Migratiedenkers #7: Tamar de Waal

‘Dit komt ons duur te staan’

Migranten die naar Nederland komen krijgen steeds minder hulp bij hun inburgering. Hun kinderen dreigen een verloren generatie te worden. Politiek filosoof Tamar de Waal vreest hoge maatschappelijke kosten.

De vriendinnen Lua (10) en Nandini (10) wonen in een azc in Amersfoort. © Carla Kogelman / De Beeldenunie

Voor een jongere die voortijdig zijn opleiding afbreekt is het neutrale woord ‘schoolverlater’ gebruikelijk, tenzij hij een allochtone achtergrond heeft. Dan wordt al gauw van hem gezegd dat hij ‘niet geïntegreerd’ is, zelfs als hij in Nederland is geboren en getogen. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor als iemand een misdaad begaat, zegt Tamar de Waal: ‘Een autochtone crimineel is gewoon een crimineel, een misdadiger van Turkse of Marokkaanse afkomst is een crimineel én niet-geïntegreerd. Dat is toch gek, om van iemand die over de schreef gaat met terugwerkende kracht te zeggen dat-ie niet meer bij Nederland hoort. Van een autochtone Nederlander zal dat nooit worden gezegd, ook niet als hij naar dezelfde sociale maatstaven gemeten net zo slecht is geïntegreerd.’

Deze dubbele standaard was een van de ongerijmdheden waar de politiek filosoof De Waal (28) tegenaan liep in haar onderzoek naar de ethiek van het Nederlandse migratie- en inburgeringsbeleid. De voorlopige conclusies van haar studie, waarop zij aan de Universiteit van Amsterdam promoveert, zijn weinig hoopgevend voor de vluchtelingen die naar Nederland trekken. De ondersteuning die zij van de overheid mogen verwachten bij hun inburgering in Nederland zal ‘karig’ zijn, zegt De Waal.

Dat is volgens haar toe te schrijven aan een geleidelijke politieke wending. Een beleid van integratie, gebaseerd op de wil om samen te leven, heeft plaatsgemaakt voor een heimelijke vorm van segregatie. Daarbij krijgen groepen mensen die door de politiek als een probleem worden gezien, de niet-westerse immigranten, een aparte behandeling, met steeds hogere eisen waaraan zij moeten voldoen om als geïntegreerd te worden erkend.

De Waal onderschrijft de waarschuwing van scheidend Kinderombudsman Marc Dullaert dat in de asielzoekerscentra een ‘verloren generatie’ dreigt op te groeien. In het rapport Wachten op je toekomst: Kinderen in de noodopvang in Nederland schrijft Dullaert dat zo’n 3500 kinderen van vluchtelingen blijvend op achterstand dreigen te raken. Zij groeien op in een allesbehalve stimulerende omgeving, mede als gevolg van de langdurige onzekerheid waarin hun ouders verkeren over de vraag of zij ooit het Nederlanderschap en de daaraan verbonden rechten zullen verwerven.

Asielzoekers moeten inmiddels zeker vijftien maanden wachten voor zij uitsluitsel krijgen. Daarna, mits de overheid hun een voorlopige verblijfsstatus heeft toegekend, moeten zij verplicht inburgeren en examens halen om volledige rechten te krijgen. Ze moeten zelf op zoek naar een private school die inburgeringscursussen geeft. Ook het lesgeld en de kosten van de examens moeten ze zelf ophoesten of lenen, tot een maximum van tienduizend euro. Dankzij een maatregel van pvda-minister Lodewijk Asscher kan die schuld worden kwijtgescholden als vluchtelingen binnen drie jaar aan de inburgeringsplicht voldoen. Het zakken voor de examens wordt juist bestraft met boetes of, als uiterste sanctie, met het verlies van het verblijfsrecht. Asscher nam in 2013 het initiatief van zijn voorganger Gerd Leers (cda) over en besloot de inburgeringslessen in private handen te leggen. Asscher zelf spreekt van ‘de markt voor inburgeringsonderwijs’. De gemeenten moesten hun handen ervan aftrekken.

Tamar de Waal – ‘Asielzoekers verpieteren door het gedwongen nietsdoen’ © Chantal Ariëns

‘Ik zou wel eens willen weten’, zegt De Waal, ‘wat de gemeente Amsterdam van die privatisering vindt. Het zijn toch hun toekomstige bijstandsgerechtigden. Amsterdam had tot 2013 klassen vol immigranten. Als iemand dan afwezig was, ging de docent gewoon even bellen waar hij was. Nu heeft de overheid weinig zicht meer op de integratie van immigranten, ook niet als iemand verdwaalt in het doolhof van regels. Inburgering is een eigen verantwoordelijkheid geworden, dus een vluchteling die geen lessen neemt kan er hypothetisch ook voor hebben gekozen Nederlands te leren via internet of de buurvrouw. Zo niet, dan blijkt dat probleem pas jaren later, als de examens niet gehaald zijn.’

