Stadsleven Vierhonderd jaar grachtengordel

‘Dit is helemaal geen museum’

De aanleg van de grachtengordel vier eeuwen terug was een stedenbouwkundig en economisch waagstuk. Tot nu toe is dat Werelderfgoed uitstekend beheerd, want: ‘Iedere Amsterdammer is smoorverliefd op zijn stad.’ Maar de toeristen zijn onzachtzinnig.

Medium ba07 prinsengracht1720

Een gracht voor de koning! Eind deze maand neemt Amsterdam een gewichtige beslissing: wordt het Singel herdoopt in de Koningsgracht, zoals stadsdeelraadslid Rick ten Have heeft voorgesteld? Het past wel in de reeks Heren-, Keizers- en Prinsengracht, bovendien werd het Singel, dat op het Koningsplein uitloopt, al zo genoemd op kaarten van de achttiende-eeuwse burgerwacht. Koningin en toekomstige koning willen in tijden van crisis geen nationaal geschenk, hebben ze laten weten, maar dit hoeft weinig te kosten. Omdat volgens het voorstel alleen het water van naam zou veranderen, hoeven de huizen niet van adres te veranderen, enkel de woonboten.

Amsterdam viert dit jaar het feit dat vier­honderd jaar geleden werd begonnen met de aanleg van de grachtengordel, een in de wereld uniek en uiterst succesvol ‘stedelijk ensemble’ dat in 2010 het predikaat Unesco Werelderfgoed kreeg. Dat wordt groots gevierd, met diverse tentoonstellingen, liefst vier maal een Open Monumentendag en de nieuwe uitgave De grachten van Amsterdam waarin cultuurjournalist Koen Kleijn het hele Unesco-gebied behandelt. En dit jaar verscheen bij uitgeverij Thoth het twee­delige Kaarten van Amsterdam.

Het succes is zelfs een probleem voor de stad: de grachten zijn zo gezichtsbepalend dat alle bezoekers dáárheen trekken. Het is dan ook buitengewoon moeilijk om de miljoenen toeristen – nog los van de bijna half miljoen bezoekers van een reguliere Koninginnedag alleen al – te verspreiden. Burgemeester Van der Laan houdt nu al zijn hart vast voor de crowd control op Koningsdag, dit jaar voor het eerst en het laatst op 30 april. ‘Iedere Amsterdammer is smoor­verliefd op zijn stad’, heeft Van der Laan gezegd, ‘en dat komt door de grachtengordel. Die heeft de stad zelfvertrouwen gegeven.’

De uitbreiding van de historische stad met de kenmerkende grachten vond voornamelijk in twee etappes plaats, van 1610 tot 1613 en van 1662 tot 1663. Die van 1610 had veel groter zullen zijn, vertelt architectuurhistoricus Jaap Abrahamse, senior onderzoeker historische stedenbouw bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed. ‘De bedoeling was toen al om de grachten in één keer rondom aan te leggen, maar de stad vertilde zich eraan, zowel bestuurlijk als organisatorisch en financieel. Het was ook een enorm project, inclusief onteigening, grondwerken en de aanleg, en het stadsbestuur moest de investering met de verkoop van kavels terug zien te verdienen.’

Het zou nog eens vijftig jaar duren voordat het ‘ensemble’ werd voltooid. ‘De stad wachtte af tot het zeker was dat er genoeg nieuwe bewoners waren om de uitbreiding te dragen door percelen te kopen’, zegt Abrahamse. ‘Die waren er inderdaad, want de bevolking groeide van 30.000 in 1580 naar 220.000 in 1680. Het stadsbestuur zag immigratie als iets positiefs, want die bracht groei.’ Uit een overzicht van ondertrouw­registers op de expositie Booming Amsterdam in het Stadsarchief is te zien dat sommige nieuwe Amsterdammers afkomstig waren uit verre oorden als Angola, Brazilië en New York. In de zeventiende eeuw was Amsterdam, na Londen en Parijs, de grootste stad van Europa.

