Uitzetting van Afghanen uit Nederland

‘Dit kan gewoon ontzettend niet’

Door de gevechten tussen de Taliban, IS en de regering is Afghanistan nog altijd onveilig. Toch zet Nederland uitgeprocedeerde Afghanen op het vliegtuig. Dit moet per direct stoppen, zeggen behalve mensenrechtenorganisaties steeds meer individuele burgers.

Medium zahra in azc
Zahra in het azc met Danial, het zoontje van haar oudere broer. Zahra woont op een kamer met twee jongere broers

‘Ik sta hier met schaamrood op de kaken’, roept Esther van Dijken, pvda-fractieassistente uit het Groningse Winsum tegen de ijswind in. Voor haar, op Plein 1992 in Maastricht, heeft zich ondanks de koude wind en de sneeuw op deze zondag in december een groep van zo’n honderd demonstranten verzameld voor de manifestatie ‘Stop uitzettingen naar Afghanistan’. Scholieren van het United World College in Maastricht, studenten van de Universiteit Maastricht en ouders hebben zich aangesloten, evenals vertegenwoordigers van de Jonge Socialisten, Amnesty, Stichting Vluchteling, en Afghanen zelf. Ze houden kartonnen borden omhoog met in rood geschreven teksten als ‘Mestreech is met Haroon’, ‘Afghanistan is niet veilig’ en protesteren tegen de uitzettingen van Afghaanse asielzoekers uit Nederland.

Zahra (21) staat vooraan en luistert schijnbaar onbewogen naar de toespraak. Op haar wang is net als bij veel andere demonstranten een rode vlieger geschilderd, een verwijzing naar het boek De vliegeraar van de Afghaans-Amerikaanse schrijver Khaled Hosseini, als symbool van vrijheid. ‘Vanuit mijn betrokkenheid en dagelijks contact’, gaat Van Dijken verder, ‘met kinderen en gezinnen die zijn uitgezet naar Afghanistan, kan ik u zeggen dat dit niet kan, gewoon ontzettend niet.’ De demonstranten applaudisseren luid.

‘Wilt u thee?’ vraagt Zahra die ochtend voordat ze naar de demonstratie gaat. Ze is zenuwachtig, vertelt ze terwijl ze de waterkoker die op de ijskast in de hoek van haar kamer staat aanzet. Ze gaat zitten aan de formicatafel met daarop een blauw kleedje met de afbeelding van Klaas Vaak en de maan erop. Zahra deelt de kleine kamer in het Maastrichtse asielzoekerscentrum (azc) met haar jongere broers Amir (14) en Reza (15). Haar bed staat netjes opgemaakt in de hoek, het stapelbed van haar broers tegen de andere wand. Ze draagt een zwart-wit geruite legging met een grijs wollen jurkje en in de haast heeft ze snel een lichtgele hoofddoek losjes om haar hoofd geslagen. Ze vertelt dat ze al twee weken elke nacht wakker ligt vanwege de rechtszaak over hun asielaanvraag. De tolk heeft iets niet goed vertaald, dat zit haar dwars. Zahra is samen met drie broers en haar schoonzus twee jaar geleden uit Afghanistan gevlucht. Ze komt uit Herat, een stad tegen de Iraanse grens. Zowel de Taliban als IS pleegt er regelmatig aanslagen. ‘Met name voor meisjes is de situatie heel gevaarlijk’, zegt ze. ‘In grote delen van Afghanistan, vooral op het platteland, hebben meisjes en vrouwen sowieso geen rechten.’ Ze volgde drie jaar een klasje in de moskee. ‘Het enige wat ik daar heb gedaan, is de Koran lezen. Ik wilde heel graag naar een gewone school, maar meisjes mogen niet.’

