David van Reybrouck over de Belgische uitbuiting van een kolonie

‘Dit land heeft al te veel miserie gekend’

David van Reybrouck schreef een meeslepend boek over Congo, dat binnenkort vijftig jaar onafhankelijk is van België. In het boek komen niet de politici of belangrijke industriëlen aan het woord, maar gewone Congolezen. ‘Leopold II werd schatrijk, maar wel ten koste van de inheemse bevolking.’

Medium congo

HET IS EEN UITGEMAAKTE zaak: wie een beter boek dan Congo van David van Reybrouck schrijft, wint volgend jaar de belangrijkste literaire prijzen. In Congo zijn literatuur en non-fictie een ééneiige tweeling en de waarheid zorgt voor hoogspanning in dat werk. Het is een schokkende waarheid, een meeslepende waarheid, een ingewikkelde waarheid.
David van Reybrouck (1971) praat als een TGV op een terrasje van een Portugees restaurant aan het zuidstation van Brussel. Congolezen zijn er actief als luistervinken. ‘Ik ben absoluut geen tropenreiziger. Zo ben ik op mijn zeventiende níet met de rugzak door Tanzania getrokken om man te worden. Ik hoop dat ik niet als bejaarde in het Krugerpark met een kaki hoedje op mijn hoofd een leeuw ga zitten filmen en een wrattenzwijn achterna hollen.
Pas in 1999 was ik voor het eerst in zwart Afrika. Uiteindelijk ben ik tien keer naar Congo gereisd. Soms voor maanden, soms voor enkele dagen. De belangstelling voor het land werd gewekt door mijn vader. Als pas afgestudeerd industrieel ingenieur heeft hij na de onafhankelijkheid vijf jaar in Congo gewerkt. Zijn kennis van het inlandse volk was uitermate beperkt. Toen ik er als kind naar vroeg, antwoordde hij met het verhaaltje dat zwarten in hun cafés op omgekeerde bierbakken zaten. Dat was het. Op mijn twintigste werd ik flink progressief. Uren heb ik met mijn vader over Congo proberen te discussiëren. Ik vond het ronduit schandalig dat de Belgen gedurende decennia opteerden voor een totale uitbuiting van hun kolonie. Een dovemansgesprek was het resultaat.’

