Inwijding in de Negende van Mahler

Dit is wat wanhoop is

Muziek kan een leven veranderen. Kunst kan kunstenaars verlossing schenken. Maar hoe? Het is zoeken naar een antwoord dat alleen muziek kan geven.

In den beginne is het beeld.

In Boer zoekt vrouw tekent een 36-jarige spruitjesboer uit Noordoost-Groningen voor zijn publieke reis naar de ware. De sfeerimpressies van zijn land duiden zijn nood: geen teken van leven. Hoe vreemd dat 3,7 miljoen kijkers zijn eenzaamheid met hem delen. Je vraagt je af waaruit hij troost moet putten tot Vrouw is gekomen. Hoeren? Een recordoogst? Een nieuwe zaaimachine? Een lief konijn? De bijbel? Of toch muziek, de grote troosteres? Maar welke dan? Ik zag dat lege land en dacht aan Mahlers mensenschuw labiele Negende, aan hoe dat helderziend verlamd een openingsdeel lang andante comodo voortsjokt op het wankelste koord van de westerse muziekgeschiedenis, niet verder kunnend en toch moetend, met de gebroken continuïteit van een zich permanent herpakken in die overvolle maar ontvolkte symfonie. Dat is die boer in zijn wereld. Koord zoekt koord.

Yvon Jaspers heeft niet stad en land bereisd om zijn cd-kast te besnuffelen, maar het is onwaarschijnlijk dat het culturele panorama van de spruitjesteler plaats biedt aan een late Mahler. Laten we aannemen dat de huwelijkskandidaat zich niet tussen de groente heeft begraven om tot metafysische catharsis te geraken. Anderzijds richt de muziek zich juist tot in het niets verdwenen zielen als de zijne. Niet tot haar vaste klanten, wier zinvragende smeek­beden door Mahler ruimschoots zijn verhoord. No future, heeft de dondergod gesproken, weten wij van de programmaboekjes. Acquired taste. Maar die boer is gemaakt voor het stuk. Stik­alleen is hij. Wat hij zoekt, hij weet van de tv nog net hoe het gezegd moet worden, is ‘een stukje herkenning’. Dat zou hij Mahler moeten kunnen horen smeken, smekend en buigend: God, Alma, mensheid, liefde en vertrouwen, waarom hebben jullie me verlaten, terwijl ik zo zou kunnen houden van het leven? En, invoelend modulerend naar het Groningse: wat doe ik een vrouw aan, tussen de spruiten? Noem mij er een die zo wanhopig is.

Die Negende instrumenteert zijn aanstaande berusting in een leven zonder liefde. Maar eerst moet nog dat laatste schip van hoop verbrand, met desolaat aanminnig defaitisme. Boer hoort zich afscheid nemen van de wereld maar niet kunnen in een wolk van eenzaamheid en pijn, in de muziek gekerfd als krassen op de ziel. De Negende walmt met iets smoezelig halfverbrands, vochtige turf, een bitter thuiskomen. Boer hoort zich in het eerste deel met bevende hand de scherven van onthechtheid lijmen en gaandeweg steeds trager sterven aan zijn utopie. Hij zou er, als hij zijn zintuigen ervoor open wist te stellen, de schok van zijn leven aan overhouden. Maar dan weet hij wel waar hij aan toe is. Hij wist het toch al. Je ziet hem op zijn tuinzitje naast Jaspers zelf ternauwernood geloven dat die 36 brievenschrijfsters na de eerste beelden van zijn spruitenwoestenij genegen zijn aan zijn verlorenheid te blijven hangen voor een beetje liefde. Misschien komt ze toch. Je hoopt het. Mahler hoopt ook, maar misschien toch om te laten zien waarom het niet meer ging. Lost is lost.

Toch goed dat er Frans Bauer is. Die kwam dit jaar gewoon in Groningen zijn nieuwste hit De wereld is een gekkenhuis signeren. Daar heeft een boer wat aan. Een gekkenhuis, zo is het ook nog eens een keer. Alleen ziet Frans de wolken niet. Frans heeft geen nood, zijn kunst geen buffers voor die ene pijn.