Dit jaar zijn veel organisaties die zich verzetten tegen de uitzettingen naar Afghanistan spontaan opgekomen. Het begon in het voorjaar van 2017. De meeste Afghaanse asielzoekers hadden tot kort daarvoor nog goede hoop. Maar toen kreeg de ene na de andere familie te horen dat hun aanvraag was afgewezen. Vervolgens hoopten ze op de rechters, maar ook die hielpen hen niet. En toen begonnen de uitzettingen. De een na de ander. Haroon, de achttienjarige scholier die in Maastricht het symbool is geworden van de uitzettingen naar Afghanistan, staat samen met zijn familie op de rol voor eind december. Zahra en haar broers wachten nog op een laatste uitspraak van de rechter.

Het protest richt zich met name op de uitzettingen. De veiligheidssituatie in Afghanistan is ernstig verslechterd sinds de terugtrekking van de internationale troepen in 2014, zo blijkt uit talloze onderzoeken en rapportages. Gewelddadige incidenten, explosies en zelfmoordaanslagen in alle delen van het land hebben gezorgd voor een toename van het aantal burgerslachtoffers. Het jaar 2016 was volgens de Verenigde Naties het bloedigste sinds ze in 2009 begonnen met registreren. Het hoogste aantal doden viel in Kabul en de aanvallen op minderheden namen toe. De organisatie van de Verenigde Naties voor humanitaire hulpverlening meldde in november dat het aantal oorlogsgewonden het afgelopen jaar met twintig procent is gestegen tot 69.000. Het aantal oorlogshandelingen waarbij Talibanstrijders zijn betrokken, neemt volgens de VN-organisatie eveneens schrikbarend toe. Afghanistan wordt door de VN-Veiligheidsraad de laatste tijd dan ook niet meer aangeduid als een land waar het conflict grotendeels voorbij is, maar als land in oorlog.

Afgelopen zomer riepen daarom acht mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, de regering op om uitzettingen naar Afghanistan per direct te stoppen. Het land was te onveilig en te instabiel voor terugkeerders. Ook zij benadrukten dat steeds meer gebieden onder controle staan van de Taliban en dat gebieden waar gevochten wordt tussen de regering, de Taliban en IS veelvuldig wisselen. Een gebied is daarom het ene moment nog veilig, het volgende niet. Meer dan anderhalf miljoen mensen hebben hun huis moeten ontvluchten. ‘Voor vrouwen is Afghanistan het gevaarlijkste land ter wereld’, zo meldde Horia Mosadiq, onderzoekster bij Amnesty International, tijdens een symposium in Amsterdam.

Zahra was vijftien toen haar vader haar uithuwelijkte. ‘Hij heeft me verkocht alsof ik een stuk vee was’, schreef ze in een biografietje over zichzelf. Haar man was een jaar of 45 en had al twee andere vrouwen. In het huis van haar man deelde ze een kamer met haar moeder en broertjes, haar vader had het gezin in de steek gelaten. De eerste drie maanden van het huwelijk waren volgens Zahra nog niet zo erg, de ellende begon daarna pas. ‘Ik mocht niks, niet praten, niet lachen, niet het huis uit.’ Vijf jaar woonde ze bij hem. Toen het leven van haar oudere broer in acuut gevaar was, besloten ze samen te vluchten. Haar moeder bleef achter, zij vluchtte later naar Iran.

De tocht van Afghanistan naar Nederland werd voor haar een reis naar persoonlijke vrijheid, schreef ze. ‘In Afghanistan zat ik tegen mijn wil opgesloten in een leven dat geen leven was, in een huwelijk waar ik niet voor had gekozen. Door te ontsnappen heb ik dat achter me gelaten. Voor de littekens die mijn verleden heeft achtergelaten ben ik nu in therapie.’

Ze vertelt hoe ze zich al tijdens de reis naar Nederland steeds vrijer voelde. Bij aankomst in Pakistan verruilde ze haar boerka voor een chador. ‘Voor het eerst in jaren streelde de wind weer mijn gezicht, voelde ik de warmte van de zon rechtstreeks op mijn huid.’ In Iran ging ze een stapje verder, de chador maakte plaats voor een hoofddoek. ‘Dat was in eerste instantie vreemd, ik voelde me heel kwetsbaar.’ Nu zou ze haar hoofddoek het liefst helemaal afdoen, maar vanwege haar broers doet ze dat niet en draagt ze hem losjes over haar haar. ‘Hier voel ik voor het eerst vrijheid’, zegt ze wel een paar keer vandaag.

