Spanje: Al-Qaeda op voorsprong

Dit is het nieuwe Europa

Door de verschrikkelijke aanslagen in Madrid is duidelijk geworden dat Spanje de belangrijkste doorvoerhaven is voor islamitische terroristen. Omdat al-Qaeda en zijn opvolgers een transnationaal netwerk vormen, is internationale samenwerking een eerste vereiste.

Het goede nieuws van de afgelopen week is dat premier Aznar en zijn Partido Popular (PP) door de Spaanse kiezers naar huis zijn gestuurd. Die afstraffing danken ze niet — zoals de socialistische winnaar Zapatero stelt — aan hun standpunt inzake Irak, maar aan de wijze waarop ze de Madrileense bomaanslagen electoraal trachtten uit te buiten. Eén dag voor de verkiezingen drong de waarheid tot het grote publiek door omdat de kwaliteitskranten op goede gronden schreven dat niet de Eta, maar een groep islamisten achter de aanslagen zat en de minister van Binnenlandse Zaken het onderzoek naar die groep frustreerde.

In dat ene lichtpuntje is tevens al het slechte nieuws van de afgelopen week vervat. Om te beginnen heeft geen enkele inlichtingendienst de aanslagen zien aankomen. Madrid was voorbereid op een aanslag van de Eta omdat die groepering vaak toeslaat aan de vooravond van verkiezingen. Aangezien de beweging door de Spaanse en Franse politie in het nauw is gedrongen, hield Madrid er ernstig rekening mee dat de Eta «iets groots» van plan was om zijn bestaansrecht te bewijzen. Maar de hypothese dat de metrobommen het werk van Basken waren, kon binnen enkele uren naar de prullenmand worden verwezen. Alleen een ondersteunende rol van de Eta bij de aanslagen is niet uit te sluiten omdat de Eta in het verleden herhaaldelijk met andere organisaties heeft samengewerkt.

Zo’n samenwerkingsverband is «een nachtmerrie voor alle Spanjaarden», zoals een BBC-correspondent het uitdrukte. De aanwijzingen hiervoor zijn echter minimaal. Volgens de Spaanse politie zijn sommige Eta-commando’s in het verleden opgeleid in trainingskampen in Algerije, Libië en Libanon, waar ze waarschijnlijk met islamistische groeperingen in contact zijn gekomen. Voorts arresteerde de Spaanse politie twee maanden na de aanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington een zekere Alexander Galan, zich noemende Joessoef, een tot de islam bekeerde Bask die in een vorig leven lid was van Batasuna, de politieke vleugel van de Eta. En ten slotte is er het gerucht dat de Eta enkele jaren geleden een hoeveelheid springstof zou hebben geleverd aan de Palestijnse terreurbeweging Hamas. Enig bewijs voor samenwerking is er echter niet.

Het lijkt wel vast te staan dat de eigenlijke bommenleggers islamisten waren, behorend tot een commando dat die zich de Marokkaanse Islamitische Strijdgroep noemt. Eén van de drie Marokkaanse verdachten die afgelopen zaterdag in Madrid werden gearresteerd is de dertigjarige Jamal Zoegam, die naar verluidt in Marokko wordt gezocht in verband met de zelfmoordaanslagen op 16 mei vorig jaar in Casablanca. Zoegam komt ook voor in de aanklacht die onderzoeksrechter Baltasar Garzón vorige herfst deponeerde tegen leden en medeplichtigen van al-Qaeda die de 11 september-aanslagen vanuit het Spaanse Tarragona zouden hebben beraamd. Scheidend minister van Binnenlandse Zaken Acebes meldde op zijn laatste persconferentie bovendien dat de drie een strafblad hadden. De hemel weet hoeveel andere daders konden ontsnappen of hun sporen uitwissen omdat de Spaanse veiligheidsdiensten gedurende drie dagen ten onrechte het Eta-spoor volgden.

De tot nog toe bekende feiten bevestigen de stelling van al-Qaeda-kenner Roy Gunaratna dat de slagkracht van al-Qaeda weliswaar is verminderd, maar dat de strijd is overgenomen door een netwerk van nieuwe groepen die zich door al-Qaeda laten inspireren. «Zoals reeds is gebleken in Turkije, Marokko, Tsjetsjenië, Pakistan, Tunesië, Algerije, de Filippijnen, Jordanië, Irak en Indonesië zijn lokale groepen met training, wapens, geld en ideologische inspiratie van al-Qaeda in staat tot even dodelijke aanvallen», schreef hij in De Groene Amsterdammer van 20 december vorig jaar. Al-Qaeda pleegde eens in de twee tot drie jaar een grote aanslag, de navolgers voeren het tempo op tot eens per drie maanden. Italië, na Groot-Brittannië en Spanje de voornaamste bondgenoot in George Bush’ war on terror, vreest het volgende slachtoffer te worden.

De Madrileense aanslagen wijzen bovendien op een kwalitatieve sprong in de islamistische tactiek. De aanslagen in Casablanca en die in Istanboel in november vorig jaar waren nog het werk van zelfmoordenaars. In Casablanca kwamen tien daders om het leven bij het tot ontploffing brengen van hun springladingen. De Madrileense bommen werden echter van afstand tot ontploffing gebracht door middel van mobiele telefoontjes. Dat betekent dat zeker vijf van de daders — die nu door de Spaanse politie schijnen te worden gezocht, hoewel niet duidelijk is of hun identiteit inmiddels bekend is — beschikbaar zijn om nieuwe aanslagen te plegen of hun ervaring te gebruiken bij de opleiding van rekruten. En het betekent dat toekomstige daders niet bij voorbaat bereid moeten zijn het hoogste offer te brengen, hetgeen de rekruteringsvijver opeens een stuk groter maakt.