'EÉN JAAR HEB IK aan de universiteit in Cambridge gestudeerd. Eenzaamheid troef, maar ik deed er ontzettend veel kennis op allerlei vlakken op. In Cambridge ben ik me bewust geworden van hoe dierbaar mijn eigen taal mij is en van mijn eigen sociale positie. Hoe je het ook draait of keert: ik ben geen upper-class-jongen. In Cambridge heb ik mijn ogen stuk gelezen. We hadden elke week een aantal seminars. Als introductie moest je vijf tot tien boeken lezen. Ik leerde er op een efficiënte manier informatie verwerken.
Congo heb ik in elf maanden geschreven, inclusief alle research die ik nog voor de eerste helft moest doen. Ik kan vijftien boeken per dag doornemen. Dát heb ik in Cambridge geleerd, maar ook mijn politieke interesse werd daar aangevuurd. In april 1994 was er een feestje in de middle common room en op een bepaald moment speelden ze Free Nelson Mandela. Die was net tot president gekozen. Een paar Zuid-Afrikanen dansten alsof hun leven ervan afhing. Ineens zag ik wat politiek met mensen doet. Toen werd ik gebeten door de politieke microbe.
Enkele jaren geleden wilde ik naar Congo reizen, maar ik wilde er eerst een allesomvattend boek over lezen. Over elke belangrijke fase uit de geschiedenis van Congo is er wel een belangrijke studie geschreven, maar over de hele geschiedenis bestond er geen goed leesbaar overzichtswerk. In een bruine, Brusselse kroeg tobde ik over dat vacuüm en ik besloot het zelf te schrijven. Daarenboven wilde ik ook goed weten hoe het land vandaag in elkaar zit. Om dat te begrijpen heb ik uiteindelijk veel gereisd en veel gepraat met de doorsnee Congolees.
Wat een geluk dat ik Nkasi ontmoette. Het feit dat hij beweerde in 1882 geboren te zijn heb ik ervaren als een terrein van speculaties. Ik zet wel een vraagteken achter zijn geboortejaar, maar hij vertelt op vrij moeiteloze wijze over de jaren 1890. Alles, maar dan ook alles heb ik geprobeerd om hem te ontmaskeren. Nkasi was de keizer van mijn geïnterviewden. Hij kwam ook nog eens uit het gebied waar de grote geschiedenis voorbijtrok, de Bas-Congo, het gebied waar de ontdekkingsreizigers, de eerste missionarissen, de eerste spoorweg kwamen. Bij hem kwam alles samen. Als je politici interviewt, zit je zo snel in het domein van de retoriek. Ik heb er een paar geïnterviewd en die wisten maar weinig te vertellen dat ik nog niet wist. Maar de politieke geschiedenis van elke dag - al mag die schijnbaar abstract overkomen - grijpt veel fundamenteler in op mensenlevens. Een paar weken voor de presentatie van mijn boek wou ik Nkasi filmen. Voor mijn vertrek kreeg ik een telefoontje uit Kinshasa: hij was plots overleden.
Het leven van een oud kwezeltje in een dorp in West-Vlaanderen evolueert door de grote structuren die van bovenaf worden opgelegd. Maar soms zie je ook hoe mensen erin slagen de grote structuren uit te dagen en te veranderen, zoals de vier huisvrouwen die met ware doodsverachting in het centrum van Kinshasa gingen betogen tegen Mobutu. Het gewone volk mag je niet uitsluitend als slachtoffers benaderen. Zo'n passief perspectief accepteer ik niet. Het onderscheid tussen slachtoffer en dader is zeer onduidelijk. Wie verkracht er? De daders zijn meestal klassieke sukkelaars. Mensen met een uitzichtloos bestaan. Het enige wat uitzicht biedt is de rebellie. De warlord is de enige die voor hen zorgt en hen stimuleert verder te leven.
Er bestaat niet echt een methodologie om zo'n boek als Congo te schrijven. De interviews hebben zaken aangebracht die niet in boeken stonden. Het is niet zo dat alle boeken een Europees perspectief hanteren. Sommige missionarissen en etnografen hebben ook echt een poging gedaan om een inlands perspectief neer te pennen. Congolezen schrijven ook zelf boeken. In Parijs is een uitgeverij die aan de lopende band boeken van Afrikaanse auteurs uitgeeft, hoewel ze nauwelijks begeleid worden.
Als je de kaft van mijn boek bekijkt, moet je vooral de ondertitel lezen: Een geschiedenis. Zouden er in 2010 nog mensen zijn die geloven dat je het bepaald lidwoord kunt gebruiken als je het over de geschiedenis hebt? Noem dat een oefening in bescheidenheid. De geschiedenis van Congo wordt meestal vanuit een binair perspectief geschreven: je hebt goeden en slechten. Sorry, maar tragiek ontstaat niet omdat er Roodkapjes tegenover wolven staan. Dat is ook mijn mensbeeld: er zijn mensen met zeer legitieme grieven die daaraan een zeer vreemde uiting van verzet geven. Dat zorgt voor conflicten die de grieven niet neutraliseren maar die je wel begrijpt.
Koning Leopold II, die Congo wilde ombouwen tot een belangrijke Belgische kolonie, is in de perceptie geëvolueerd van een hysterisch bejubeld man naar een bekladde boeman. Ik verdedig hem niet maar ik probeer een genuanceerd beeld te schetsen. De voorbije drie jaar zijn er belangrijke publicaties over Leopold II verschenen. Die plaatsen hem terug in zijn tijd. Hij was een monarch die een dynastieke drive had, die van grootsheid droomde en de spanningen in het kleine België wou doen afnemen met een roemrijk overzees project. Maar hij was ook het toonbeeld van de hyperkapitalist. Een soort ondernemer. Je kunt hem vergelijken met een rücksichtslose bankier voor wie winstmaximalisatie alles is. Die kenmerken hebben bij hem excessieve proporties aangenomen.’

