweesden me niets deden? Omdat ze nooit precies worden en alleen op gevoel werken? Of me beperken tot de gratuite aanvallen op poëzie die door het hele boek te vinden zijn? «Met poëzie had Passant geen afspraak. Wat dat betreft hadden de lettertekens een akkoord gesloten. Zijn zakelijke aantekeningen beperkten zich tot een tiental carnets. Men schrijft zelden zoals men het zich heeft voorgenomen. Een zin begint, de rest wordt aangeboden, geaccepteerd, geweigerd. Het is een beetje gelijk het leven zelf. Eerst alles, daarna niets.» Schrijven dat ik van dit citaat niets begreep? Dat het onzin verkoopt over schrijven? Beter is er helemaal niks over te schrijven.