Na die pauze van een halve eeuw ging het stadsbestuur onverdroten verder. Van inspraak had men geen last. In zijn proefschrift De grote uitleg van Amsterdam beschrijft Jaap Abrahamse deze complexe operatie, die de stad in een bouwput veranderde. Na ruim vijftig jaar lag er veertien kilometer gracht met tachtig bruggen en duizenden nieuwe huizen, nu grotendeels rijksmonumenten. Amsterdam was vijf maal zo groot geworden. De stad groeide bovendien op een moderne, planmatige manier. De grote schaal leverde grandeur op. De ervaring met de eerste fase heeft in de tweede tot een beter ontwerp geleid, zegt Abrahamse: ‘Toen werd de stad opgezet volgens een functioneel plan, met rustige, voorname grachten met woonhuizen en ertussen de smallere straten als de Kerkstraat voor de paarden, koetsen en goederen. Zo komt het bijvoorbeeld dat er in de Gouden Bocht, die in deze laatste fase is aangelegd, geen stegen of poorten tussen de huizen zijn. Alles wat niet bij het decorum paste van een luxe woongracht, werd in de achterstraten ondergebracht.’

Vierhonderd jaar grachten: wat zullen de komende vierhonderd jaar brengen? Wie weet staat Amsterdam onder een paar meter water en leeft de stad voort in de overlevering van toekomstige deltabewoners, als die er al zijn, als een soort Atlantis. Als dat niet gebeurt, dan is er nog gerede kans dat de stedenbouwkundige structuur dan nog altijd intact is. Die is – behalve heel verwarrend voor mensen die de stad nog niet goed kennen – ook heel duurzaam gebleken. Het is denkbaar dat de stad op kortere termijn, net als vroeger, zijn water voor verkeer en transport zal gebruiken. Zal de biologische supermarkt Marqt met elektrische boten producten uit Waterland lossen op het Amstelveld?

In tegenstelling tot wat veel mensen denken heeft de Unesco-status weinig tot geen praktische consequenties, zegt Abrahamse. ‘Het is echt een fictie om te denken dat de stedelijke dynamiek daarmee wordt bevroren. In dat opzicht was de aanwijzing van de binnenstad tot “beschermd stadsgezicht” veel belangrijker. Dit stadsdeel heeft altijd al strenge regelgeving gekend. De Unesco-status is vooral een erkenning van de manier waarop Amsterdam dit gebied tot nu toe heeft beheerd. Dit is helemaal geen museum geworden, je kunt elke dag ervaren hoe levendig de grachtengordel is. Het is een flexibele structuur: in de koetshuizen van toen staan nu Range Rovers, in de panden wordt net als toen gewerkt en gewoond.’

Nog los van Unesco en de rest moet je in deze omgeving helemaal niet nieuw wíllen bouwen, vindt hij. ‘Architecten leren dat iets modernistisch van stijl moet zijn om modern te zijn. Ten onrechte: niet de stijl maakt modern, maar de functie.’

Michiel van Iersel, mede-oprichter van het bureau ‘voor culturele innovatie’ Non-fiction, vreest de Unesco-status evenmin. ‘De grachtengordel heeft die erkenning gekregen omdat de stad heeft laten zien om te kunnen gaan met permanente verandering. De overgrote meerderheid van alle grachtenpanden is sinds de zeventiende eeuw al een keer vervangen, alleen de structuur van de grachten bleef hetzelfde. Amsterdam moet wel kijken hoe andere steden omgaan met de toename van het toerisme, het stijgende water, het opkopen van pied-à-terres door rijke buitenlanders en het verdwijnen van betaalbare huizen en winkels. Ik ben wel benieuwd waar Unesco over vijftig of honderd jaar is. Steekt reiswebsite Tripadvisor Unesco naar de kroon als beoordelingsmechanisme? Wat gebeurt er als Amerika zich definitief terugtrekt als donorland en daarmee twintig procent van het budget verdwijnt?’