Ze schenkt thee in drie glazen en haar neefje Danial van anderhalf waggelt verlegen binnen. Haar oudere broer woont met zijn vrouw en zoontje in hetzelfde azc. Van allemaal is het asielverzoek door de ind afgewezen en voor de hele familie dreigt nu uitzetting naar Afghanistan. Volgens de Nederlandse overheid is Afghanistan veilig. Maar Zahra is er heilig van overtuigd dat haar daar een dorpsgericht wacht omdat ze haar man heeft verlaten. ‘Onze enige hoop is nu de rechtbank’, zegt ze. Maar terug gaat ze hoe dan ook niet. ‘Nooit meer.’

‘Met het uitzetten van vluchtelingen naar Afghanistan worden onaanvaardbare risico’s genomen’, stelt Amnesty International in haar rapport Forced Back to Danger dat begin oktober uitkwam. Amnesty deed hiervoor onderzoek naar de situatie van Afghanen die vanuit Nederland, Noorwegen, Zweden en Duitsland werden uitgezet. Sinds de Europese Unie in oktober 2016 de deal ‘Joint Way Forward’ met de Afghaanse regering sloot, waarin werd geregeld om gedwongen terugkeer van onderdanen vanuit Europa te accepteren, nam het aantal uitzettingen toe. Tussen 2015 en 2016 van 3290 naar 9460, aldus cijfers van Amnesty International. ‘Iedereen weet zo langzamerhand weer dat het daar escaleert’, zegt Annemarie Busser, senior medewerker migratie, in het kantoor van Amnesty in Amsterdam. ‘De situatie in de stad Kabul is dramatisch. Er is geen opvang, medische zorg ontbreekt. De mensen die worden teruggestuurd zijn uitermate kwetsbaar voor elke vorm van misbruik, handel, ronseling.’

Zahra is er heilig van overtuigd dat haar in Afghanistan een dorpsgericht wacht omdat ze haar man heeft verlaten

Zahra kijkt uit het raam naar de sneeuw en staat op om zich om te kleden voor de demonstratie. In de hoek heeft ze een kleine kleedkamer gecreëerd door haar kleerkast dwars te zetten zodat ze wat privacy heeft voor haar broers. Ze was gefrustreerd toen ze in Nederland ook niet naar school mocht omdat ze een asielzoeker ouder dan achttien was. Een half jaar lang ging ze elke dag naar een school waar vluchtelingen Nederlandse les krijgen, en smeekte: ‘Alsjeblieft, laat me Nederlands leren!’ Uiteindelijk lieten ze haar toe. Ze zat na drie maanden al op A2-niveau en mocht na de zomer beginnen met B1.

‘Allemaal de maskers opzetten!’ roept Corien Gijsbers (54) van Stand Up For Afghans – mede-organisator van de demonstratie en drijvende kracht achter het verzet in Maastricht – in de megafoon als de toespraken op Plein 1992 klaar zijn. Corien was Zahra’s taalcoach. ‘Ze was mijn docente en is nu mijn beste vriendin’, fluistert Zahra terwijl ze zenuwachtig naar de maskers kijkt die te voorschijn komen. ‘De maskers!’ roept Corien nogmaals door de megafoon. De demonstranten zetten een foto van Zahra of Haroon op waar de ogen zijn uitgeknipt. Zahra heeft even getwijfeld, maar ze vindt dat ze moet strijden voor haar vrijheid. Opeens staan er tientallen Zahra’s en Haroons om haar heen. Ze glimlacht ongemakkelijk. ‘Het voelt wel gek’, zegt ze en kruipt wat dieper weg in haar bruine jas.

