Popmuziek: Steve Earle & The Dukes

Dit is persoonlijk

Steve Earle (vierde van links) & The Dukes © Jacob Blickenstaff / New West Records

Nooit eerder in zijn lange loopbaan (38 jaar, achttien voorgaande albums) begon Steve Earle een plaat zo indrukwekkend als zijn nieuwe Ghosts of West Virginia. Hij duurt nog geen twee minuten, de traditional ‘Heaven Ain’t Goin’ Nowhere’, maar zet meteen de toon voor het verhaal dat Earle in deze nummers wil vertellen.

Op 5 april 2010 kwamen 29 mijnwerkers in West Virginia om het leven bij een grote explosie. Jessica Blank en Erik Jensen – twee theatermakers die eerder indruk maakten met The Exonerated, een stuk op basis van interviews met tientallen ten onrechte ter dood veroordeelde Amerikaanse gevangenen – interviewden de paar mijnwerkers die de ramp hadden overleefd, en de familieleden van de overledenen. Het leidde tot de theatervoorstelling Coal Country. Ze vroegen Earle nummers te schrijven voor het stuk, op basis van hun interviews.

Earle, in de jaren 00 nog te zien als acteur in The Wire, is uitzonderlijk sterk in het schrijven van verhalen vanuit personages, fictief of non-fictief. Zijn scherpste – en dus bekritiseerde, door critici die het zoeken van een verklaring verwarden met het zoeken naar een excuus – demonstratie daarvan is zijn ‘John Walker’s Blues’ uit 2002. Een jaar na 9/11 onderzocht hij in een songtekst de beweegredenen van een jongeman uit North Carolina om zich aan te sluiten bij de Taliban: ‘I’m just an American boy, raised on MTV/ And I’ve seen all the kids in the soda pop ads/ But none of ’em look like me/ So I started lookin’ around for a light out of the dim/ And the first thing I heard that made sense was the word/ Of Mohammed, peace be upon him.’

In de traditional waar hij zijn nieuwe album mee opent, schuurt zijn rasp-stem langs een koor, bestaande uit al zijn bandleden, aangevuld met theatermaker Erik Jensen. Hierna slalomt hij van traditionele country naar americana naar de outlaw-variant van stevige country met een alternatieve rockrand die hij in al die jaren tot zijn voornaamste handelsmerk heeft gemaakt, terwijl hij in puntige schetsen het leven weergeeft van de mijnwerkers. En daarmee van de rol van vakbonden (‘Before there was a union, the company was king’), van schaalvergroting en industrialisering (‘The company bought in all the big machines/ Cut more coal in a hour than a shift could in a week’), hoop en wanhoop (‘We pray to whom we fear the most/ Father, Son and Holy Ghost/ Take whatever fate provides/ But time is never on our side’).

Het indrukwekkendst is ‘It’s About Blood’. Niet alleen omdat Earle daar de namen voorleest van alle 29 mijnwerkers. Maar meer nog omdat het nummer de woede bezingt: ‘Hell yeah, this is personal’. En de desillusie van de Amerikaanse arbeider: ‘Once upon a time in America/ A working man knew where he stood.’


Steve Earle & The Dukes – Ghosts of West Virginia (New West Records)