Van Iersel ontwikkelt momenteel het concept voor een dit jaar te openen Nationaal Unesco Werelderfgoed Centrum in gebouw De Bazel, waar het Stadsarchief en Bureau Monumenten en Archeologie zijn gevestigd. Daarin zullen verleden, heden en toekomst van de negen Nederlandse werelderfgoedlocaties in een internationale context aan de orde komen en in de 21ste eeuw worden geplaatst – meer kan hij er nu nog niet over zeggen. Het ontwerp zal zijn van Laura Alvarez en Jarrik Ouburg, hoofd architectuur bij de Academie van Bouwkunst in Amsterdam.

In andere culturen wordt anders gedacht over erfgoed, over wat een gebouw tot authentiek erfgoed maakt. In Japan zijn het niet de originele bouwmaterialen die waarde hebben, vertelt Jarrik Ouburg, maar de bouwwijze en de overdracht van de kennis daarover. ‘Ik heb een tijd in Japan gewoond en heb daar gezien hoe ze omgaan met de shinto-tempel in Ise. Al sinds 690 wordt die om de twintig jaar afgebroken en opnieuw opgebouwd op de kavel ernaast. De ‘nieuwe’ is geen replica, maar een herschepping. De tempel is vele eeuwen ouder dan de grachtengordel en tegelijk is die maar twintig jaar oud. Met onze lineaire benadering proberen wij ouderdom juist tegen te houden.’ Terwijl Ouburg aan het nieuwe werelderfgoedcentrum ontwerpt, speelt de cyclische Japanse benadering doorlopend door zijn hoofd, zegt hij.

Met derdejaars studenten leidde hij een paar maanden geleden een project over ‘de verloren gracht’. Daarmee wordt de Singelgracht bedoeld, een belangrijke ader in de stad, maar toch ‘fysiek onvindbaar en mentaal vergeten’, zegt hij. De Singelgracht heet ook negens zo, maar is onderverdeeld in liefst elf stukjes met steeds een andere naam, zoals de Mauritskade, de Nassaukade en de Stadhouderskade. ‘Het stadsbestuur wil het parkeren in de binnenstad verminderen. Dat voornemen hebben wij als uitgangspunt genomen en we hebben de Singelgracht opnieuw vormgegeven als een zone voor de overstap van de auto op de fiets, de boot of op het lopen. Dat past ook wel bij deze overgangsgracht die langs de bolwerken liep en een industriële zone avant la lettre was. Van 1613 tot 1850 lag Amsterdam binnen de Singelgracht, pas daarna hebben de grote stadsuitbreidingen daarbuiten plaatsgevonden. Hier aan de rand van de binnenstad heeft Amsterdam nog ruimte om te ademen.’

De ene groep studenten legt een eindeloze ondergrondse parkeergarage onder de hele lengte van het water, de andere maakt parkeertorens die net als de kerken van vroeger als herkenningspunten fungeren. Een derde groep trekt het water door naar Amsterdam-Noord en legt er een paar parkeerknopen in, als een overstapmachine. Weer anderen leggen eilanden in het water – ‘transferbastions’ – die met vliegende bruggen voor metro, tram en bus met de stad worden verbonden. En nog weer een ander maakt van de verloren gracht een stadsoase, met één woonblok met promenade en verder alleen maar natuur.

Ouburg en Van Iersel werken momenteel ook samen aan het project Tussen-ruimte, waarmee ze in de loop van dit jaar verborgen stegen en achterruimtes aan de grachten tot leven wekken met tijdelijke kunstwerken en activiteiten. ‘De structuur van de grachten is beschermd, de verandering zit in de gaten en kieren ertussen. Neem de Krijtbergkerk aan de Herengracht 421-423. Dat was tijdens de Reformatie een schuilkerk. Je kon erin via twee stegen die erlangs liepen, tussen Herengracht en Singel. In 1898 is de grote kerk aan het Singel gebouwd die er nu staat. De stegen zijn er nog, maar die lopen nu dood in een verwaarloosde tuin. Wij gaan voorstellen om er een stiltetuin van te maken, om een plek van bezinning aan de stad toe te voegen.’

