Een poetisch manifest

Dit is mijn kikkerbloed

De ruimte is het Nieuwe Wilde Westen voor de poëzie, stelde Olaf Zwetsloot in een manifest bij de presentatie van een ‘nieuwe generatie dichters’. Zoals Icarus vloog, zo springen de jongste dichters nu. Naar de sterren.

RUIMTEREIZEN ZIJN nu ruim dertig jaar een feit. Space shuttles vliegen met hoge frequentie af en aan. Telescopen, satellieten en wat al niet meer omcirkelen permanent de aarde. Er liggen plannen klaar voor commerciële shuttlevluchten, het Hilton op de maan, grondstoffenconcessies. Nu de mens voor het eerst in staat is het tot voor kort ongenaakbare mysterie der hemellichamen met zijn vingertoppen te beroeren, volgt onvermijdelijk de volgende stap: exploitatie.

Het is niet voor het eerst dat de technologie evenaart wat de verbeelding allang had geconcipieerd. Neem Neil Armstrong, de eerste man op de maan: een pion, vooruitgeschoven op het schaakbord van de kosmos. Echter, voordat een zet gedaan kan worden moet hij eerst worden verzonnen. Jules Verne had in zijn fantasie de stap naar de maan allang gezet. Zo rukt de wetenschap op in het kielzog van de schrijvers - langzaam, hemelwaarts. Hier en daar treden de mysteriën van de ruimte terug om plaats te maken voor de complexe formules van astrofysica en kwantummechanica. Als Huizinga schrijft: ‘men had met zijn smachtende armen de hemel omlaag getrokken’, brengt hij daarmee treffend een algemeen menselijk verlangen tot uitdrukking. Een verlangen dat vandaag de dag heel letterlijk wordt beleden.

Ook een nieuwe generatie dichters laat zich wat dat betreft niet onbetuigd. Veel van de poëten die in Ruben van Goghs bloemlezing Sprong naar de sterren zijn vertegenwoordigd voelen zich, zo blijkt, meer dan andere generaties aangetrokken tot het mysterieuze universum. Is er sprake van een sciencefiction-beweging in de poëzie, de opkomst van kosmo-poëzie?




OOIT WAS CALIFORNIE het land van gouden beloften, waar desperado’s, vrijbuiters, goudzoekers en goddelozen hun geluk gingen beproeven. Ooit lag het aan de uiterste grens van de westerse wereld, The Fronteer waar de beschaving ophield en de wildernis begon; het onbekende, waar de pioniersgeest zich kon uitleven buiten de gebaande paden, en zijn dromen kon verwezenlijken. Langzaam rukte de beschaving op, werden steeds meer gebieden door de trein ontsloten, totdat uiteindelijk de Westkust werd bereikt en de kolonisatie van het Noord-Amerikaanse continent een feit was.

Inmiddels is de Golden State, Silicon Valley in het bijzonder, het hoog-technologische hart van de mondiale computerindustrie, en niet minder dan vroeger een land van beloften, van pioniersgeest en de spirit of free enterprise; waar de kracht van droom en daad zijn verenigd in een oppermachtige alliantie. Het is de plek waar wetenschappers en ingenieurs in innig verbond de grenzen aftasten van het haalbare, zoals schrijvers, dichters en niet te vergeten filmmakers dat doen met de grenzen van het voorstelbare. Silicon Valley is voor de daad (science) wat Hollywood is voor de droom (fiction).

Het zal geen toeval zijn dat Californië zo'n belangrijke rol speelt bij het koloniseren van dat Nieuwe Wilde Westen, de ruimte. De voortbrengselen van Hollywoods droomfabrieken zullen toch zeker het ruimtevaartverlangen van de natie hebben gevoed, de wil hebben geprikkeld om met technologie te evenaren wat het witte doek al had voorgetoverd. Zij zullen met hun verleidingskunsten de wetenschappers toch niet onberoerd hebben gelaten?

