Dit is niet het echte gedicht

Odile Heynders
Correspondenties: Gedichten lezen met gedichten
Amsterdam University Press, 240 blz., e 29,50

Er zijn in de loop van enkele duizenden jaren vele definities voor poëzie gegeven, maar die van Odile Heynders verdient zonder meer de prijs voor de lelijkste formulering: «Een gedicht is een literaire tekst, een woordkunstwerk omgeven door wit, waarin de sensatie en het doordenken van het uit-zichzelf-treden worden beschreven.» Wat zou dit betekenen? Gelukkig komt er een toelichting. «Omgeven door wit» moet zowel letterlijk worden opgevat – er is veel wit op de pagina – als figuurlijk: «Er blijft rond de tekst veel open, een flink deel van de betekenisruimte is niet ingevuld.» Heynders rekent dus alleen geschreven teksten tot de poëzie, en gedichten die bijna de gehele bladspiegel vullen, prozagedichten bijvoorbeeld, mogen niet meedoen. «Betekenisruimte»? Moeten we aannemen dat ieder gedicht bij voorbaat aanspraak mag maken op een kadastraal vastgelegde hoeveelheid betekenis, die gedeeltelijk door de dichter en gedeeltelijk door de lezer ingevuld kan worden, als betrof het de verhuur van een spaarzaam gemeubileerde kamer? «De sensatie van en reflectie op het uit-zichzelf-treden is een ingewikkelde inhoudelijke voorwaarde voor het schrijven én lezen van poëzie.» Wie of wat treedt hier uit zichzelf? Het gedicht? De dichter? De lezer? «Het moment van ontpersoonlijking is iets wat de goede dichter nastreeft en tot uitdrukking probeert te brengen door als lyrische spreker afstand te nemen van zichzelf.» Het heeft even geduurd, maar nu snappen we het: Heynders bedoelt gewoon dat een gedicht niet opgevat mag worden als directe gevoelsuiting van de dichter. «Ik verzet me tegen de vaak verdedigde, uit de Romantiek stammende opvatting dat poëzie subjectief taalgebruik is, erop gericht een gevoelservaring uit te drukken.» Wanneer zou die opvatting voor het laatst verdedigd zijn? In 1920?

Tot zo ver de eerste bladzijde van Heynders’ nieuwe boek. Wat opvalt is dat ze met veel omhaal van woorden suggereert met een revolutionaire visie op poëzie te komen, terwijl ze in feite de consensus van serieuze poëzielezers weergeeft. Hoogstens zouden er wenkbrauwen gefronst kunnen worden bij haar stelling dat goede poëzie altijd een zekere complexiteit vertoont. Maar aan een bewering dat bij gedichten «de taal (…) op een bepaalde manier in werking gezet» wordt, kun je je geen buil vallen, lijkt me. Het is symptomatisch voor het boek als geheel. Heynders doet een voorstel voor een nieuwe manier om poëzie te benaderen: corresponderend lezen. Maar wat is dat eigenlijk? En hoe nieuw is het?

In de inleiding onderscheidt Heynders vier verschillende benaderingen van poëzie. Allereerst is daar de techniek van close reading zoals die werd – en nog steeds wordt – toegepast door critici uit de school van het tijdschrift Merlyn. Gedichten worden minutieus geanalyseerd in de veronderstelling dat ieder detail relevantie heeft voor het geheel. Hoe langer je met een gedicht bezig bent, des te groter de kans dat je uiteindelijk een alomvattende interpretatie bereikt. De complexiteit van een gedicht is een bewijs voor zijn kwaliteit, al is het alleen omdat het de criticus ertoe in staat stelt te laten zien hoe briljant hij is.

Als tweede noemt Heynders een impressionistische wijze van lezen, zoals bedreven door Gerrit Komrij. Komrij beargumenteert zijn oordelen zelden, maar maakt stemming door op een geestige toon onder woorden te brengen welke indruk een gedicht op hem maakt. Doordat de onderbouwing meestal ontbreekt, is het vrijwel onmogelijk Komrij te weerleggen, daar staat tegenover dat je vaak moet toegeven dat hij gelijk heeft. De derde leeswijze is de filologische, zoals beoefend door Sötemann en Van Halsema en hun leerlingen. Het gaat hierbij om een benadering waarbij de onderzoeker de poëtica, de bronnen en de literair-historische context van een bepaald oeuvre grondig onder handen neemt. Bij deze manier van lezen gaat men er impliciet vanuit dat de interpretator een verstandig mens is, die zijn best doet onbevooroordeeld naar de teksten te kijken, en dat ook kan.