‘De ind zegt dat ze naar Kabul kunnen, maar wat moeten ze daar?’ zei Corien twee weken eerder op een Afghaanse middag die georganiseerd was op het United World College, de internationale school in Maastricht. Corien is vrijwilliger bij het Refugee Project Maastricht dat weer onderdeel is van het studentenpastoraat van de universiteit. Hoe meer ze hoorde, hoe meer Afghanen ze ontmoette, hoe meer ze zich schaamde voor het Nederlandse beleid. Ze wilde iets doen, voelde zich betrokken en medeverantwoordelijk.

Ze wordt ook wel de ‘angel for the Afghans’ genoemd, maar is gewoon ‘mevrouw Corien’ voor Zahra. ‘Ze zijn mijn familie geworden’, zegt Corien liefdevol. Ze vindt dat de Afghanen niet gehoord worden. ‘De ind zoekt naar tegenstrijdigheden, asielzoekers worden afgeschilderd als leugenaars, ze gaan ervan uit dat het niet klopt wat ze vertellen en kijken met een westers perspectief’, verklaart ze. Ze ziet willekeur in de beslissingen van de ind, de een krijgt wel een verblijfsstatus, de ander niet, zonder dat haar duidelijk is waarom, ze zag advocaten die er een zooitje van maakten en tolken die slecht vertaalden.

Aanvragen en uitzettingen

In 2015 kwamen in totaal zo’n tweehonderdduizend Afghanen naar Europa, de meesten via de Turkije-route. Afghanen vormden daarmee een vijfde deel van de miljoen vluchtelingen die dat jaar Europa binnenkwamen. In 2016 deden 175.000 Afghanen een eerste asielverzoek in EU-landen, eind 2017 waren dat er ruim 64.000, aldus de laatste cijfers van de European Asylum Support Office (EASO). Volgens de laatste cijfers van Eurostat werden in Nederland in de eerste drie kwartalen van dit jaar 590 van de 1665 asielaanvragen van Afghanen toegekend, een percentage van 34. Voor de Joint Way Forward van oktober vorig jaar, in 2015, lag het percentage in Nederland nog op 47. Van januari tot en met oktober dit jaar heeft Nederland 760 mensen uitgezet, volgens de laatste cijfers van de Dienst Terugkeer & Vertrek. Frankrijk en Duitsland kenden in dezelfde periode respectievelijk 85 en 47 procent van de asielaanvragen van Afghanen toe.

Maastrichtse medescholieren zoals Philippe en Sarah beseffen door Haroons dreigende uitzetting opeens hoe ernstig de situatie is. ‘Hier op deze school met kinderen uit alle landen is het onmogelijk om onwetend te zijn’, zei Sarah op de Afghaanse middag op haar school. Iets wat ze wel ziet bij haar vrienden van lokale scholen. ‘Ik zou me schamen als ik niet zou protesteren tegen de uitzettingen’, zei ze. ‘Ik schaam me er nu al voor’, reageerde Philippe. Hij heeft deze middag het verhaal voorgedragen van een voormalige Afghaanse medeleerling die in Duitsland is ondergedoken om aan uitzetting te ontkomen. ‘Ik zou iedereen willen accepteren, alhoewel ik weet dat dat niet kan’, zegt hij. ‘Maar Haroon is een vriend en Afghanistan is echt heel gevaarlijk.’

‘It may rain, it may snow, but we won’t let our friends go’, scanderen de demonstranten die zich nu in beweging zetten over de brug over de Maas naar het centrum van de stad. Corien loopt met haar megafoon voorop en leidt de stoet. Ze lopen langzaam over de knobbelsteentjes op het Onze Lieve Vrouweplein, langs de Mariakapel. De maskers van Zahra en Haroon hangen nu verwaaid aan rugzakken en kinderzitjes.

De overheid monitort mensen die zijn uitgezet niet. De verantwoordelijkheid geldt tot aan de vliegtuigtrap, is de rationale. Amnesty International dringt al jaren aan op verandering in dit beleid. ‘Als je dan wilt uitzetten, zorg er dan in ieder geval voor dat je weet wat er met mensen gebeurt’, zegt Annemarie Busser. ‘Op dit punt kun je heel veel bereiken. Niet alleen voor de veiligheid van mensen, maar ook als je je eigen beleid wilt verbeteren.’

Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft dit najaar, op aandringen vanuit de Tweede Kamer, om een nieuw ambtsbericht voor Afghanistan gevraagd. Dat wordt in mei volgend jaar verwacht. Daarin wordt de recentste situatie in Afghanistan beschreven, waarop de beoordeling van asielverzoeken en besluitvorming over de terugkeer van afgewezen Afghaanse asielzoekers wordt gebaseerd. ‘We zeggen: jullie gaan nu onderzoek doen voor een nieuw ambtsbericht’, zegt Busser. ‘Dat betekent dat jullie twijfelen. Stop dan in ieder geval tot je het zelf goed weet.’

‘No border, no nation, stop deportation…’ De demonstranten passeren de kerstmarkt op het Vrijthof, het reuzenrad draait, lichtjes branden, kraampjes met warme wafels en glühwein verspreiden een zoete lucht. Corien zet de stoet die veel bekijks heeft even stil. ‘Houd Haroon hier, houd Zahra hier…’, roepen ze.

Haroon, eveneens met een rood vliegertje op zijn wang, stapte op 29 november met een petitie met ruim zeventienduizend handtekeningen tegen zijn uitzetting naar de Tweede Kamer. Hij zit op de internationale school in Maastricht en is samen met zijn ouders, grootmoeder en broers uitgeprocedeerd. De zaak van hem en zijn familie is al vaker in de media geweest. De woordvoerders van SP, GroenLinks en pvda namen de petitie in ontvangst, samen met een doos vol brieven van scholieren en studenten uit Maastricht gericht aan minister-president Mark Rutte. Tijdens het Kamerdebat dat volgde vroegen de woordvoerders migratie aan de nieuwe staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Mark Harbers, om te stoppen met uitzetten van Afghanen tot het nieuwe ambtsbericht er is. De Maastrichtse gemeenteraad deed hetzelfde verzoek nadat het een motie aannam voor een uitzettingsstop. De staatssecretaris weigerde. De uitzettingen gaan door.

‘De mensen die worden teruggestuurd zijn uitermate kwetsbaar voor elke vorm van misbruik, handel, ronseling’

Het protest hiertegen speelt niet alleen in Nederland. Op de Facebook-pagina Don’t send Afghans back komen actiegroepen uit heel Europa samen om deportaties naar Afghanistan te stoppen. In Zweden probeerde een groep onlangs tevergeefs een uitzetting vanuit Malmö te voorkomen, ook in Wenen was er deze maand een grote protestmars. En vijfhonderd demonstranten verzamelden zich begin december op de luchthaven van Frankfurt om de uitzetting van 27 Afghaanse vluchtelingen tegen te houden. Eveneens tevergeefs. Voor 18 februari 2018 roepen de organisatoren nu op tot een Europese dag van verzet tegen de uitzettingen naar Afghanistan met acties in verschillende Europese steden.

In het Drentse forensendorp Roden, op een half uur rijden van Groningen, kwamen Jan van Bon en Marian Stoppelenburg net als Corien Gijsbers in Maastricht volledig onverwacht in aanraking met de Afghaanse uitzettingen. Buiten op straat is het rustig, slechts een handvol schoolkinderen schuifelt aan de hand van hun ouders richting huis. Binnen drinkt de achttienjarige Sayed samen met Jan en Marian een kop thee aan de keukentafel. Net als ruim zes maanden geleden.

Sayed had Marian opgebeld na een toevallige ontmoeting in de sportschool. ‘Ik vond het bijzonder dat je me meteen de dag erna belde’, herinnert Marian zich. ‘Ik nodigde je uit om bij ons te komen en je zei: ik moet eerst naar de politie voor een gesprek.’ Dat was het vijfde gesprek van Sayed met de Dienst Terugkeer & Vertrek (dt&v). Ook hij behoort tot de ‘uitgeprocedeerde’ Afghanen en moet terug naar zijn geboorteland dat hij eind 2015 ontvluchtte. Sinds hun eerste kopje thee in mei is er veel gebeurd in het leven van Sayed, en daarmee ook in dat van Jan en Marian. Zij namen hem dit najaar in huis. Zo zijn het niet alleen landelijke actiegroepen, maar ook individuele burgers die in het geweer komen tegen de uitzettingen.

