Kunst: De kunstenaar en het maatschappelijk ongenoegen

Dit is niet Amerika

Werden hedendaagse Amerikaanse kunstenaars veertien jaar geleden nog gezien als kinderen van Andy Warhol, met hun fascinatie voor consumptie en massamedia, inmiddels zijn ze politiek bewust en maatschappelijk betrokken, zo is te zien in Kunsthal KAdE.

Monica Lozano, What Remains: Isabel, Angelica and María José, Guatemala, Ciudad Juarez and El Paso TX, 2019 © Monica Lozano

Johan Huizinga reisde in 1926 door Amerika om de Amerikanen te leren kennen. Na drie weken raakte hij de draad kwijt. Hij schreef: ‘Mijn algemeene indrukken (…) worden nu langzamerhand verward. Ze komen in een stadium van tegenstrijdigheid, dat ik er zelf niet klaar in zie, en het gevoel heb, van Amerika niet veel meer te begrijpen.’ Huizinga vond de Amerikanen vriendelijk en open, maar niettemin moeilijk te doorgronden: ‘Ik voel toch vooral dat ik geen oordeel kan vellen, omdat ik niet diep genoeg in de mensen kan doordringen.’ Hij was de enige niet. In een bundel beschouwingen over de cultuur van de Verenigde Staten uit 2006, getiteld This Is America, schreven uiteenlopende auteurs als John Gray, Ian Buruma en Joost Zwagerman ongeveer precies hetzelfde als Huizinga: Amerika is een fascinerend, wijd en open land met een dynamische ‘nieuwe’ cultuur en een divers samengestelde bevolking, maar je kunt er geen coherent, omvattend oordeel over vellen.

Voor dezelfde uitdaging zag de museum-directeur Robert Roos zich dus gesteld toen hij een tentoonstelling wilde maken over ‘de staat van de hedendaagse Amerikaanse kunstenaar in deze roerige tijd’. Roos nam net als Huizinga zijn toevlucht tot eigen onderzoek, een rondrit per auto van duizenden kilometers, in 2019. Hij bezocht de twee traditionele zwaartepunten van de beeldende kunst in de VS – New York en Los Angeles – maar ook alles daar tussenin; plekken als Minneapolis, Kansas City, Salt Lake City, Phoenix, Birmingham, Atlanta, Juárez, El Paso en nog zo wat. Hij schreef een interessant reisverslag waarin zijn gesprekken met kunstenaars, curatoren en galeriehouders nauwgezet maar leesbaar zijn opgenomen. Zo kwam This Is America in Kunsthal KAdE tot stand: een overzicht van werk van Amerikaanse kunstenaars die zich met het maatschappelijk rumoer bezighouden. De tentoonstelling had het slotdeel moeten zijn van een drieluik, dat echter door Covid-19 een tweeluik werd; eerder dit jaar sloot Tell Me Your Story, een overzicht van werk van zwarte Amerikaanse kunstenaars.

Is dat allemaal nodig? Ja, schrijft Roos: ‘De Verenigde Staten zijn ons vertrouwd, maar het afgelopen decennium ook een beetje uit beeld geraakt in Nederland.’ Nu is het niet zo dat Nederlandse musea helemaal geen aandacht hadden voor Amerikanen, maar de visie op de beeldende kunst daar kon weleens afgestoft. Die bundel uit 2006 begeleidde een tentoonstelling over de Verenigde Staten in het Centraal Museum in Utrecht met ongeveer dezelfde titel, This Is America: Visies op de Amerikaanse Droom. De samenstelsters toen (Meta Knol en Pauline Terreehorst) waren nog geheel in de ban van de VS als boegbeeld van ‘consumentisme en massacultuur’ en toonden kunstenaars die, als de kinderen van Warhol, commentaar leverden ‘op de rol van massamedia, consumptiemaatschappij en de typisch Amerikaanse beeldcultuur, zoals we die kennen van clips, films, tv-shows en commercials – Michael Jackson, Dallas, McDonald’s’. In die essaybundel trok Joost Zwagerman zijn hele boekenkast omver om ‘ankerplaatsen’ te vinden voor een denkbeeldige reis door de Verenigde Staten, en hij kwam op de proppen met De Tocqueville, Bernard-Henri Lévy, Kerouac, Pirsig, Salinger, Ginsburg, Keillor, Twain en nog een hele rij andere grootheden. Wie dat nu leest valt op dat hij in zijn kast geen Langston Hughes had staan, geen Ralph Ellison, geen James Baldwin, geen Toni Morrison en geen Ta-Nehisi Coates – nou ja, vooruit, die laatste zou pas in 2008 voor het eerst een boek publiceren.