Niet alleen de aarde is door toegenomen mobiliteit en communicatie kleiner geworden, ook de kosmos, zij het in zeer geringe mate. De maan, Mars, de sterren - ze zijn de huiskamer binnengetrokken. Documentaires, televisieseries en films als War of the Worlds, Star Wars, Star Trek, E.T. en Close Encounters of The Third Kind hebben ruimtevaart en sciencefiction gepopulariseerd. De crew van de Enterprise is voor veel kijkers niet meer en niet minder dan extended family. Er worden zelfs linguïstische symposia georganiseerd over de grammatica van het Klingoons, de taal van een krijgszuchtig ruimtevolk uit Star Trek.

De publieke verbeelding borrelt over van verhalen over buitenaardse ontvoeringen, zogenoemde alien abductions, die vaak gepaard gaan met medische experimenten in de stijl van dokter Mengele. Deze al dan niet ingebeelde ontvoeringen worden beschouwd als een eigentijdse psychische aandoening. Bladen over mysterieuze fenomenen als graancirkels en ufo’s schieten als magic mushrooms uit de grond. Niet voor niets kan een tv-serie als The X-files zich in zo'n mateloze populariteit verheugen. Ook kan eenieder die dat wil met zijn computer inloggen op het netwerk van SETI (Search for Extra-Terrestrial Intelligence),
dat met de vereende kracht van miljoenen pc’s de ruimte aftast naar buitenaards leven.
Het komt er eigenlijk op neer dat sciencefiction, complottheorieën en speculaties over buitenaards leven heel erg mainstream zijn geworden, mainstreamer kan bijna niet. The future is today is een gemeenplaats die nog niets aan kracht heeft ingeboet, want wat velen voor sciencefiction houden is al werkelijkheid. Het is dus niet verwonderlijk dat ook dichters hun geestesoog wenden naar dat Nieuwe Wilde Westen, waar het goud voor het oprapen ligt en waar zij, gewapend met de nieuwste metaforen die de technologie hun te bieden heeft, hun creativiteit de vrije loop kunnen laten.




VAN OUDSHER VINDT poëzie haar kracht in de aanraking met het mysterie, en een groter mysterie dan het heelal bestaat niet. Het is dus de perfecte speeltuin der po
ëzie. Het is bovendien grotendeels onontgonnen gebied. Het onderwerp is, ook gezien de gestage stroom van nieuwe wetenschappelijke inzichten, oneindig fris. De vormen zijn nog nieuw en niet versleten. Op de maan valt het licht in clair-obscur en in dat licht is het dat de poëzie zich het best thuis voelt, in de schemer, waar de vormen zich vermengen en waar een witte draad niet van een zwarte draad te onderscheiden valt. Laten we zeggen dat het wachten is op de eerste dichter-astronaut, die wordt uitgezonden om in orakeltaal verslag te doen van een verblijf in de ruimte en van het effect van gewichtloosheid, niet slechts op botten en spieren maar ook op de roerselen der ziel. Het is nog even wachten, maar die dichter zal er komen. Het zal de eerste poëzie zijn door een dichter in het buitenaardse geschreven.

Laten we echter niet over het hoofd zien dat poëzie zolang zij bestaat al een kosmische oriëntatie heeft gehad. Dat hele kosmogonieën, zoals de Oud-Indische Veda’s, de bijbel en de koran, in versvorm gesteld zijn. Zo bezien is de space age al duizenden jaren geleden begonnen.

De legende van Icarus, toch ooit aan een poëtische geest ontsproten (al was het die van Icarus zelf, zijn eigen dood voorziend) is een mooi voorbeeld van sciencefiction avant la lettre. Een man vliegt met gebruikmaking van primitief-technologisch vernuft richting zon en bekoopt de hoogmoed van een dergelijke nadering tot het goddelijke met zijn leven. Kennelijk is de drang de hemel te verkennen een diep-menselijk gegeven. Het poëtisch prozawerk Le petit prince van de schrijver-vliegenier Antoine de Saint-Exupéry daarentegen is een mooi voorbeeld van twintigste-eeuwse ruimteverbeelding. De technologie speelt daarin wel een rol, zij het, eigenlijk net als bij Icarus, slechts als randvoorwaarde van de gebeurtenis.