Nadat Sayed voor het eerst bij hen was geweest begon zijn verhaal zich voor hen langzaam af te wikkelen. ‘Het werd steeds erger en steeds bizarder’, vertelt Jan. De korte versie: Sayeds oudere broer Ahmad vluchtte in 2010 uit Afghanistan. Hij behoort tot de onderdrukte Hazara-gemeenschap en had buiten het huwelijk seks met een meisje uit de ‘hogere’ Pashtun-kringen. De familie van dat meisje dreigde Ahmad en zijn familie uit eerwraak te vermoorden. Zijn moeder en een neef werden gedood en Sayed dook onder bij een tante. Na de moord op haar oudste zoon dwong de tante Sayed om te vluchten en op zoek te gaan naar zijn broer.

Al die tijd verkeert Sayed in het ongewisse over de exacte reden achter al de dramatische gebeurtenissen in zijn leven. ‘Ik wist niet waarom ik moest vluchten. Mijn tante zei alleen: ga naar Holland of Londen, want daar vind je je broer misschien’, vertelt Sayed. Zes jaar na zijn broer, in het spoor van de honderdduizenden die via Griekse eilandjes het Europese continent bereikten, zet Sayed in het voorjaar van 2016 na een barre tocht voet op Nederlandse bodem. Daar vindt hij met hulp van een coa-medewerker zijn broer Ahmad terug, die hier een verblijfsvergunning heeft voor onbepaalde tijd en in Roden woont.

Ahmad, bij wie Sayed intrekt, is verscheurd door een diep schaamtegevoel en kampt met constante hoofdpijn. Hij is verantwoordelijk voor de dood van hun moeder en neef en nu dreigt Sayed door zijn schuld ook nog eens het veilige Nederland te worden uitgezet. Omdat Ahmad zich schaamde voor zijn onbezonnen puberactie, hield hij zijn verhaal stil. Sayed kon daarom de reden van zijn vlucht niet delen met de ind, die zijn asielaanvraag ‘summier en onsamenhangend’ noemt en afwijst. Bij een beroepszaak afgelopen september bekrachtigt de rechter dat oordeel. Sayed dient het land te verlaten.

Er was een interventie van Jan bij Ahmad thuis voor nodig om zijn ind-dossier uit 2010 boven tafel te krijgen. ‘Ik zei tegen hem: als je me dat dossier niet laat zien, gaat je broer z’n kop eraf.’ Nadat Jan dezelfde avond nog het pak papier had doorgenomen werd de zaak snel duidelijk. Ahmad had de ind in 2010 al verteld dat hij zich zorgen maakte om zijn broertje. Maar nu zijn broertje met hetzelfde verhaal, en zonder verdere familie – hun vader werd toen ze klein waren meegenomen door de Taliban – in Nederland aanklopt, moet hij terug. ‘Het toont de willekeur’, zegt Jan. ‘Wat hier gebeurt, is iets waar ik me als Nederlander voor schaam. Dit heeft niks meer met een beschaafd land te maken. Aan de voorkant gaat het heel netjes, maar als je onder de stoeptegel kijkt, kom je dit tegen.’

Medium img 6992
Sayed, Jan en Marian © prive-archief

‘Dood is beter dan een slecht leven’, zegt Sayed stellig. Zo voelt hij dat sinds zijn afwijzingen. Thuis liepen de spanningen tussen hem en zijn broer steeds vaker op. Toen Ahmad een fles benzine in huis vond, gingen alle alarmbellen rinkelen en boden Jan en Marian, beiden zelfstandigen, Sayed aan om bij hen te komen wonen. ‘Dit kan helemaal niet’, kregen ze te horen toen ze het verhaal in hun omgeving vertelden. ‘Ik denk dat de meeste Nederlanders die nooit met vluchtelingen te maken hebben ervan uitgaan dat het goed geregeld is’, zegt Jan, maar zij weten inmiddels dat niets minder waar is.