Zo kwam de ene boer op de andere. Wat hoorde ik zelf, toen in 1985 een live-uitvoering van die Negende met het Koninklijk Concertgebouworkest onder Leonard Bernstein me in één klap van mijn onbespoten pubertaire wereldbeeld genas? Waarom wist ik, en onmiddellijk, dat mijn leven nooit meer hetzelfde zou zijn? Waarom begreep ik dat de openbaring, wat het in zeer letterlijke zin geweest was, grote gevolgen zou hebben, zonder te weten welke? Waarom was de ervaring louterend terwijl er niks verlossends aan was – terwijl ik niet, zoals ik van muziek gewend was, vrijuit schoonheid proefde, en er ook niet bepaald gelukkiger van werd – het was een eerste bries van rouw in een bestaanslente. Verder: waarom werd die Negende een motief om over muziek te schrijven? Wat weet een negentienjarige van een condition humaine die grote mensen zulke stukken in de pen geeft? Nou, hij vindt een spoor. In de ontregelende beeldenstorm gloort een blik op zijn toekomst. Hij hoort wat hem aan hoop en vrees zou kunnen wachten. Hij kan er nog niet bij, maar de dichte verte van die klappen wordt het mijnenveld waar hij doorheen moet tot hij net zo ver is en het ogenblik van kwijting is gekomen. Ik ben nu bijna net zo oud als de Mahler van de Negende, ik hoor wat al die tijd zo waar was als ik toen vermoedde. Life sucks, maar wie weet is er nog licht achter die laatste muur, die laatste berg. Die hoop. Maar dan tot slot, in het adagio, de retrograde les; kijk terug, misschien ligt het geluk wel achter je, onopgemerkt toen je nog blind je toekomst tegemoet marcheerde. Das Lied von der Erde, Der Abschied; de ten dode opgeschreven reiziger ziet om en weet dat zijn bestemming al die tijd de aarde was geweest die hij, te laat voor ommekeer, gedoemd is te verlaten. Je hoort het zo scherp voor je dat het woord zou kunnen worden. Hoop je. En je probeert het 25 jaar tot je begrijpt dat je een ongelijke strijd voert tegen de beleving van de eerste keer.

Dat die zo puur en onbevangen mogelijk mag zijn. Daar is muziek voor: voor de eerste keer. Als Mahler-debutant kon ik goddank niet profiteren van een grote culturele voorsprong op de boer. Dan had ik kunnen zeggen dat Bernstein Haitink in intensiteit en tragiek verre had overtroffen, dat ik de Eerste Wereldoorlog al had voelen komen in de donderslagen, al die clichés die luisteraars in arren moede herkauwen als het menu zwaar op de maag ligt; dan was het de lokaliseerbare, vergelijkende, beheersbare, burgerlijk verheffende ervaring geweest die het voor de goed voorbereide Mahler-clientèle is geworden. Ik daarentegen had als kind uit een barokmilieu, waar de romantiek als een muziekpest werd geweerd, van Mahler nooit een symfonie gehoord. Ik wist niet dat het een van zijn laatste werken was, of dat Mahler zich na een medische diagnose in 1907 – aangeboren Herzklapppenfehler, dramatisch ongeneeslijk natuurlijk – tot de dood veroordeeld dacht te weten. Maar ik was onbeperkt nieuwsgierig en misschien was dat het. Ik hoorde een Mahler volgens Mahler, out of the blue. Er zat geen kennis tussen hem en mij, het bloed kon doorstromen. Was dat nog maar zo. In de decennia die zouden volgen werd ik ingewijde, sort of, iemand met referentie- en belevingskaders. Ik noem het beeld van Mahlers partituurschetsen, vol wanhoopskreten van een man die als de dood is zijn geliefde te verliezen (‘Leb’ wol, leb’ wol/ O Schönheit! Liebe! lebt wol’; ‘O Jugendzeit! Entschwundene!’). Die wetenschap verpest het oor, dat voortaan slaafs van aanwijzing naar aanwijzing tomtomt, omdat het is vergeten wat verdwalen is. Fataal. Je moet tegen dat weten vechten. Het oor moet zinken in het ogenblik waarop het echt gebeurt. Het nu. De eerste keer.