De gevolgen zijn ernaar. De Waal: ‘Drie jaar na de invoering van het nieuwe inburgeringsbeleid kan nu de eerste balans worden opgemaakt. Wat blijkt? Niet meer dan 27 procent van de lichting van 2013 heeft aan de vereisten van de inburgeringsplicht voldaan. Drie op de vier immigranten uit die lichting dus niet. Vroeger zou dat vooral als een maatschappelijk probleem zijn verwoord, bijvoorbeeld als een achterstand in hun ontplooiingskansen. In de huidige visie op inburgering zal van die mensen worden gezegd dat zij het Nederlanderschap niet hebben verdiend.’

In die redenering is het zelfs logisch dat daarmee hun verblijfsrecht op het spel komt te staan. De Waal: ‘Alleen is dat een fictieve sanctie, want voor het merendeel zal gelden dat het verdragsrechtelijk onmogelijk is hen uit te zetten, zolang het land van herkomst naar internationale normen gemeten nog onveilig is. Daarbij komt dat vluchtelingen in Europese landen na vijf jaar in beginsel het recht op permanent verblijf verwerven. Negentig procent van de Afghanen die vanaf 2010 naar Nederland zijn gekomen is hier nog steeds. Kijk naar Syrië. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat het daar de komende jaren zo veilig wordt dat het verdragsrechtelijk gewettigd is mensen terug te sturen. Verblijfsrechtelijke sancties bij het zakken voor het inburgeringsexamen zijn dus een tandeloos en buitenproportioneel dreigement. Toch rust inmiddels ons volledige inburgeringsbeleid op de theoretische mogelijkheid dat niet-geïntegreerden kunnen worden teruggestuurd.’

De Waal schetst hoe de wil om samen te leven als dragende gedachte van de inburgering gaandeweg verdween. ‘Nadat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 1988 het voorwerk had gedaan, met het rapport Allochtonenbeleid, voerde de paarse coalitie tien jaar later voor het eerst een doelbewust inburgeringsbeleid in. Legale immigranten kregen vijfhonderd uur les aangeboden, vooral in Nederlandse taal, gratis, zonder examenplicht. Er werd wel van hen verlangd dat ze naar de les kwamen en naar vermogen meededen. Dat was emancipatoir beleid, aangeboden door de staat, om wille van publieke belangen als het tegengaan van segregatie, gelijkwaardige ontplooiingskansen, economische zelfredzaamheid.’

‘Het bemoeilijken van inburgering is sinds enkele jaren voor politici een fijn nieuwtje om te brengen’

Deze aanpak heeft volgens haar vrij snel, met het aantreden van vvd-minister Rita Verdonk in 2003, het veld geruimd voor een methode om immigranten te testen op hun geschiktheid voor het Nederlanderschap. De Waal: ‘Verdonk voerde de naturalisatietoets in, een soort examen om Nederlander te kunnen worden. In plaats van zoveel mogelijk immigranten de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse maatschappij en arbeidsmarkt bij te brengen, zijn we gaan nadenken over methodes om op individueel niveau te testen of zij voldoende Nederlander zijn geworden om Nederlander te mogen zijn.’

De omslag was compleet met de maatregelen van Asscher uit 2013, zegt De Waal: ‘Van vijfhonderd uur taalles, gratis gegeven door de overheid, is het inburgeringsbeleid veranderd in privaat onderwijs dat de immigrant zelf moet betalen, met examenplicht en mogelijk het verlies van het verblijfsrecht. Het inburgeringsbeleid onderbreekt zijn of haar toetreding tot de Nederlandse samenleving. In die logica klopt het ook dat de overheid geen publiek geld aan inburgering spendeert, want zolang jij niet hebt bewezen dat je het waard bent tot Nederland te behoren, heeft de overheid geen verantwoordelijkheid voor jou. Zo normaal als we het vinden dat regulier onderwijs vanwege het maatschappelijk belang gratis wordt aangeboden, zo logisch is het in de gangbare denktrant dat de inburgeringscursus voor eigen rekening komt. Het maatschappelijk belang van inburgering is buiten beeld geraakt. Met de grote aantallen vluchtelingen van nu is dat slecht nieuws. Dullaert wijst daar terecht op als hij het over de toekomst van hun kinderen heeft.’

Volgens De Waal ligt het veranderde denken over wat integratie inhoudt ten grondslag aan deze omslag. De Waal: ‘In het oude denken was integratie een prestatie van een goed functionerende, pluriforme samenleving, die erin slaagde uiteenlopende groepen mensen in zich op te nemen. Nu is integratie een prestatie die van een individu wordt gevergd, in het bijzonder van de niet-westerse migrant met een islamitische achtergrond. In deze zienswijze kunnen ook mensen die al lang in Nederland wonen dus niet geïntegreerd zijn. Daar komt dat stilzwijgende onderscheid vandaan tussen de autochtone Nederlander die vanzelfsprekend is geïntegreerd en de niet-westerse migrant, officieel Nederlander of nog niet, die nog een bepaalde inspanning moet leveren om erbij te horen.’