Wat Jan en Marian, naast de specifieke details van Sayeds zaak, met name tegen de borst stuit, is hoe het bureaucratische systeem integratie van vluchtelingen eerder lijkt tegen te werken dan te bevorderen. Ze kwamen erachter dat de papieren werkelijkheid vaak weinig van doen heeft met hoe het er in de praktijk aan toe gaat. ‘Heeft u een huis? Ja. Heeft u een uitkering? Ja hoor. Heeft u een taalcoach? Ehm, ja, een uur in de week. U bent dus geïntegreerd, gefeliciteerd’, parafraseert Jan de procedure.

Maar ook mentale drempels bij zowel mensen uit de ontvangende samenleving als bij nieuwkomers staan in de weg van een geslaagde integratie, beseft Marian na ruim een half jaar intensief met Sayed en andere Afghaanse asielzoekers bezig te zijn geweest. ‘Voor jongens als Sayed is het ontzettend moeilijk en moedig om een drempel over te gaan en te zeggen: “Hallo hier ben ik.” En andersom zijn er ook heel veel Nederlanders die best wel willen, maar gewoon niet durven.’

‘De meeste Nederlanders die nooit met vluchtelingen te maken hebben zullen denken dat het goed geregeld is’

De meeste vluchtelingen hebben dan ook nauwelijks contact met Nederlanders, realiseerde Jan zich. ‘Als mensen in kleine gemeentes als Roden gedropt worden, hebben ze nul kans op contact. Nul. Vaak kennen ze Nederlanders alleen maar als mensen van een institutie met een rol, zoals mensen van Vluchtelingenwerk en andere functionarissen. Maar niet als een rolloze burger.’ Jan en Marian hebben inmiddels een duidelijke rol op zich genomen: zoeken naar een oplossing zodat Sayed in veiligheid een bestaan kan opbouwen.

Terug naar Afghanistan is geen optie. Eerwraak kent immers geen einddatum. Als het echt niet in Nederland kan is er misschien nog een alternatief: Canada. Daar kan een zogeheten Group of Five, een groep van vijf burgers, een vluchteling ‘adopteren’. Gezamenlijk dragen ze verantwoordelijkheid voor de geadopteerde vluchteling, zowel financieel als sociaal. Integratie werkt zo automatisch twee kanten op. Het is een mogelijkheid die Jan en Marian nu via geaccrediteerde organisaties in Canada onderzoeken. ‘Vanuit organisaties in Canada die we benaderden, krijgen we reacties terug als: “Wat merkwaardig, hoe kan het dat een vluchteling die in Nederland is, op zoek is naar veiligheid in Canada?” Toen ben ik zo eigenwijs geweest om een briefje naar Justin Trudeau en Mark Rutte te sturen. Zo van: leg dat elkaar nu maar eens uit’, zegt Marian.

Ondertussen onderzoeken Jan en Marian of het mogelijk is op kleine schaal een vergelijkbare pilot in Nederland te introduceren. Daar zitten een hoop haken en ogen aan. ‘Maar hoeveel tijd, geld en energie wordt er nu wel niet besteed aan eindeloze asielprocedures, terwijl mensen waar het over gaat niets liever willen dan hier een bijdrage leveren. Ik twijfel geen moment of ik dit voor je wil doen, maar we hadden veel liever andere dingen voor je gedaan. Ik had jou bijvoorbeeld willen helpen met bijvoorbeeld een studie’, zegt ze tegen Sayed die nog maar een kop thee inschenkt. Hij knikt begripvol als Marian verder praat over het personeelstekort in de zorg- en technieksector, hoe Nederland jonge mensen als hij nodig heeft.