Het meest verontrustende aspect van de Madrileense aanslagen is echter het onvermogen van de inlichtingendiensten om islamistische netwerken zelfs maar in kaart te brengen. Afgelopen vrijdag lieten medewerkers van de Amerikaanse inlichtingendienst NSA via de grote kranten weten dat ze, anders dan bij vorige gelegenheden, voorafgaand aan de aanslagen in Madrid geen verhoogde communicatie (in vaktermen «chatter» genoemd) tussen met al-Qaeda geassocieerde telefoons en e-mailadressen hadden waargenomen. Het kan niet anders of de daders hebben slechts oppervlakkig contact met elkaar gehad en elke schriftelijke of elektronische vorm van communicatie geschuwd. Dat zou verklaren waarom het alarm van één van de telefoontjes, gevonden bij een niet-ontplofte bom, was ingesteld op 19.40 uur in plaats van 7.40 uur.

Nu Madrid eindelijk meer informatie vrijgeeft, laat de ene westerse inlichtingendienst na de andere weten nog nooit van het Madrileense commando te hebben gehoord. De Marokkaans sprekende man die de aanslagen opeist op een videoband die na een tip werd aangetroffen bij een grote Madrileense moskee en die zich Aboe Doejan al-Afghani noemt, komt ogenschijnlijk in geen enkele kaartenbak voor. Britse functionarissen lieten weten dat ze twijfelden aan zijn zelfverklaarde rol van «militair woordvoerder van al-Qaeda in Europa» aangezien al-Qaeda voorzover bekend niet een dergelijke functie kent. Maar een andere functionaris gaf ten overvloede te kennen dat «ons inzicht in al-Qaeda niet is wat het zou moeten zijn».

De voorspelbare roep in de Europese media om verscherpte bewaking van allerlei objecten, variërend van moskeeën tot treinperrons, is in het licht van de «uitdaging» van Madrid irrelevant. Het resultaat zal zijn dat terroristen voorlopig de moskee mijden en zich richten op andere «zachte doelen». Het enige zinvolle antwoord is waarschijnlijk de infiltratietactiek die de Franse politie en staatsveiligheidsdienst tot nog toe met het meeste succes hebben toegepast. Maar omdat al-Qaeda en zijn opvolgers een transnationaal netwerk vormen, is internationale samenwerking daarvoor een eerste vereiste. En in dat opzicht lijkt de wereld gedurende de tweeënhalf jaar na 11 september 2001 vrijwel te hebben stilgestaan, ook al zijn allerwegen de budgets verhoogd, de bevoegdheden vergroot en nieuwe vergadercircuits en internationale informatiekanalen geopend.

De oorzaak van die stilstand is dat regeringen, als vanouds, vooral geïnteresseerd zijn in de veiligheid van hun eigen territorium en in het bijzonder die van hun eigen machts positie. Dat is misschien wel het slechtste nieuws uit Madrid: de schandalige verkiezingsstunt van de PP staat model voor de algehele politisering van het westerse inlichtingenwerk ten behoeve van partijbelangen en kortetermijnoverwegingen. Het voorlopige dieptepunt was de Irak-oorlog, die werd gevoerd op basis van selectieve of gemanipuleerde inlichtingenrapporten. Ook de regering-Aznar heeft zich hierin zo ver laten meeslepen dat zij in zekere zin medeverantwoordelijk is voor het falen van de Spaanse inlichtingendiensten vorige week donderdag.

Door zijn pro-Amerikaanse houding heeft Aznar namelijk de relatie met Marokko en andere Arabische landen zozeer verstoord dat de Spaanse autoriteiten niet eens wisten dat de genoemde Zoegam in Marokko werd gezocht, met als gevolg dat hij in Spanje zijn gang kon gaan. Spaanse politiedelegaties maken nu hun opwachting in Marokko en Saoedi-Arabië, een ander Arabisch land waarmee Aznar het contact heeft laten versloffen, teneinde de informatieachterstand in te lopen. Hopelijk zal de komende man Zapatero zijn voordeel doen met de aangekondigde solidariteitsdemonstraties in Tanger en andere Marokkaanse steden. Volgens de Marokkaanse organisatoren moeten die demonstraties het besef versterken dat Marokkanen en Spanjaarden in hetzelfde schuitje zitten als het om de terroristische dreiging gaat.

Het is ook te hopen dat Zapatero zuinig is op de verbeterde samenwerking met Frankrijk waardoor de Eta de laatste jaren praktisch in zijn geheel kon worden opgerold. Die samenwerking is van groot belang omdat Spanje geldt als de belangrijkste «doorvoerhaven» voor islamitische terroristen uit de Maghreb. Minstens even urgent is een verbeterde Frans-Britse samenwerking. Die komt binnen bereik zodra de Britten besluiten een einde te maken aan «Londonistan», de benaming van de Franse inlichtingendiensten voor het netwerk van activisten rond de Finsbury Park-moskee en andere fundamentalistische hoofdkwartieren in de Britse hoofdstad. Daar ligt voor Tony Blair een zinvoller taak dan het voeren van oorlogen aan de andere kant van de wereld die, zoals de Madrileense aanslagen ten overvloede hebben bewezen, het terrorisme geen halt toeroepen.