Maar hier gaat het meer om de mens dan om zijn hoogmoed; hij wordt minder bezien in het harde licht van een hemels oordeel en meer in het pastel der compassie; minder als symbool en meer als mens. De kleine prins verplaatst zich met een vliegtuigje door de ruimte, maar waar het werkelijk om gaat is zijn eenzaamheid en zijn behoefte aan vriendschap. Het is alsof de desolate leegte van de ruimte de menselijke conditie sterker doet uitkomen en de dramatische contouren sterker getrokken lijken. Alsof we door het isolement van de kleine prins sterker op hem inzoomen en daardoor meer van hem te weten komen.

Het is de verhouding tot het goddelijke die het onderscheid vormt tussen de oude en de moderne representatie van de kosmos in de poëtische verbeelding. Het omslagpunt ligt in de Verlichting. Wat ooit in essentie onverklaarbaar was en ook niet bedoeld om door de mens begrepen te worden, ja zelfs verboden gebied was voor de onderzoekende impulsen van de geest, waar wetenschap oog in oog kwam te staan met aartsrivaal theologie - daar, in dat gebied, het goddelijk domein is nu voor iedere onafhankelijke geest alle ruimte om naar hartelust rond te wroeten en te zoeken naar verklaringen.

Het mysterie is in deze tijd niet heilig meer. God is dood, bedolven onder een dikke laag laboratoriumafval en ideologisch koffiedik. De wetenschappelijke verklaring heeft met veel aplomb de plaats ingenomen van religie en mystiek. De Gouden Eeuw van de genetische manipulatie is aangebroken. Daarin staat de technologie symbool voor het geloof in de maakbaarheid van een door mensen geconstrueerde kosmos, en, in het verlengde daarvan, van een door mensen gecreëerde mens.

Ook de poëzie, die hogepriesteres van het mysterie, heeft zich gaandeweg van de godenwereld afgekeerd en meer en meer elementen van wetenschappelijk denken geabsorbeerd. Veel Nederlandse poëzie bijvoorbeeld kan alleen nog maar door wetenschappers en academici worden gelezen, of zal ik maar liever zeggen: ontleed? Zo bezien is de academische poëzievorser als een patholoog-anatoom die zich in het mortuarium der dichtkunst verlustigt aan de lijken. Rimbaud drukt zich veelvuldig uit in termen die regelrecht uit wetenschappelijke publicaties lijken te zijn overgenomen. Majakovski ontdoet zich van het mysterie door de kosmos te banaliseren: 'Op heft de zon het roodvaal hoofd,/ een korst van kater op gesprongen lippen,/ en naakt is hij van kracht haast zo totaal beroofd,/ dat hij het liefst meteen weer/ in de snollenkuil der nacht terug zou glippen.’ Of: 'En eer goed en wel/ de nacht,/ die Moorse veile,/ gestrekt in schaduw/ en in rust/ terneer lag,/ kroop roodheet over haar alweer het geile/ karkas van een nieuwe
door honger verteerde dag.’

Sommige gedichten van Achterberg getuigen ervan dat hij op de hoogte moet zijn geweest van modern-wetenschappelijke inzichten.

Poëzie en wetenschap, twee loten aan de stam van de waarneming, zijn altijd onverbrekelijk met elkaar verbonden geweest, al was het maar omdat zien een vorm van weten is en weten een vorm van zien. Wie kijkt zonder te zien, weet niet. Niet voor niets wilde Rimbaud een ziener worden, een voyant.