Voor hen ligt de wereldkaart op tafel. Via die kaart is het Canada-plan langzaam gaan leven voor Sayed. Voordat hij naar Nederland kwam, wist hij niks van topografie. Ruim vier jaar tussen de vier muren van het huis van zijn tante leverden hem een enorme leerachterstand op. Maar de reis en de nieuwe indrukken die hij in Nederland opdeed prikkelden zijn nieuwsgierigheid. Nu bestudeert hij de wereldkaart dagelijks. En leert hij bijvoorbeeld waarom het in Canada vroeger is dan in Nederland. En via welke route hij uit Afghanistan naar Nederland kwam. Terwijl Ahmad moedeloos thuis zit, heeft Sayed nog altijd een enorme motivatie om te blijven leren.

Op tafel liggen ook twee dictees van de Internationale Schakel Klas in Groningen, die Sayed dagelijks bezoekt. Hij slaagde afgelopen zomer met vlag en wimpel voor de mbo-instaptoets, maar omdat hij uitgeprocedeerd is, is dat examen waardeloos. De dictees die op tafel liggen maakte hij vrijwel foutloos, beoordeeld met een 9,5 en een 10. ‘Het krijtje’, ‘vijfentwintig’ en ‘het horloge’, zijn enkele van de woorden met een krul ervoor. Omdat hij zo lang heeft stilgestaan heeft hij haast. Om zich heen kent hij verhalen van jongens die vijf of zeven jaar moeten wachten. ‘Ik ben nu jong, kan iets vasthouden in mijn hoofd, ik wil graag werken en leren, maar niemand wil mij.’

Als hij in Canada wel een opleiding kan volgen, gaat hij daar naartoe. Sinds de zomer helpt hij in de klas af en toe een docent met nakijkwerk, bij gebrek aan de mogelijkheid zelf verder te studeren. En via een baantje dat Marian heeft aangenomen brengt hij twee middagen per week een huis-aan-huisblad rond. Ook die ligt op tafel, een paar weken geleden stond Sayed nota bene zelf op de voorpagina. ‘Ik wil graag blijven maar heb hier geen toekomst’, luidt de kop.

De parallel met zijn leven in Afghanistan dringt zich op. Daar stond hij stil, omdat hij het huis niet uit mocht. En nu in Nederland is het hem ook niet toegestaan te leren. Het leidt tot woede en onbegrip bij Jan en Marian. Sayed deelt die boosheid niet. ‘Ik kan niks doen als ik boos ben’, zegt hij. Maar voor hem zorgt de situatie voor een ongezonde dosis stress en onzekerheid. Nadat hij anderhalf jaar geleden op de Egeïsche Zee mensen uit zijn boot zag verdrinken, valt hij nu zelf tussen wal en schip. Hij voelt zich als een blad aan de boom, of als zeeschuim uit de Waddenzee. Hij kan alle kanten op geslingerd worden, maar heeft het zelf niet in de hand.

‘It may rain, it may snow, but we won’t let our friends go’, scanderen de demonstranten nog steeds strijdlustig terwijl ze langzaam door de winkelstraten van Maastricht bewegen. Zahra loopt rustig mee in de stoet. Wat als ze mag blijven? Dan gaat ze studeren, voor tandarts, of tolk, en gewoon vrij zijn. ‘Ik leef zoals ik wil, bij mezelf. In plaats van dat anderen zeggen wat ik moet doen’, zegt Zahra gedecideerd.

Na een uur lopen door de snijdende wind bereiken ze de Markt. Daar pakt Corien de microfoon: ‘We doen alles wat in onze macht ligt om dit tegen te houden, een demo, petities, de Tweede Kamer, een brief van onze burgemeester, maar onze regering blijft Afghanen uitzetten…’

‘Boeoeooee’, roept de menigte die nu tot stilstand is gekomen.

‘Kijk naar deze vrouw’, roept Corien dan weer en wijst naar Zahra’s schoonzus. ‘Ze is zeven maanden zwanger, willen we dat ze wordt uitgezet?’

‘Neeee!’ antwoorden de demonstranten.

‘We moeten blijven vechten’, besluit Corien. ‘Please, stand up for them…’