'VERGEET NIET DAT DE KONING der Belgen nooit in Congo is geweest. In zijn tijd heeft geen enkel Europees staatshoofd een voet aan de grond van hun kolonies gezet. Malaria was nog steeds een mysterieuze ziekte. Bovendien was Leopold II niet zozeer geïnteresseerd in de onderdanen maar in wat daar te rapen viel. Congo was het warenhuis waarmee hij België kon laten schitteren. Men spreekt altijd over de zelfverrijking van Leopold II maar Congo bracht hem aanvankelijk op de rand van het ravijn. Had Dunlop de rubberbanden niet uitgevonden en was er geen acute vraag naar rubber gekomen, dan was de geschiedenis anders verlopen.
België was vóór de kolonisering van Congo een expansievat dat geen uitlaatklep vond. De spanningen tussen katholieken en liberalen bereikten een climax. Congo moest aan België elan geven. Maar de hardhandige rubberwinning zorgde voor een humanitaire catastrofe. Leopold II werd schatrijk, maar wel ten koste van de inheemse bevolking. Het internationale protest zwol aan. In 1908 werd België met lichte weerzin een koloniserende mogendheid en vervoegden wij ons in de rangen van een Europa met diverse kolonies. Gedurende de 52 jaar dat België een kolonie heeft gehad, is er veel fout gelopen maar er zat wel een soort visie achter. Vanaf 1908 wou men alle middelen inzetten om de ellende die Leopold II had veroorzaakt goed te maken. Je ziet in een vrij kort stadium toch een poging om het beter te doen. Vandaar ook het motto van het boek: “Le Rêve et l’ Ombre étaient de très grands camarades”. Je ervaart een vorm van idealisme dat een verkeerd effect heeft.
Ik ben Congo beginnen schrijven vanuit een klassiek, progressief wereldbeeld. Maar complotten, cynisme en berekening zijn niet de enige oorzaken van miserie. Er was ook oprecht idealisme, niet alleen false consciousness. Historisch onderzoek moet ook dat laten zien: hoe nobele idealen in de praktijk vaak vreselijk verkeerd kunnen uitpakken.
In België word je voortdurend geconfronteerd met het dominante idee dat de Belgische kolonisatie 52 jaar niks méér was dan een fascistisch bewind. Elke koloniaal was een soort Gestapo. Daar ben ik helemaal niet van overtuigd. Bij een aantal Belgen heeft het slechtste maar bij anderen ook het beste gedomineerd. Neem nu iemand als gouverneur-generaal Pierre Ryckmans. Hij doet me denken aan Albert Camus: iemand die zijn tijd probeert te doorgronden, de contradicties ervan doorziet en kijkt waar de menselijke waardigheid beter gediend kan worden. Een zeldzame combinatie van principes en pragmatiek. Hij wil zijn handen vuil maken. Ik vind het rijke geschiedschrijving als je die nuance ook laat zien. Ik schrijf niet graag geschiedenis waarbij je als auteur vooraf conclusies formuleert waarna vlug, vlug de empirie wordt georganiseerd om die conclusies te doen kloppen.
Mijn broer is psychotherapeut en van hem heb ik veel geleerd. Hij leerde me kijken voorbij de uitspraken en gedragingen van individuen naar de dieper liggende motieven. Kijk naar het zero tolerance-beleid in Kuregem, waar we nu zitten, dat is symptoombestrijding van allochtone criminaliteit zonder aandacht voor de ware oorzaken. Je moet voortdurend oog hebben voor de legitimiteit van andermans visie. Je moet een onderscheid maken tussen intentie en effect. We oordelen al te vaak op basis van effect. De geschiedschrijving moet een stap verder zetten. Het volstaat niet te kijken naar een uitkomst die pas achteraf wordt aangebracht. Mijn boek toont voortdurend de complexiteit van het moment. Beslissingen uit de jaren vijftig worden veel begrijpelijker als je de uitkomst niet kent en ziet wat er toen allemaal op het spel stond. Dát is relevant.
De klassieke, marxistische geschiedschrijving poneert: er is een volk, een onderdrukker en een bevrijder. Maar het is veel ingewikkelder. Lumumba, die na zijn dood werd aanbeden door links, had dertig procent van de stemmen. Veel, uiteraard, maar ik wil ook weten waarom die andere zeventig procent níet op hem stemde. Toen vier dagen na de onafhankelijkheid de muiterij begon, poneerden de politieke commentatoren dat het volk door de historische speech van Lumumba in opstand was gekomen. Maar de militairen protesteerden net zo goed tégen Lumumba als tegen hun nog steeds Belgische officieren omdat de ambtenaren en de politici erop vooruit gingen en de militairen niet. De charismatische Lumumba wekte toen evenveel woede als euforie op. Dat is misschien wat minder heroïsch, maar het is toch niet omdat je van een held weer een mens maakt dat je zijn historisch belang miskent? De waarheid “verplicht”, vind ik.’