Veertien jaar later, volstrekt andere tijden. Roos moest in zijn rondreis en in zijn tentoonstelling heel andere dingen in ogenschouw nemen, te beginnen met de gemarginaliseerde positie van zwarte Amerikanen, latino’s, native Americans en de lgbtq-gemeenschap, en dan nog armoede, criminaliteit, gevangenissen, ‘food deserts’, enzovoort. Hij stelt zijn aannames over de Verenigde Staten gelukkig vaak bij. Hij merkt terecht op dat veel van het huidige ongenoegen dateert van ruim vóór Donald Trump. Ook Obama zette bij bosjes immigranten uit, ook onder Obama was het gevangenissysteem een hel, verkommerden de binnensteden, en leden zwarte Amerikanen onder politiegeweld: de Black Lives Matter-beweging begon al in 2013, na de dood van Trayvon Martin.

Dat levert dus een totaal andere tentoonstelling op dan die van 2006. De twee hebben zelfs maar één naam gemeen, het collectief Guerrilla Girls. De huidige tentoonstelling zit vol onbekende kunstenaars. Ze is ernstig van toon, maar ook kleurrijk en levendig, soms zeer geestig; de materialen zijn gevarieerd, en de ervaringen van de reizende directeur zijn direct terug te vinden. Dit is vooral de weerslag van een persoonlijke kennismaking anno 2019, niet een poging een meer objectief overzicht te geven.

‘Er is niet zoveel ruimte voor abstracte kunst. Alles is erg politiek’

Roos was bijvoorbeeld geïmponeerd door het krachtenveld van de Amerikaans-Mexicaanse grens tussen de tweelingsteden El Paso en Juárez. Ooit broederlijk bijeen, nu gescheiden door een frontlijn; Juarez geldt na Tijuana als de meest moorddadige stad ter wereld. Dat krachtenveld levert wel energieke kunst op. Luis Roacho maakte er schilderijen van ontploffingen en aanslagen, en portretten van mensen die uit dat geweld werden opgepikt, verdachten, nog niet veroordeeld, en dus een tikje gepixeld geschilderd. Alejandra Aragón (1983, Juárez) was amateurfotografe in Juárez toen daar in 2008 de oorlog tussen de kartels en de Mexicaanse regering uitbrak. Zij is daardoor, in feite, oorlogsfotografe geworden. Maar in diezelfde regio vind je de op het oog gemoedelijke muurschilderingen van het duo Los Dos (Christian en Ramon Cardenas) uit El Paso, met traditionele vormen en types (de Maagd, bijvoorbeeld) en briljante kleuren.

Julie Buffalohead, Round 3: Counting Coup on Cheerleaders, 2014 © Highpoint Editions / Julie Buffalohead

In Tell Me Your Story werden al een paar fundamentele vragen over de positie van kunstenaars met een minderheidsachtergrond aangesneden, en in deze tentoonstelling zijn ze ook als een soort bastoon aanwezig. Als zulke kunstenaars zich in de kunstwereld begeven, wat voor kunst moeten zij dan maken? Voegen ze zich in ‘de vanzelfsprekende machtspositie van de witte kunstgeschiedenis met haar institutionele, visuele, commerciële en inhoudelijke structuur’ of moeten zij daar juist van wegblijven? Zijn sommige vormen van kunst besmet, want ‘wit’? Kan er sprake zijn van een eigen, onafhankelijke manier van kunst maken, een eigen taal, een eigen parcours, een eigen bolwerk? De kunstenares Alexis Pye stelt de vraag expliciet: ‘Waarom moeten we ons opofferen en meespelen in een spel dat ons al weg heeft geduwd? Om in de Amerikaanse samenleving te passen, moeten we leren hoe we ons aanpassen en aspecten veranderen die cultureel gezien eigen zijn aan ons. Om buiten onze gemeenschappen geaccepteerd te worden, moeten we onze intelligentie uitschakelen, bereid zijn om als spektakel te dienen, terwijl tegelijkertijd ons zelfvertrouwen als vijandig wordt gezien.’

