Idfa Armadillo

Dit is hoe het is

In het zuiden van Afghanistan zijn 650 Deense militairen actief. De Deense regisseur Janus Metz maakte een beklemmend portret van zijn landgenoten op de basis Armadillo.

‘KILL ’M ALL, God will recognize his own’, staat geschreven op een geschutsopstelling op het kleine militaire kamp Armadillo. De gevechtsbasis ligt in de woestijn van Helmand, niet ver van de begroeide vallei waar de rivier doorheen stroomt die de provincie zijn naam geeft. In dit Zuid-Afghaanse gebied opereren Britse troepen, lezen we in Nederland in de krant. Maar er is ook een bataljon van 650 Deense militairen actief, verspreid over verschillende bases. De Deense regisseur Janus Metz maakte een beklemmend portret van zijn landgenoten die vanaf forward operating base Armadillo opereren. Het werd een indrukwekkende, rauwe oorlogsfilm, het verhaal van de verwording van een peloton. De documentaire belooft een van de successen van Idfa 2010 te worden.
Evenals de Nederlanders in Uruzgan benadrukt de Deense krijgsmacht dat ze in Helmand is om de bevolking te helpen. Ook in Denemarken is dat wat de politiek van haar militairen verwacht. In Nederland bleek het beeld van een wederopbouwmissie niet houdbaar door de vele gevechten. Hetzelfde geldt voor Denemarken, zo blijkt. Het is regisseur Metz echter gelukt om met zijn documentaire de Deense situatie te overstijgen: Armadillo toont de ontaarding van de gehele stabilisatiemissie Isaf - de Navo-missie in Afghanistan - die is vastgelopen in een moeizame guerrilla.
Metz en zijn cameraman reisden in zes maanden tijd vier keer naar Armadillo en brachten er in totaal drie maanden door. In de film volgt hij het peloton vanaf de voorbereidingen voor hun uitzending tot en met hun thuiskomst. Vlak voordat de mannen vertrekken (‘Huzaren, dit is het!’) filmt Metz hoe hun commandant hun vertelt dat ze komen voor de Afghaanse bevolking. Het is meteen de laatste keer in de film dat dit altruïsme, dat op papier de kern uitmaakt van Isaf, ter sprake komt. Vanaf dat moment wordt de kijker één met de Deense militairen. Hun frustraties over de onzichtbare vijanden en hun grimmige vreugde als ze er een paar aan stukken weten te schieten komen akelig dichtbij.
De Groene Amsterdammer sprak met regisseur Janus Metz: ‘Ik zie mezelf in de eerste plaats als een filmende antropoloog. In Armadillo breng ik de morele dilemma’s in beeld van de hoofdpersonen die hun taakopdracht in de gevarenzone van de provincie Helmand tot een goed einde proberen te brengen. Ik ben me ervan bewust dat ik bij dit project gedwongen was een ambivalente positie in te nemen. Als filmmaker ben je een onderdeel van het conflict, en tegelijkertijd bewaar je afstand om het te kunnen filmen.
Het is waar dat ik gedurende mijn verblijf op Armadillo verplicht was om hetzelfde uniform te dragen als de soldaten van het peloton dat ik volgde. De kwestie van identificatie met het subject van ons filmproject is bijzonder gecompliceerd. Het heeft natuurlijk consequenties, maar is ook onvermijdelijk als je jezelf tot doel stelt zo dicht mogelijk op de huid te zitten van je onderwerp. Cameraman Lars Kree en ik hebben er hard voor moeten werken om door de anderen als een volwaardig onderdeel van de groep te worden opgenomen. Er was sprake van een vertrouwensband. Maar hoe intenser je je met de soldaten inlaat, hoe moeilijker het wordt om afstand tot de oorlog te bewaren. Hoe vaker je een uniform aantrekt, hoe meer je dat uniform wordt. Ik ervoer dat ik met een uniform aan ook echt anders ging staan, bewegen, praten, handelen. Hoe langer Lars en ik ons in de oorlogszone ophielden, hoe meer wij ook zelf verwerden tot soldaten.’

