Dagen van inkeer, A.M. Homes

Dit is wat het is

De verhalen van A.M. Homes zijn genadeloze ontledingen van Amerikaanse mythes over geluk, welvaart en welzijn.

A.M. Homes, 2015 – Liefdevol en koelbloedig vangt zij de onvolkomenheid van de moderne mens © Marc Melki / Leemage / HH

De Amerikaanse schrijver A.M. Homes schreef met Dit boek redt je leven en Vergeef ons begin deze eeuw niet één maar twee romans in de bekende traditie van de Great American Novel: boeken die de tijdgeest van een deel van Amerika niet alleen vangen maar ook sturen. Niemand kan na lezing van die twee boekwerken nog door Los Angeles of een van de vele Amerikaanse suburbs reizen zonder overal het tekort en de ongemeende spot van de levens daar te zien, er zijn weinig schrijvers die zo treffend en tegelijkertijd ironisch te werk gaan en zo liefdevol en koelbloedig de onvolkomenheid van de moderne mens kunnen vangen. En toch zijn Homes’ boeken vaak ook onevenwichtig, grappig in hun spitsvondigheid, maar ongenuanceerd door gelegenheidseffectbejag.

Ook in haar nieuwe publicatie, de verhalenbundel Dagen van inkeer (van Rosj Hasjana) duurt het even voordat Homes op gang komt. Het openingsverhaal Broer op zondag – om hun inwisselbaarheid te benadrukken bevolkt door vrouwelijke karakters die Sandy, Sara en Susie heten – begint als volgt: ‘Ze is aan de telefoon. Hij ziet haar in de badkamerspiegel, een headset op haar hoofd alsof ze een luchtverkeersleider of een agent van de geheime dienst is.’ Pardon? Het is óf het een – een opzichtige headset – óf het ander: een klein oortje. Een bladzijde erna ‘plukt’ de hoofdpersoon (een arts!) met zijn vingers een teek van de rug van zijn vrouw af. En weer een bladzijde verder is de ‘dikke laag zonnebrand een soort futuristisch harnas waardoor hij kan doen alsof hij onzichtbaar is’. Een harnas dat onzichtbaar maakt, excuses, waardoor je kunt doen alsof je onzichtbaar bent? Wat is dat precies? De lezer blijft door ongeloofwaardige details en de onhandige stijl de hele tijd denken: ik léés hier iets (en dat komt niet door de vertaling, die vlot en vloeiend is). Het verhaal, een beschrijving van een dagje aan het strand van een groepje vrienden uit de cultureel-geïnformeerde upper middle class – doktoren, tandartsen, allen Susan Sontag-lezers – gaat zo niet léven, door de eigen bloedbaan stromen. Het blijven allemaal types, geen karakters. Tot de hoofdpersoon een druppeltje mimosa van zijn arm likt: ‘… de smaak van citrusfruit en wijn gemend met zout en zweet. Hij vindt het gek dat hij zich niet kan herinneren dat hij zichzelf ooit heeft geproefd. Zijn tong beweegt over het dons op zijn onderarm en neemt een zweempje bloed op van een schaafwondje van vanmorgen. De smaak is goed, vol leven.’

Menselijkheid in de situatie brengen en vrijwel direct weer ondergraven, dat is de forte van Homes

Die zinnen zijn goed: vol leven. En vol directe, zintuigelijke waarneming. Zo zitten dat soort mensen dus op het strand (je kunt ze nog steeds klootzakken vinden). Ze drinken om elf uur ’s ochtends mimosa’s, en denken terug aan vakantie in St. Barts, of praten over ‘ingedikte teriyaki, ahitonijn, pilates, work-outs, detoxdiëten’, of zeggen tijdens een bezoek aan de wc, de lul in de hand, heel achteloos: ‘Ik ga weg bij Terri.’ De twee zijn 26 jaar getrouwd. ‘Het komt wel goed met haar’, zegt de man, meer tegen zichzelf dan de hoofdpersoon. ‘Zodra ze over de eerste schok heen is.’