Zo toont de tentoonstelling werk van Julie Buffalohead (1972, Minnesota). Haar naam verraadt dat zij tot een ‘native American’-stam behoort, de Ponca uit Oklahoma. In haar schilderijen zie je coyotes, hazen, schildpadden, figuren waarin de kijker denkt de personages uit de beeldtaal van de oorspronkelijke Amerikanen te herkennen. Zo ziet Buffalohead ze echter niet: het zijn niet haar stereotypen, zegt ze, het zijn de ‘onze’: ‘Dit (…) is niet wie wij zijn. Dit is jullie uitvinding.’ Dus: this is not America, althans niet het hare, zogezegd. En dat gaat dan alleen nog maar over de beeldtaal, over herkenbare ‘Amerikaanse’ motieven en de vraag aan wie die toebehoren. Sommige kunstenaars gebruiken pure ‘Americana’ als de ‘stars and stripes’, zoals in de fotoserie ‘Young Americans’ van Sheila Pree Bright, of de vredige witte wereld van weleer zoals Norman Rockwell die vastlegde, nu geparafraseerd door For Freedoms tot beelden met mensen van heel ander uiterlijk. Weer anderen houden het bij ‘zwarte’ karakters als Colin Kaepernick, Martin Luther King, Malcolm X, uit het ‘eigen’ pantheon.

Nog fundamenteler is de vraag over de aard van de kunstenaarspraktijk zelf. Je zou uit de tentoonstelling het idee kunnen krijgen dat kunstenaars met een minderheidsachtergrond bijna per definitie strijdbare, politiek geladen kunstwerken maken, en dat de keuzes in medium en beeldtaal daardoor sterk begrensd zijn. Het is tekenend dat veel van de kunstenaars elementaire middelen als het affiche, het billboard of de muurschildering op straat kiezen, dingen die niet in ‘het systeem’ passen. Geen abstracte kunst op museaal formaat, dus. Roos haalt veel teksten en e-mails aan van Derrick Woods-Morrow (Artist, Scholar, Deviant, Activist, 1990). Hij maakt werk dat geïnspireerd is door zijn jeugd, in het zuiden, en hij refereert aan het werk van Toni Morrison en James Baldwin, maar Woods-Morrow is zich tegelijkertijd van de ambiguïteit van zijn ‘opdracht’ als zwarte kunstenaar bewust: ‘We zitten in een postmoderne ruimte, waarin de kunstenaar moet samenvallen met het werk. Witte kunstenaars kunnen abstracte schilderijen maken, maar als zwarte kunstenaars het doen, dan wordt verwezen naar Basquiat en naar de strijd van het zwart zijn in de wereld.’ In dit This Is America zijn dus geen abstracten aanwezig, geen werk van een zwarte kunstenaar als – ik noem maar iemand – James Little, die grote schilderijen maakt met pure kleurvlakken in de trant van Frank Stella. Edgar Picazo, kunstenaar uit El Paso: ‘Er is niet zo heel veel ruimte voor andere hedendaagse kunst of bijvoorbeeld abstracte kunst. Alles is erg politiek.’

Waar de tentoonstelling die activistische houding te berde brengt, maakt Roos nog een navrante opmerking. Veel van de projecten vallen onder de noemer ‘community art’, een term die hij onvertaald laat. Dat is veelzeggend. Kunstenaars in de VS ‘zijn op veel grotere schaal en directer politiek/sociaal actief dan Nederlandse kunstenaars’, aldus Roos. Gregory Sale bekommert zich om de positie van ex-gevangenen; in Houston restaureerden kunstenaars een rij historische houten woninkjes, in Detroit bouwden ze een skatepark in een verslonsde wijk, et cetera. Het lijkt mij dat die maatschappelijke betrokkenheid in Nederland ook bestaat, maar dan vooral in de wereld van het sociale design – ik moest denken aan Het verzameld breiwerk van Loes Veenstra uit de 2e Carnissestraat van Christien Meindertsma – maar Roos heeft gelijk als hij opmerkt dat de ‘autonome’ Nederlandse kunstenaar vrijwel niet maatschappelijk of politiek actief is. Hij kan er maar drie bedenken. Dat is, in het licht van de problematiek waartoe Amerikaanse kunstenaars zich verhouden, best een pijnlijk punt.


This Is America – Art USATodayis t/m 3 januari te zien in Kunsthal KAdE, Amersfoort; kunsthalkade.nl