De vierde benadering problematiseert de positie van de lezer. Dit is de «discontinue» of, zo men wil, postmodernistische leeswijze, die het geloof in alomvattende interpretaties heeft opgegeven. Gedichten worden gezien als «open» teksten die niet altijd coherent zijn. De lezer wordt geacht zich rekenschap te geven van het feit dat iedere lezing weer andere betekenislijnen onthult, die niet met elkaar in overeenstemming behoeven te zijn. De kampioenen van deze richting zijn Thomas Vaessens en Jos Joosten.

Terecht stelt Heynders vast dat de vier benaderingen elkaar niet uitsluiten, en dat ze al evenmin elk afzonderlijk vragen om één bepaald type poëzie. Weliswaar vertonen sommige gedichten een hechtere samenhang dan andere, het is toch de lezer die deze al of niet wenst toe te kennen. Een discontinue lectuur van Mallarmé levert andere inzichten op dan een close reading in de geest van Merlyn, omgekeerd zal een op coherentie gerichte criticus meer samenhang in Van Bastelaere ontdekken dan Vaessens en Joosten zouden kunnen dromen, domweg omdat hij die samenhang wil vinden. En juist Vaessens en Joosten hebben laten zien dat ook postmoderne poëzie vaak aanleiding geeft tot interessant filologisch speurwerk. De impressionistische kritiek, ten slotte, mag gezien worden als stilistische toegift. Hoe gedegen je interpretatie ook is, de lezer van je stukken is altijd blij met een subtiel geplaatste, doorgaans metaforische, typering.

Aan deze vier benaderingen voegt Heynders nu het «corresponderend lezen» toe, waarbij gekeken wordt wat er gebeurt als je twee of meer gedichten met elkaar confronteert: «De strategie van het bewust in gang zetten van een proces van vergelijken, verwantschap opsporen, met elkaar in verband brengen.» Dat heeft alleen zin als er iets te vergelijken valt. Er zijn twee mogelijkheden: óf er bestaat een aantoonbaar verband tussen twee oeuvres – de dichters hebben elkaars werk gekend en erop gereageerd – óf het is de lezer die overeenkomsten in thematiek of poëtica ziet. In het eerste geval zou je kunnen spreken van een traditioneel onderzoek naar beïnvloeding, in het tweede geval legt de lezer intertekstuele verbanden die cultuurhistorische patronen onthullen. In beide gevallen zijn de verschillen tussen de gedichten meestal interessanter dan de overeenkomsten.

Is dit nieuw? Helemaal niet. Iedere poëzielezer brengt altijd, elke seconde van zijn lectuur, de gedichten die hij leest in verband met wat hij al kent. Persoonlijke leesgeschiedenis is bepalend voor de interpretatie. Betekent dit dat iedere interpretatie evenveel recht van bestaan heeft? Inderdaad. Het betekent echter niet dat alle interpretaties even goed of even zinvol zijn.

Het opsporen van bronnen en verwijzingen laat zien hoe dichters werken. Er zijn boeken volgeschreven over wat Harold Bloom «the anxiety of influence» heeft genoemd. Het voordeel van zo’n methode is dat je iets kunt aantonen: dichter A heeft dichter B gelezen en er dit mee gedaan. Maar ook het met elkaar in verband brengen van gedichten uit verschillende contexten, van dichters die elkaars werk niet gekend hebben, kan zinvol zijn, mits het iets oplevert voor je inzicht in wat er staat. Want dat is toch wat je wilt weten: wat staat er? Wat betekent dit gedicht? Of: wat doet dit gedicht? Vandaar dat er hele boekenkasten zijn te vullen met beschouwingen over poëzie en ritme, poëzie en onderdrukking, poëzie en schilderkunst, poëzie en de onmacht van de taal, poëzie en tuinieren. In alle gevallen zet de criticus gedichten bij elkaar in de hoop dat de confrontatie vruchtbaar is. Dat deden Aristoteles, Longinus, Sir Philip Sidney en Conrad Busken Huet ook al. En het werd en wordt ook gedaan door Merlyn, door Komrij, door Sötemann en door Vaessens.

De zin van de vergelijking, of van wat Heynders noemt «het uitzetten van correspondenties», schuilt in de kwaliteit van de interpretaties van de gedichten. Als het onderzoeken van de correspondenties ertoe leidt dat je de afzonderlijke gedichten of oeuvres beter gaat begrijpen, is deze benadering waardevol. We moeten Heynders niet beoordelen op haar theorie, die er geen is, maar op haar analyses. Leveren die verrassende inzichten op, dan is de operatie geslaagd.