De Waal komt terug op het voorbeeld van de schoolverlater: ‘Als Mohammed, in Nederland opgegroeid, zijn school niet afmaakt, is dat een indicatie dat hij niet is geïntegreerd. Maar andersom zie je dezelfde redenering. Mohammed heet goed geïntegreerd als hij alleen maar tienen op school haalt. De implicatie is dat alle autochtone kinderen, per definitie geïntegreerd, alleen maar tienen halen. Hier zie je de onzin in deze logica.’

In haar promotieonderzoek is Tamar de Waal onder anderen te rade gegaan bij Emile Durkheim (1858-1917), een van de grondleggers van de sociologie. In een serie colleges, later gepubliceerd onder de titel Professional Ethics and Civic Morals, stelde de Fransman eind negentiende eeuw de vraag wat het samenbindend element kan zijn in een samenleving die door migratie, religieuze conflicten en revoluties op drift is geraakt. Hij zocht het antwoord onder meer in ‘een gedeelde wil tot samenleven’. De Waal: ‘Daarmee ontkende hij niet dat er verschillende groepen zijn, in gescheiden sociale sferen, die het met elkaar aan de stok kunnen hebben. Toch kunnen ze allemaal erkennen dat de ander evenveel recht op een plek onder de zon heeft, op voorwaarde dat ze elkaar identificeren als behorend tot één maatschappij. Het is die collectieve wil tot samenleven die ervoor zorgt dat een maatschappij als een geheel functioneert en meer is dan losse delen. Die manier om naar integratie te kijken is nu helemaal verlaten.’

Een van de kwalijke gevolgen is dat er tussen ingezetenen van Nederland een ongelijkheid ontstaat, constateert De Waal: ‘In Nederland heb je principieel de vrijheid om het oneens te zijn met bepaalde waarden, zonder dat je daarmee direct je grondrechten in de waagschaal stelt. Er is niks mis mee als de overheid de waarden van de liberale democratische rechtsstaat uitdraagt. Sterker, dat is haar taak. De seksegelijkheid, het antidiscriminatiebeginsel, de rechtsgelijkheid, en het onschuldprincipe zijn onbetwistbare waarden. Het is terecht dat de overheid van de scholen verlangt deze over te dragen. Maar: je mag het ermee oneens zijn. Daarom is het bedenkelijk dat een immigrant die niet aan de inburgeringsplicht voldoet als straf het Nederlanderschap en de daaraan verbonden rechten kan mislopen. Dan meet je immigranten en autochtonen met twee maten.’

De Waal beaamt dat immigranten eigenlijk betere Nederlanders moeten zijn dan de autochtonen: ‘Je moet wel heel goed geïntegreerd zijn, voordat je echt serieus wordt genomen als gelijkwaardige partner in het democratische publieke discours. En dan nog. De Turks-Nederlandse NRC-columnist Zihni Özdil krijgt vaak als reactie op zijn maatschappijkritische stukjes waarom hij niet teruggaat naar zijn eigen land. Dat zeggen ze tegen mij nooit. Minister Asscher heeft nu voor alle immigranten, ook die uit Europa, de participatieverklaring ingevoerd. Daarin staat dat je kennis hebt opgedaan van de Nederlandse waarden. Daar kun je niet tegen zijn, lijkt me. Maar dan komt het. Asscher verplicht niet-EU-migranten de verklaring te tekenen, inclusief de zin: “Ik verklaar dat ik kennis heb genomen van de waarden van de Nederlandse samenleving en dat ik ze graag zal helpen uitdragen.” Het niet tekenen van die verklaring kost hen 1250 euro boete.’

De Waal wijst erop dat van geen enkele Nederlander wordt gevraagd de ‘Nederlandse waarden’ uit te dragen. ‘Niemand hoeft de seksegelijkheid te onderschrijven, laat staan uit te dragen, zolang hij maar accepteert dat het rechtssysteem wel op dat principe is gebaseerd. Meer hoort een liberale rechtsstaat met respect voor de gewetens- en geloofsvrijheid van het individu ook niet te verlangen. Maar het lijkt erop dat je als migrant vooral niet te religieus mag zijn. De staat gaat met die eis in de participatieverklaring dan ook een grote stap verder. Dit is misbruik van de kwetsbare positie waarin immigranten met een voorlopige verblijfsstatus verkeren. Dan teken je natuurlijk alles, zeker als je anders een geldboete riskeert.’

