Dít is Nederland, Amsterdam-Noord

Onlangs zag ik toevallig de korte film Malaguti Phantom, gemaakt in het kader van de mede door de ntr geproduceerde serie Kort!. Zoals het geval is met de meeste makers die hieraan deelnemen, was de regisseur van deze productie onbekend.

Medium film

Van ene Sam de Jong had ik nog nooit gehoord; pas later las ik dat zijn speelfilmdebuut, Prins, in februari op het festival van Berlijn lof had geoogst. Terug naar zijn korte film: in Phantom strijdt hoofdpersoon Jeroen om toelating tot een groepje brommerboys in Amsterdam-Noord. Daartoe dient hij zich hun codes eigen te maken: de juiste muziek, identieke kleding, een opgevoerde brommer. Regisseur De Jong verbeeldt deze transformatie met formele elementen die verwijzen naar de cinema van Robert Bresson en David Lynch: de met olie besmeurde handen van Jeroen terwijl hij aan zijn scooter sleutelt, de nachtelijke beelden van volledig in het zwart geklede jongens met helmen op begeleid door technomuziek. Al deze dingen maakten een verpletterende indruk. Wat ik zag was ruw, onaf, wild. En compleet inspirerend.

Met zijn speelfilmdebuut dat eerder dit jaar internationaal de aandacht trok gaat deze Sam de Jong een stapje verder. Net als zijn korte film is Prins vernieuwend en opwindend, maar het werk getuigt ook van fijnzinnig engagement. De film schetst een beeld van een oppervlakte of werkelijkheid – Nederland, Amsterdam-Noord – en graaft vervolgens ongemerkt naar wat eronder schuilt. Hierbij is eenvoud alles: Ayoub is een buitenbeentje, een straatschoffie dat verliefd wordt op Laura, maar zij is met een andere jongen, die samen met zijn op quads scheurende gabbers de buurt onveilig maakt. Behalve van Laura is Ayoub ook in de ban van een paarse Lamborghini, vermoedelijk het eigendom van een mentaal gehandicapte crimineel Kalpa (Freddy Tratlehner) die vanuit een kelderbox een illegale slagerij drijft. Ayoub, gespeeld door de non-acteur Ayoub Elasri, is zoekende. Naar zijn afwezige vader (drugs), naar cool zijn, naar liefde (zijn moeder is er wel, maar die struint alleen het internet af op zoek naar dates).

Prins gaat over de mogelijkheid van verlossing en zingeving in een simplistische, wrede wereld. Opnieuw is Bresson, de Franse cineast die in de jaren veertig een aantal films maakte die de weg bereidden voor de nouvelle vague, een belangrijke inspiratiebron. Net als Bresson gebruikt De Jong geen professionele acteurs, maar gewone mensen en kleedt hij vorm stelselmatig uit om psychologische en vooral spirituele diepte te vinden. Muren in pastel creëren de achtergrond; schreeuwerig geklede personages ketsen ervan af. Een soort hyperwerkelijkheid herinnerend aan iets als David Lynch’s Mulholland Drive ontstaat, vooral in scènes met Kalpa, de quadboys en Ayoub. Onder de oppervlakte en op de maat van de fabuleuze soundtrack van Palmbomen (ergens lees ik dat deze Hollandse technocrew een mix van Giorgio Moroder en Kraftwerk vormt, wat de lading volmaakt dekt), is er verlichting. Voor Ayoub. En voor wie kijkt. Dít is Nederland. Amsterdam-Noord. Onze wereld. Zo klein en lelijk, maar ook zó groot en inspirerend. Tussen alle nieuwe Nederlandse speelfilms is Prins van Sam de Jong een parel die meedogenloos schittert.

Te zien vanaf 25 juni