Niet dat er in 1985 geen herkenningspunten waren. Mij is van Bernstein meer dan het in roomboter gebraden bekentenisverdriet van de finale, natte droom voor uitlegkunstenaars, de episode bijgebleven die in het openingsdeel het scharnierpunt vormt tussen de expositie, in de klassiek-romantische sonatevorm de showroom van thematisch materiaal, en de daaropvolgende doorwerking, waarin het uitgestalde dna met kokhalzende indigestie naar een radeloze climax wordt gestuwd. De expositie eindigt als de eerste akte van een drama apotheotisch met het volle orkest in laatromantische oorlogs­bepakking en triomfantelijk acterende triolen in het koper. Dan gebeurt het onwaarschijnlijke. De top wordt niet bereikt, zoals verwacht. De berg stort in. Het was geen berg, het was een golf voor de val, die al het emo-meubilair heeft weggeslagen. Er staat niets meer. Er is een grote leegte die een grote stilte dreigt te worden, even. Het duurt nog geen maat. De als wrakhout dobberende overlevenden seinen hun sos-signalen op de stamelende wijs van de motieven uit de eerste maten, nu met posttraumatische duisternis omkleed. Daar klinken de hoorns als uitgebluste scheepstoeters, niet gespeeld maar op hun laatste adem blazend, pauken in het wandelritme van de harp, getting themselves together, verblind en verdoofd, gewonde spelers, slachtoffers. Voor de negentienjarige die wanhoop in die graad maar vagelijk heeft ondervonden is dit het moment om de oren te spitsen, het ogenblik waarop pijn beeld wordt in muziek die ophoudt maar muziek te zijn en existentie wordt voorbij de kunstige constructie, vaal als de kale canvasplekken op het schilderij. Dit is wat wanhoop is, een bodemloze kopergroep die als verstikkend dichte rook boven de afgrond hangt, naar oriëntatie tastend in verbijsterd morse, een begin van ritme. Het is geen formeel-constructief proces meer, geen Tonmalerei, het is echt drama, de catastrofe zelf van een ontbindende totaliteit, en hij komt met een waarachtigheid die een first contact levenslang geeft. De eerste ervaring met de Negende bracht een voorgevoel, de inwijding in toekomstige gevoelens waarvoor in iedereen de kiem gezaaid is, ook in de spruitjesboer te Noordoost-Groningen, hoe groot de kans ook is dat hij die kelder nooit zal vinden. Maar had hij dit gehoord, dan was de treurige ervaring van de doodschrik ook de troost geweest dat lang voor hem, ver weg in Oostenrijk, een man had uitgedacht hoe het als man alleen zou zijn, daar op de spruitenakkers van het Groningse.

Wie dit weet, begrijpt waarom het allemaal verteld moet worden. Vandaag beluisterde ik ter controle Mahlers Negende met Bernstein en weer zag ik die jongen zitten op zijn bank, dat koude televisiemeisje aan zijn zijde. Pas als muziek zo terugslaat op het leven is zij zinvol. Het is weerklank. En daarvan moet getuigd, al is het zinloos.

De ziel is als een zaal vol abstracte schilderijen van heerlijkheden en verschrikkingen die nog voorstelling moeten worden, onbereikbaar voor het woord, onbereikbaar voor de psychologie. Het beeld van een landschap, gevoelens van verlatenheid, afscheid, de dood, de liefde – allemaal voorgeprogrammeerde toetsen van proeven en voelen en waarnemen, klaar voor de vlucht. En de mengtonen. In het landschap zien hoe je het voor de laatste keer zou zien. Het afscheid van de liefde. De liefde als een landschap, een voorstelling van onmetelijkheid. Die ontvankelijkheid is gegeven.

Treed nader en zie dat de doeken als vloeistofdia’s in beweging zijn. Ze zijn alleen beeld door hun kader. Ze zijn nog onbevrucht. Dat zit daar als de onbeslapen voorstelling op de ­beslissende impuls te wachten die hun fluïdum concretiseert. Die impuls kan alleen muziek zijn, omdat alleen muziek vloeibaar genoeg is om die beweeglijkheid te vangen. De klank wordt oog voor het geworden beeld waarin het oor durft te verdwijnen, gevoed met ­indrukken die mettertijd worden opgenomen in een ­planetenstelsel van muzikale herinneringen. Als ­associatie­cluster worden ze het vocabulaire voor een zielshuishouding, je eigen harmonie der ­sferen. Toen toen nog toen was klonk dat zo.

Ik sta in de woonkamer van mijn groot­ouders. Ik logeer daar. Mijn opa zet een plaat op. Ik zie de hoes; man met een pruik. Het stuk begint: Cantate BWV 42 van J.S. Bach, Am Abend aber desselbigen Sabbats. Het is licht in de doorzonkamer, met die benauwdheid van een eerste, warme voorjaarsdag. Daar sta ik, vier of vijf, logé bij mijn grootouders. Waarom ben ik hier, waarom ben ik er al zo lang, waarom ga ik hier zelfs naar school, ver van mijn ouders, die volgens de officiële lezing druk zijn met verhuizen? Wat kan er aan de hand zijn?