Op de inleiding volgen zeven essays, waarin uiteenlopende dichters als Gezelle en Rilke, Faverey en Celan, Vestdijk en Wallace Stevens, Dickinson, Plath en Brassinga allerlei, vaak verrassende, confrontaties met elkaar blijken aan te gaan. Bovendien gaat Heynders, in een van de beste stukken, in op het problematische verband tussen schilderkunst en poëzie. Ze deinst niet terug voor de hondsmoeilijke poëzie van Shelley, noch voor Spinoza of Nietzsche. En ze vertoont een speciale belangstelling voor poëzie die religieuze kwesties niet uit de weg gaat.

Een goed voorbeeld van Heynders’ werkwijze biedt het stuk over Hans Faverey en Paul Celan. We weten dat Faverey Celan gekend heeft, dus eventuele overeenkomsten tussen beide dichters kunnen opgevat worden als – instemmende of kritische – verwerking van Celan door Faverey. Typerend voor de opzet van Heynders’ essays is dat ze steeds, min of meer tastend, van de ene dichter overschakelt op de andere. Op deze manier weet ze aannemelijk te maken dat Celan en Faverey een duidelijke verwantschap vertonen waar het gaat om hun godsbeeld en de rol die ze toekennen aan de taal. Beide dichters bidden tot een god die onkenbaar, onbenoembaar en misschien onbestaanbaar is, en hun falende zoektocht is verwoord in een taal die haar eigen onmacht tot uitdrukking brengt.

Dat is verhelderend. Minder overtuigend vind ik Heynders’ suggestie dat het «doorboren» dat bij zowel Celan als Faverey frequent genoemd wordt, steeds een erotische lading zou hebben. «Doorboren» wil zeggen dat je niet alleen in iets boort, maar dat het voorwerp waarmee je dat doet aan de andere kant weer te voorschijn komt. Dat is mij bij het neuken nog nooit overkomen. Ook doet Heynders soms hoogst aanvechtbare uitspraken wanneer ze een gedicht in detail bekijkt. Neem nu deze strofe van Celan:

(ICH KENNE DICH, du bist die tief Gebeugte,

ich, der Durchbohrte, bin dir untertan.

Wo flammt ein Wort, das für uns beide zeugte?

Du – ganz, ganz wirklich. Ich – ganz Wahn.)

De vraag in de derde regel suggereert dat de twee personages, de «du» en de «ich», niet in dezelfde taal aangeduid kunnen worden, zozeer behoren ze tot verschillende werelden. Volgens Heynders staat er dat de taal überhaupt machteloos is, zodat dit gedicht er eigenlijk helemaal niet kan zijn. «Dit is niet het echte gedicht.» Erger is deze regelrechte onwaarheid: «Tussen aangesproken ‹jij› en sprekende ‹ik› bestaat een afstand, gemarkeerd door een liggend streepje, die niet overbrugd lijkt te kunnen worden.»

Hoewel sommige essays er beslist toe leiden dat je de gedichten weer met een frisse blik bekijkt, bevat het boek veel slordigheden die ergernis wekken. Zo maakt Heynders enkele storende fouten bij het vertalen van Shelley en Whitman: «oats and rye» betekent «haver en rogge», niet «koren en bes». «The jour printer (…) works at his case» wordt: «De dagbladmaker (…) werkt aan zijn casus», terwijl de man natuurlijk gewoon bij zijn letterkast staat. De naam «Eurydice» verschijnt als «Euridyce». Het Franse voegwoord «puisque» kan in het Engels weliswaar weergegeven worden met «since», maar betekent niet «sinds».

Helemaal bont maakt Heynders het wanneer ze bij een gedicht van Gezelle verzuimt het bijbelcitaat dat als titel fungeert op te zoeken. Je hoeft echt geen classicus of theoloog te zijn om te achterhalen uit welke context «Tu es ille vir» stamt: Google vertelt het je binnen tien seconden. Zo kan het gebeuren dat Heynders niet ziet dat de boom in het gedicht een beeld is voor de gekruisigde Christus («Hoe laat gij den tand/ der kwetsende spoore, in den lenden geslegen,/ u wondenvol stampen?»), en dat de dichter de schuld voor die marteling op zich neemt. «O Heere, Gij draagt mij, die kwellende U ben», zegt Gezelle. Als Heynders geen «correspondentie had uitgezet naar» Gerard Manley Hopkins en Rainer Maria Rilke, maar naar Jacobus Revius («t En zijn de joden niet, Heer Jesu, die u cruysten»), had ze gezien dat Gezelle een traditioneel allegorisch gedicht heeft geschreven in plaats van een ecologisch verantwoorde dialoog met een bezield bos.

Dergelijke missers laten zien dat corresponderend lezen riskant kan zijn. De basis van poëzie-interpretatie is en blijft: close reading en filologie. Al het andere is bijzaak. * Piet Gerbrandy is classicus, dichter en criticus