Ergens anders langs de grachten kwamen ze een spleet van negentig centimeter breed tegen; daarin gaan ze tussen de twee huizen zacht wapperende gordijnen hangen die bij een bries over de kade waaien. Of ze hangen een schommel in de spleet tussen twee panden. Of er komt een galerie, of een bar voor twee personen. En misschien kunnen bezoekers in bad bij het studentenhuis dat de belendende steeg heeft geannexeerd, door een platform in te bouwen en er een bad op te plaatsen, met wanden eromheen.

De aanleg van de grachtengordel vier eeuwen terug was een stedenbouwkundig én economisch waagstuk. Zullen toekomstige stads­besturen ooit weer tot een publiek project van een dergelijke ambitie en omvang in staat zijn? We lijken niet meer in staat grote infrastructurele projecten tot een goed einde te brengen – de Betuweroute, de Noord-Zuidlijn, de Fyra, om er een paar te noemen.

Toch stemt het verhaal van de grachten optimistisch. Bijvoorbeeld vanwege de continuïteit die eruit blijkt. In de twintigste eeuw heeft het denken over de juiste manier om een stad te bouwen radicale veranderingen ondergaan. Maar toen is zelfs na een hiaat van vijftig jaar het plan volgens het bestaande model afgemaakt. De simpele, sterke principes van dat plan zijn flexibel en duurzaam gebleken.

Bovendien laat de aanleg van de grachten­gordel zien dat de ambitieuze overheid bereid was groots te investeren om de stad op zijn toekomst voor te bereiden. Tussen 1610 en 1613 had de stad het ongekende bedrag van 150.000 gulden aan de uitbreiding uitgegeven, vele malen de gebruikelijke begroting. Het bestuur had dan ook haast om er iets aan terug te verdienen, en dat lukte: de veiling van kavels in januari 1614 bracht een half miljoen gulden op. In een tijd waarin publieke investeringen in de (steden)bouw nagenoeg stilliggen is het behartenswaardig om te zien wat de grachten toen al, en nu helemaal, voor de stad hebben betekend.

Overigens waren diverse stadsbestuurders zelf ook ontwikkelaars – een samenvoeging van belangen die we tegenwoordig uitgesproken ongewenst zouden vinden. Toch is het misschien mede daarom goed gelukt: het was een project van gelijkgestemden uit de koopmanselite, ze bouwden voor en met elkaar. Het aanbod sloot goed aan op de vraag.

In de terminologie van nu, zegt Jarrik Ouburg, werd de grond top-down bruikbaar gemaakt en werd die ingevuld door bottom-up initiatieven. ‘De overheid maakt de kapstok, wij gooien de jas of de jurk eroverheen. Het verschil met nu is dat vanaf de zeventiende eeuw tot enkele jaren geleden groei gelijk stond aan expansie. Nu zit de groei in de verandering en metamorfose van het bestaande. Ik zou zeggen, never waste a good crisis: we kunnen voor onze eigen toekomst veel leren van deze geschiedenis van bouwen, invullen en aanpassen.’

Stadsleven

Journalist Tracy Metz leidt in samenwerking met de Rode Hoed en De Groene Amsterdammer een maandelijkse talkshow onder de naam ‘Stadsleven’. De derde aflevering, De grachten: The Next 400 Years, vindt plaats op maandag 25 maart om 20.30 uur in de Vrijburgzaal, Rode Hoed, Keizersgracht 102, Amsterdam. Info en programma rodehoed.nl, kaarten kaarten@rodehoed.nl.

zie groene.nl voor

Dossier De stad van nu