MEN ZOU BIJNA zeggen dat de poëtische verbeelding in combinatie met zoveel wetenschappelijke inzichten automatisch sciencefiction zou opleveren. Maar nee. Als de po
ëtische verbeelding een magnetron is waarin woorden met microgolven worden bestookt teneinde een gedicht op te leveren, is er dan sprake van sciencefiction? Nee, want de magnetron is een bestaand instrument, de metafoor slechts postmodern. Als Ingmar Heytze in zijn gedicht, met de tot de verbeelding sprekende titel 'TMR-1c’, schrijft: 'Gevolgd door de ontgoocheling/ bij aankomst van de eerste foto’s:/ de dichtstbijzijnde buurplaneet/ heeft panne op de vluchtstrook/ van de melkweg - stil en uitgedoofd,/ en nergens een praatpaal van hoger leven/ of een hemels teken van geluk’, praten we dan over sciencefiction? Nee, want hij heeft het gewoon over een ruimtesonde die foto’s van planeten neemt. Niks nieuws onder de zon, want technisch haalbaar.

De suggestie van sciencefiction wordt echter wel gewekt, en dat is eigenlijk ook de hoofdzaak. Het zijn vooral de suggestiviteit en het voorvoelend vermogen die interessant zijn voor de poëzie. Wat het effect is van technologie op de menselijke conditie is een fascinerend vraagstuk. Het leven in de prometheïsche belofte der technologie roept een heel scala aan dilemma’s op: morele, sociale, religieuze, spirituele et cetera. Dichters kunnen met ultramoderne metaforen aan de slag om die dilemma’s en gemoedstoestanden te beschrijven.

Misschien zou het sciencefiction zijn als er een dichter opstond die een Odyssee schreef over de ruimte, zoals Homerus en Derek Walcott dat deden over respectievelijk het gebied rond de Middellandse Zee en de Caraïben. Een galactische odyssee voerend langs de asteroïdengordels, de planeten en de manen van het zonnestelsel, een tocht die zou eindigen met de terugkeer van Odysseus in de veilige schoot van Moeder Aarde.

Toch is het daarvoor nog te vroeg, want deze dichter zal voorlopig niet kunnen reizen door de ruimte, zoals Homerus dat kon en Walcott dat kan op aarde.

Maar uiteindelijk zou het gaan om waar het altijd om gaat, de eeuwige thema’s: de mens in zijn wanhoop en naaktheid, blootgesteld aan zijn omgeving, beproefd, gegeseld door de stormen van zijn gemoed, op zoek naar liefde en beschutting in een poging zijn mis
ère te overstijgen. Helemaal niets nieuws dus.

Sciencefiction of niet, Arjan Witte schrijft in zijn gedicht 'Kikkerbloed’: 'geef ons tijd/ geef ons ruimte/ ik verzuim te/ vermelden dat ik niet toveren moet/ en goochel een spoor van woorden/ dat is mijn sprong naar de sterren/ dat is mijn kikkerbloed’.

Hieruit spreekt een sterk verlangen om te gaan buiten de grenzen van een volledig in banen geleide maatschappij, de drang om nieuwe werelden te ontdekken. Hier spreekt een kosmische pioniersgeest, misschien wel de hunkering naar de quantum leap der poëzie. De strofe is bijna programmatisch voor een generatie dichters die in hun werk opvallend veel gebruik maken van elementen uit ruimtevaart en heelal.

De tijd lijkt in alle opzichten rijp voor een sprong naar de sterren. Het dichtervolk kan alvast een astronautenopleiding gaan volgen in Sterrenstad bij Moskou, opdat het - zodra de democratisering van de ruimtevaart een feit is - in woord en daad de zwaartekracht kan overwinnen.

Het Nieuwe Wilde Westen wacht; de oneindige galactische prairies, de ringen van Saturnus, de kometen, de Rocky Mountains van Mars; zij wachten al miljoenen jaren op de komst van pioniers en dichters. Maar misschien moet de poëzie, eer het daadwerkelijk zo ver is, daarvoor eerst nog even door een wormgat.