Eigenlijk geldt de kritiek voor het openingsverhaal voor de hele bundel: naarmate hij vordert, wordt hij beter – met een enkel onevenwichtig verhaal ertussen. Homes is er veelal in geslaagd al te gemakkelijke satire te beteugelen, voor de hand liggende grappen achterwege te laten, en ze heeft de schaal van haar verhalen behapbaar gehouden. Het derde verhaal bijvoorbeeld, het titelverhaal van de verzameling, waarin een Amerikaanse schrijver van een multigenerationele holocaustroman spreker is op een symposium over ‘Genocide(S)’ en verstrikt raakt in het verleden, haar relatie, en een fling met een aantrekkelijke oorlogscorrespondent, heeft alles wat fictie goede fictie maakt: treffende typeringen, snedige dialogen en diepe, psychologische inzichten – en die omschrijvingen zijn te belegen voor hoe stevig, fris, voedzaam en zoet van smaak Homes’ verhaal is, als de appels die de schrijver en haar oorlogscorrespondent gaan plukken. Philip Roth-grapjes, seksualiteit, de holocaust, ouderschap, overspel, meditatie, verdriet en chocolade-ijs worden alle in elkaar gebracht in een samenhangend zo niet verklarend verband. Het verhaal is óók spiegelspel over de functie van fictie, waar zelfs het delen van ijs en snoep meerdere betekenissen krijgt: ‘Ik ben wel betrokken’, zegt de oorlogscorrespondent. ‘Ik doe mijn best menselijkheid in de situatie te brengen. Mijn zakken zitten altijd vol lekkers voor de kinderen. Starbursts en Twizzlers, omdat iedereen van snoep houdt en omdat die in de hitte niet smelten.’

‘Je bent betrokken omdat je snoep uitdeelt? Zei je dat nou?’ antwoordt de schrijver.

Menselijkheid in de situatie brengen, en vrijwel direct daarna diezelfde menselijkheid weer ondergraven – het eigenbelang en de zelfmisleiding ervan laten (in)zien – dat is ook in deze bundel de forte van Homes. In Hallo allemaal, een verstild, benauwend Amerikaanse-westkustverhaal, treffen twee tienervrienden, Cheryl en Walter, elkaar aan haar zwembad om bij te praten. Hij is voor zijn studie naar de oostkust vertrokken, en heeft daar voor het eerst een herfst meegemaakt – met bladeren die van de bomen vallen –, zij is in Los Angeles gebleven en worstelt met haar dagelijkse calorie-inname. Het begin van hun gesprek is wat uitleggerig, maar het etentje van de twee, haar ouders en zus Abigail die avond is bijzonder goed getroffen. Iedereen zit op zijn telefoon. De moeder is allergisch voor polyester. Volgens haar zijn de servetten in het restaurant gedeeltelijk van polyester. ‘Zijn mijn lippen opgezet?’ vraagt ze aan de ober. ‘Dat moet je hem niet vragen. Hij is ober, geen dokter’, zegt Abigail, zonder op te kijken van haar telefoon. De moeder informeert of de ober ook papieren servetten heeft, en hij komt terug met een grote stapel papieren servetten. ‘Gracias’, zegt ze dan – in het Spaans. Nergens wordt aangegeven dat de ober hispanic is, of hoe de ouders hem zien, maar Homes maakt het zo duidelijk, met één woord. ‘Graag gedaan’, antwoordt de ober.

In Ontsnapt, het laatste verhaal uit de bundel, komen de twee zussen uit Hallo allemaal nog eens terug. Cheryl studeert inmiddels in Minneapolis maar moet naar huis komen: haar ouders liggen in het ziekenhuis. Wat zich ontpopt, is een – bijkans Grieks – familiedrama. Homes toont dat in de langste relaties van zijn leven, die met je ouders en siblings, de mens niet altijd even vrij is van gevoelens van competitie, jaloezie en haat, maar dat daaronder toch ook, ja, altijd weer liefde en nood ligt. En dat de meest liefdevolle blik op die nood en liefde een eerlijke blik is. Homes’ verhalen in Dagen van inkeer variëren tussen genadeloze ontledingen van Amerikaanse mythes over geluk, welvaart en welzijn en fantasierijke bespiegelingen hierop, en ze wisselen in kwaliteit. Maar in een tijdsgewricht vol oppervlakkigheid – van veel gelikete Instagram-foto’s en twitterende presidenten – zijn verhalen van de eerste soort, en zeker de scherpere, trefzekerdere, gelaagdere uit deze bundel, niet slechts wenselijk maar ook noodzakelijk: ‘Dit is wat het is’, zegt Cheryl aan het eind van Hallo allemaal tegen Walter. Ja, ‘dit is het leven’, antwoordt hij.