Een Amerikaanse vrouw lijdt aan de Spaanse griep, terwijl haar man in Europa vecht, 1918 © American National Red Cross / Library of Congress

Toen de 28-jarige Katherine Anne Porter in 1918 als journaliste ging werken bij The Rocky Mountain News, de lokale courant uit Denver, Colorado, stopte ze noodgedwongen al gauw met schrijven. Ze was ziek geworden, evenals de jonge luitenant die tijdens de Eerste Wereldoorlog had gediend en op wie ze net verliefd aan het worden was. De Spaanse griep hield wereldwijd huis, met een dodenaantal dat ver boven dat van de Eerste Wereldoorlog zou uitstijgen. Het leek een kwestie van dagen voor ook Porter zou sterven. De griep tastte haar lichaam binnen een paar etmalen al dusdanig aan dat ze uitsluitend nog kon liggen. Haar haar werd wit en viel uit; haar werkgever had alvast een in memoriam geschreven, en toen Porter zich probeerde op te richten om íets te eten, viel ze en brak haar arm. Artsen zeiden dat ze sowieso niet meer zou kunnen lopen, als ze deze afdeling al levend zou verlaten.

In 1939 bracht Porter Vaal paard, vale ruiter uit: een fraaie, recent voor het eerst in Nederland verschenen bundeling van drie lange verhalen waarvan vooral het titelverhaal overrompelend sterk is. Hoofdpersonage Miranda, uiteraard geheel toevallig ook een journaliste te Denver, wordt geveld door een ‘rare nieuwe ziekte. Die laat geen spaan van je heel’, aldus Adam, de militair die Miranda vlak hiervoor heeft ontmoet. Het is verleidelijk om het verhaal naast Porters levensloop te leggen en op de vele parallellen te wijzen, maar het is interessanter om te kijken wat ze met die autobiografische elementen heeft gedaan. Zelden las ik een verhaal waarin iemands isolement, fysiek en geestelijk, zo krachtig wordt opgeroepen, zonder ook maar eventjes over te hellen naar theatraal of larmoyant.

Aanvankelijk houdt Miranda zich nog bezig met de interacties op de krantenredactie waar ze werkt, het ambitieuze gekonkel en de onderlinge roddels. Ze blijkt standvastig wanneer ze onder druk wordt gezet om staatsobligaties te kopen – iedereen doet het, krijgt ze te horen, en ook: de jongens verderop moeten gesteund worden, voor die oorlog die voor Miranda een abstractie blijft. Maar subtiel en heel knap draait Porter haar verhaal vervolgens om. Terwijl de oorlog eindigt en er buiten een jubelstemming losbarst, gist en groeit de strijd in Miranda’s binnenste. Dat gaat bijzonder vlug, maar het tempo past bij de manier waarop de griep haar overmeestert, en het springerige dat in de taal sluipt past bij haar koortsachtige toestand – en zorgt er bovendien voor dat het verhaal onder een gejaagde, almaar toenemende spanning komt te staan. Steeds sneller dienen paniekgolven zich aan: is er nog wel plaats in het ziekenhuis? Waarom wordt haar zicht plotseling zo wazig, waar is haar spierkracht gebleven?

Miranda’s gedachten stuiteren heen en weer tussen de krantenredactie en haarzelf in dat ziekenhuisbed. ‘Ze dacht: dit is het begin van het einde van iets. Er gaat iets vreselijks met me gebeuren.’ Het volgende moment is ze terug bij een aftastend cafébezoekje met Adam, zo kort geleden nog maar, zo vrij en ongedwongen, en met een blik die toch al onverhoeds wordt gekleurd door naderend onheil: ‘In een fractie van een seconde zag ze een glimp van Adam als oudere man, het gezicht van de man die hij nooit zou worden.’

Porter beschouwde deze drie verhalen als het hoogtepunt van haar oeuvre

Dit is een typische Porter-formulering, trefzeker, beeldend en ook opvallend helder. Alsof het verhaal niet bijna een eeuw maar slechts een half jaartje geleden is geschreven. Zo roept ze binnen honderd pagina’s een sensatie op waar menige schrijver een romancyclus voor nodig zou hebben: de ervaring alle controle over je bestaan te verliezen.

Ook de twee andere verhalen in Vaal paard, vale ruiter gaan over sterfelijkheid – zonder de roesachtige, indringende kracht van het titelverhaal, maar wel met diezelfde precisie. In het beklemmende Noenwijn is het decor een boerderij in Texas, waar een man na jaren afwezigheid opduikt en de kalme afzondering bruusk verstoort. Sterk is hier vooral hoe Porter de spanning ook zonder acute doodsangst opbouwt, onder meer door te variëren tussen korte en lange zinnen, tussen bloemrijk en compact.

In Oude sterfelijkheid rekt ze de tijd juist uit tot een hele jeugd, die ietwat traag op gang komt maar uiteindelijk wordt gekenmerkt door sterke scènes. Opnieuw volgen we hier Miranda, nu in een gelukkig niet te naïeve kindergedaante; ze is nog ver verwijderd van de Spaanse griep en veroordeeld tot een verblijf ‘in het Klooster van het Kindje Jezus’ in New Orleans. Haar wereld is hierdoor begrensd en streng, zelfs ‘als je te luidruchtig rouwde, betekende dat gewoon weer een aantekening voor slecht gedrag’. Maar intussen lonkt er een groter bestaan, een roesachtige doorbreking van het doordeweekse isolement wanneer ze ’s weekends naar buiten mag, naar de paardenracebaan met haar drankzuchtige oom Gabriel, later ook naar een begrafenis. Kort droomt ze ervan jockey te worden, maar vooral wil ze zodra het kan de buitenwereld in stappen, die ze in dit verhaal beter en beter probeert te doorgronden, met haar zus aan haar zijde: ‘Gretig en aandachtig luisterden ze toe, pikten hier en daar flarden op, verbonden zo goed mogelijk verhaalfragmenten aan elkaar die klonken als stukjes poëzie of muziek.’

Een omschrijving die ook van toepassing is op het proza van Porter zelf. Vaal paard, vale ruiter is een bundeling zonder ruis of slijtagesporen. Porter zelf bleef deze drie verhalen tot aan haar dood in 1980 als het hoogtepunt van haar bescheiden oeuvre beschouwen. Later nam ze ze alle drie op in haar Collected Stories (1965), waarvoor ze de National Book Award én de Pulitzer Prize kreeg.

De jonge luitenant die samen met haar ziek werd, in 1918, stierf trouwens aan de zwarte griep. Porter zelf verklaarde later dat ze voelde dat ze niet zou sterven: ‘I resisted. I would not die. I could not.’ Wie deze bundel leest, zou bijna geloven dat ze die tijd doorstond om er in elk geval één prachtverhaal over te schrijven.