De VVD heeft bij monde van Kamerlid Sjoerd Potters geopperd vluchtelingen pas aan hun inburgering te laten beginnen als definitief vaststaat dat zij blijven, in de regel dus na vijf jaar. De liberalen reageren daarmee op een aanbeveling die daar haaks op staat, afkomstig van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, het Sociaal en Cultureel Planbureau en deskundigen van het ministerie ven Veiligheid en Justitie. Daarin wordt een aanpak geadviseerd waarbij vluchtelingen juist direct perspectief wordt geboden, met werk, taalles en een opleiding, opdat ze zo snel mogelijk op eigen benen leren staan. De ervaring met de asielzoekers uit de jaren negentig leert dat degenen die destijds gedwongen niets zaten te doen, nu in de meeste gevallen blijvend zitten opgesloten in het Nederlandse uitkeringsstelsel.

‘Asielzoekers verpieteren door het gedwongen nietsdoen’, zegt De Waal. ‘Ze vereenzamen, ze hospitaliseren. Dat gebeurt met mensen die in een instituut wonen en ook noodgedwongen in het ritme van dat instituut moeten leven. Je ziet dat verschijnsel ook in de gevangenissen en in de langdurige zorg. Mensen verliezen hun gevoel van eigenwaarde, hun ambities, ze raken depressief. Dit zijn slechte keuzes als het om de sociale cohesie van Nederland gaat. Asielzoekers meteen taallessen aanbieden is het beste voor de lange termijn, ook al investeert de overheid dan wellicht in mensen die weer terug moeten. Dat is niets meer dan welbegrepen eigenbelang. Maar de huidige politiek vreest dat zo’n beleid te veel ruikt naar welkomstpolitiek.’

Een voorstel als dat van Potters is tekenend voor een tendens waarin het immigratie- en integratiebeleid de gedaante van afschrikkingspolitiek krijgt. De opvang in Nederland, zo sober mogelijk, is eerder een middel om migranten te ontmoedigen Nederland als bestemming te kiezen dan om hun fatsoenlijk onderdak te bieden. Een andere afschrikkingsmethode is het stelselmatig oprekken van de periode die vluchtelingen met een verblijfsstatus moeten wachten voordat zij hun kinderen kunnen laten overkomen. De procedure voor gezinshereniging kan inmiddels meer dan twee jaar vergen. Ook de verandering van het inburgeringsbeleid in een test op geschiktheid voor het Nederlanderschap past in deze tendens.

In een beschouwing in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken concludeert ook de bestuurskundige Madelon Kloosterboer dat de doelgroep van het nieuwe inburgeringsbeleid misschien eerder het rechtse electoraat is dan de inburgeraar zelf. De Waal: ‘Immigratie is geen positief nieuws, zeker niet in de afgelopen tien, twintig jaar. Dus het bemoeilijken van inburgering is voor politici een fijn nieuwtje om te brengen. De testen zijn stelselmatig zwaarder gemaakt, voor eigen rekening gebracht, noem maar op, altijd met het argument dat mensen die hier naartoe komen hun best moeten doen om die plek te verdienen. “In Nederland blijven is meedoen”, is het officiële credo, maar die oproep is een lege huls als de overheid onderwijs en participatie niet ondersteunt.’

Zij zegt dat politici in hun fixatie op de nieuwkomers ondertussen de wijken met hoge armoedecijfers zijn vergeten. De Waal: ‘Er wordt weinig geïnvesteerd in de wijken waar de tweede of derde generatie migrantenkinderen woont. Stel nu dat de overheid laaggeletterdheid weer als een maatschappelijk probleem zou beschouwen en niet als een kenmerk van mislukte integratie van een individu. Dan zou het logisch zijn als de gemeenten weer gratis taallessen aanbieden, zonder onderscheid tussen mensen die hier een half jaar zijn, twintig jaar of al hun hele leven. Zo’n beleid zou pas werkelijk substantieel iets bijdragen aan de bestrijding van de achterstanden van mensen, allochtoon of autochtoon. Ongeveer twaalf procent van de Nederlanders is laaggeletterd, in een stadsdeel als Amsterdam-Zuidoost is dat zelfs 37 procent.’

Helaas staat de pet van de politiek hier niet naar, beaamt De Waal. ‘Ik vrees dat het heel lang zal duren voor dit soort hoognodige correcties mogelijk zijn. Door fout beleid zullen we in de toekomst met onnodig hoge maatschappelijke kosten kampen. De huidige aanpak werkt niet. We slepen de kinderen van de asielzoekers van locatie naar locatie, we onthouden hun ouders taal- en participatieles. Toekomstige achterstanden zijn in aanbouw. Dit komt ons later duur te staan. Het is jammer dat een nuchtere, effectieve aanpak in het politieke klimaat van nu onmogelijk is.’