VOOR HET FILMPORTRET had dat geen nadelige gevolgen. Integendeel: cameraman en regisseur kwamen zo dicht bij hun onderwerp dat ze er vrijwel mee samenvielen, wat een meedogenloos beeld van de militairen opleverde. Zo kan het gebeuren dat het steeds grotere gemak waarmee burgerslachtoffers worden geaccepteerd de kijker besluipt - waarop hij moet vaststellen dat hij daarover geen verontwaardiging, maar een rudimentair begrip voelt opborrelen. Na het eerste vuurgevecht van het peloton krijgt de commandant een bericht op zijn veldradio. ‘De dorpelingen vragen de Taliban te stoppen met vuren zodat ze hun gewonde vrouwen en kinderen kunnen weghalen. Niet goed.’ Hier zijn de militairen nog vertwijfeld - ook al vermoeden ze dat het een list is van de Taliban om wapens af te voeren.
Een maand later zit de mortierwaarnemer van de eenheid emotioneel aan de grond omdat hij gehoord heeft dat een van zijn mortiergranaten een klein meisje heeft gedood. ‘Ik ben degene die zegt: dit is je doelwit’, mompelt hij verslagen. Hij wordt opgebeurd door een kameraad die hem uitlegt dat waar gehakt wordt nu eenmaal spaanders vallen. Hier wordt de morele afgrond zichtbaar waar het peloton langzaam maar zeker naartoe wordt gedreven. ‘Ik was erg geïnteresseerd in de interactie tussen onze soldaten en de Afghanen. Maar het was moeilijk om een helder beeld van die Afghanen te krijgen omdat we ze nooit op een normale manier konden benaderen’, zegt Metz. ‘We kwamen altijd in zwaarbewapend konvooi hun akkers op rijden om de boel te inspecteren, wat heel intimiderend was. We proberen een soort van illusoire veiligheid te creëren door zoveel mogelijk leden van een spookachtige vijand over de kling te jagen. Waarbij ook nogal wat burgers per ongeluk om het leven komen.’
Armadillo is geen vechtfilm. Er komen slechts twee vuurgevechten in voor, maar die zijn van zo dichtbij gefilmd dat je adem ervan stokt. Het zoeven van de kogels doet niet onder voor de beroemde openingsscène van Saving Private Ryan, gesitueerd tijdens de geallieerde landingen in 1944 op de Normandische kust. Maar dit is echt. Het beeld van een jonge gewonde Deense soldaat die, nadat de medic hem onder handen heeft genomen, met grote morfineogen verbaasd naar het slagveld kijkt, is het icoon van de film geworden. En daarmee van de verloren strijd die de Navo in Afghanistan voert. Metz: ‘Natuurlijk gaat er van het verschijnsel oorlog ook een bepaalde aantrekkingskracht uit. Dat mag je niet uit het oog verliezen. Mijn benadering van dit conflict in Afghanistan was een filmische, sommigen zouden zeggen een artistieke. Ik wilde proberen vast te leggen wat het betekende voor de soldaten om de dood van zo nabij te ervaren. Wat hun zelfbeeld was.’

NIET DAT van hulpvaardige westerlingen, in elk geval. Na maanden vruchteloos patrouilleren, waarbij ze steeds op minder dan een kilometer van de basis in gevecht raken met Taliban-strijders, zijn ze het Isaf-verhaal spuugzat. Het enige wat ze willen is strijders doden. ‘Kom op, geef me een Taliban’, zegt een van hen. ‘Het lijkt hier verdomme wel een killzone’, zegt een ander, vlak voordat het tweede vuurgevecht van de film losbarst. De eenheid heeft er genoeg van om speelbal te zijn van de Taliban, en is er geheel tegen de gewoonte in ‘s nachts op uit getrokken, met zwartgemaakte gezichten, om bij dageraad te kunnen opduiken in een gebied waar hun vijand hen niet verwacht. De truc slaagt. Na een hels gevecht weten ze vijf Taliban te doden in een greppel, op slechts vijf meter afstand. Een van de militairen gooit een handgranaat. Als hij bij nadere inspectie nog gekreun hoort en een van de gewonde strijders ziet wegkruipen, doorzeeft hij hen met bijna veertig kogels. 'Ik heb ze op een zo humaan mogelijke wijze geliquideerd’, zegt hij tijdens de debriefing op thuisbasis Armadillo. De camera draait, close-up. Dat de militair zich geen moment afvraagt of het wel verstandig is dat te zeggen, toont hoe ongelooflijk dicht Metz en Kree de mannen op de huid zitten.
Metz: ‘Of hierbij alles geschiedde volgens de regels van het oorlogsrecht durf ik niet te zeggen. Dat wordt opengelaten in de film. Het is aan de kijker zelf om te oordelen. Die scènes van het gevecht vertonen we in hun geheel. Het is wat je noemt een real take. De camera liep door en we hebben er ook later niet meer in gesneden. Wat mij vooral interesseert is niet of er juridisch gezien sprake is van een misdaad maar wat er allemaal door de hoofden van de jongens ging die erbij betrokken waren. De jongens die ik gevolgd heb in de strijd zijn geen van allen monsters. Maar de kijker kan zien dat ze ook de duistere kanten van de oorlog niet uit de weg gaan. Dat ze zich daar op een bepaalde manier juist toe aangetrokken voelen. Ze zijn benieuwd hoe het voelt om te vechten, om oog in oog te staan met de dood. Ze willen de bovenste laag van de werkelijkheid afschrapen en een nog diepere realiteit ervaren.’
De release van Armadillo werd niet voor alle soldaten uit de documentaire een pretje. Het Deense parlement dwong defensie een onderzoek te openen naar de liquidaties. ‘Ik heb me het hoofd gebroken over mogelijke gevolgen die mijn film zou kunnen hebben voor de betrokkenen’, zegt Metz: ‘Het dilemma waar ik voor stond was: wat voor film durf ik uiteindelijk te vertonen zonder ofwel de soldaten ofwel de werkelijkheid te compromitteren? Wat weegt zwaarder? Wanneer wordt het kunnen vertonen van een film belangrijker dan de problemen die het veroorzaakt voor een individu? In zekere zin is dit project me boven het hoofd gegroeid.
Sinds Armadillo in roulatie is gekomen, heb ik de soldaten niet meer gesproken. Dat komt omdat ik veel weg ben voor promotie van de film, maar ook omdat veel van hen niet meer met me willen praten. Tegelijkertijd zijn er ook soldaten die van mening zijn dat dit een film is die echt gemaakt moest worden. Dit is hoe het is. Ze zijn blij dat er eindelijk een film is die geen bullshit verkoopt. De jongens hebben hem allemaal gezien. Sommigen wel drie keer. Sommigen waren tevreden, anderen hebben gehuild. Sommigen waren boos op mij, anderen waren me dankbaar. Maar verder wil ik hier niet over praten. Het ligt allemaal heel gevoelig. Ook voor mij.’