Dat denk ik niet, dat zijn geen vragen voor een kleuter die alles doodnormaal vindt omdat hij voor het ongewone nog geen maatstaf heeft. Misschien komt de muziek wel in de plaats van de gedachten die nog tot bewustzijn moeten komen.

Als Bachs Sinfonia begint, wordt het gehoor een vat dat zich met veel meer vult dan met muziek alleen. Dat licht, die warmte van de kamer, die onbepaalde onbewuste twijfels van een kind over zijn plaats als tijdelijke emigrant gaan erin op, voor altijd verkleefd met de klank die in de toekomst de echte herinneringen terugbrengt als de geest er rijp voor is, onder de grote beschermende vleugels van muziek die alle schade dekt met rotsvast lyrisch pantheïsme. Sindsdien kwam Bach altijd noodzakelijk op moeilijke momenten, steeds nieuw zeer in zich opnemend en verzachtend tot een troost brengende melancholie. Zo’n muziek wordt als de zon in je akoestische planetenstelsel, de grondtoon van de harmonie. Het is een carrier.

Ik heb nooit een boek gelezen dat die volledigheid benadert. Daar is muziek voor nodig. En een ontvanger die zich niet verweert.

Gisteravond zag ik dus voor het eerst Boer zoekt vrouw. Ontroerend was de eenvoud van behoeften. Een boer zoekt iemand om zijn leven mee te delen, weet hij veel. Misschien, dacht ik, heb je dan niet zoveel muziek nodig. Maar we worden allemaal onmondig als de grote dingen komen. Dan is het mooi als je ver weg iemand hoort zingen, rouwklacht of liefdeslied, die je het gevoel geeft dat je bent verhoord. Hoor, iemand heeft het gehoord. Je bent niet alleen. Waarom wil je die zekerheid ook als je zeker weet dat je het niet bent? Het is de nood aan een onpartijdige derde die je zegt dat je hem niet ontgaan bent. Ook de verschrikkelijkste noten troosten waar ze die herkenning bieden, zelfs een Negende. En over die onmiddellijkheid zou je moeten zwijgen. Elk woord over muziek is het protest tegen de overmacht van het gehoorde. Al dat gelul, zei ik, en trok een streep.

Een anekdote.

Wat doet u eigenlijk? vraagt de mevrouw die mij elke dag ziet lopen in mijn bos.

Ik schrijf over muziek, zeg ik.

Toevallig, zegt ze, zag ze gisteravond op tv een programma over Leonard Bernstein, heb ik dat gezien?

Ik schud van nee.

Ze zegt: sommige dingen vond ik wel mooi, andere niet.

Ik leg mijn hand op mijn hart.

Het hart, zeg ik, wat mooi is zegt het hart, alleen het hart kan ons redden. Het verstand denkt dat het beter weet, maar het verstand is sabotage. Bernstein had een hart.

Ze veinst begrip en bij het afscheid vraagt ze of ik mijn artikel bij haar in de bus wil gooien.

Ik beloof het, maar ik weet niet of dat zo verstandig is. Misschien heeft Leonard Bernstein haar ziel in brand gezet. Dat vuur moet ik niet willen blussen met de rede.

Tot slot dit. In het dorp waar ik opgroeide kende ik een schipper van de oude stempel, een geweldige kerel met een rode kop, een ­zenuwtic, een boerenpet en een strot die Janis Joplin ­sidderend in de gordijnen had gejaagd, alleen lagere school maar met het intellectuele dna dat zijn oudste zoon slapend naar de ­universiteit zou dragen. Hij hield van Heino – en van Mahler. Op straat sprak hij me in knauwend Zaans aan op de trompetpartij waarmee de Vijfde opent, en ik herinner me dat hij er ware dingen over zei die ik vergeten ben omdat ze te persoonlijk waren, maar die ik nooit van iemand anders had gehoord. Ik mocht hem zeer. Hij had iets ontdekt, helemaal zelf, zonder een ­luistergids. Het was me een troost dat er in de Zaan een reus met een rode kop rondvoer die aan het roer van zijn cacaotransport aan Mahlers Vijfde dacht, met oren als een oceaan voor al zijn eerste keren. Later heb ik hem meegenomen naar het Koninklijk Concertgebouworkest. Hij hoorde meer dan ik. Alles was nieuw, alles lag open.