'NA VIER DAGEN onafhankelijkheid begon de muiterij van het leger. Congo is één lang weekend rustig gebleven, meteen daarna zat het spel op de wagen. Een opeenstapeling van gebeurtenissen in galop was het gevolg, een soort spurt met heel veel renners. Ik zat al schrijvend met de vraag die Tolstoi zich bij het omschrijven van de slag bij Borodino stelde: hoe beschrijf je chaos? Veel literaire registers heb ik laten samenvloeien. Literaire middelen helpen daarbij.
Het hoofdstuk over de eerste vijf jaar na de onafhankelijkheid was moeilijk om te schrijven omdat er toen zo veel is gebeurd. Bijna alle andere boeken over die periode kennen maar één orde en dat is de volgorde. Ik moest een andere structuur vinden en dat was een hels karwei. Het best kun je die geschiedenis vergelijken met Shakespeare’s koningsdrama’s. Omdat ik het Congolese volk niet als homogeen beschouw, kon ik veel aandacht besteden aan de wedijver tussen de protagonisten. Ik was heel gelukkig toen ik die episode af had.
Toen mijn vijf beste vrienden verongelukten door een militair vliegtuig dat een kabelbaan doormidden sneed tijdens een skivakantie, was dat de zwartste dag in mijn leven. Een tijdje daarvoor was ik weer gedichten gaan schrijven. Toen had ik meer en meer de literatuur nodig om die zware klap op een gezonde manier te kunnen verwerken. Zo sloop de literatuur weer in mijn leven, dat gedomineerd werd door academisch werk. De literatuur heb ik op alle mogelijke manieren in Congo aangewend. De lezer hoeft dat niet te zien maar het is zoals bij goede schoenen: als je ze voelt, heb je een probleem.
Of ik een visie heb op het Congo van 2010? De nieuwe gouden bron van Congo zal water zijn. Zoet water. Zo vond er onlangs een conferentie plaats van de landen die aan de Nijl grenzen. Er was al lange tijd een soort convenant maar de spanningen groeiden. Ze hebben nu eenzijdig een nieuw convenant getekend. De strijd om het water begint. De rivier Congo stroomt alleen door Congo, maar water wordt de grote inzet. Alle wereldproblemen van de afgelopen honderdvijftig jaar kwamen en komen allemaal in dat immense land samen. Al de grondstoffen die aanwezig zijn in Congo zorgden gedurende vele decennia voor onheil. Het zóu het rijkste land ter wereld moeten zijn. Maar een groot land met vreselijk veel ertsen trekt de hebzucht van buitenstaanders aan. Een zwak regime en instabiliteit sluiten daar goed bij aan. De problemen zijn zeer diepgaand en een spoedig herstel zit er niet in. Op lange termijn hopelijk wel. Dit land heeft al te veel miserie gekend.’

David van Reybrouck, Congo: Een geschiedenis. De Bezige Bij, 680 blz., € 29,90 (gebonden), € 24,90 (paperback)

Bestel bij de webwinkel van Athenaeum


Op 30 juni viert Congo de vijftigste verjaardag van zijn onafhankelijkheid. President Kabila nodigde Albert II uit om aanwezig te zijn bij de plechtigheden. De Belgische koning stond door die uitnodiging tussen twee vuren: of plaatsnemen op een tribune naast een dictator met bloed aan zijn handen, of die malafide leider op de tenen trappen en de aanhoudende corruptie aanklagen. De discussie laaide in België hoog op. Uiteindelijk besliste de koning om met een zeer beperkte delegatie naar de plechtigheid te gaan.
Naar aanleiding van Congo’s verjaardag werd de markt overspoeld met Congo-publicaties. Congo van David van Reybrouck zet alle andere Congo-boeken in de schaduw. In vijf dagen tijd werden er tienduizend exemplaren verkocht. Nu is de vijfde druk op de markt en staat het boek op nummer één in de Vlaamse top-tien.
Het bijzondere aan het boek is dat niet de politici of belangrijke industriëlen aan het woord komen maar de gewone Congolees. De hele grillige en meeslepende geschiedenis van Congo - zo groot als Europa - komt erin aan bod, maar het is helemaal niet een kurkdroge opsomming of analyse.
David van Reybrouck is behalve een veelzijdig wetenschapper - van opleiding is hij prehistorisch archeoloog - ook een gevierd schrijver. In oktober 2001 verscheen De Plaag: Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika, een mengeling van biografie, autobiografie en reportage. In 2007 publiceerde hij zijn eerste roman, Slagschaduw, en aan het eind van datzelfde jaar ging zijn theatermonoloog Missie in première. De monoloog ontstond uit gesprekken die Van Reybrouck had met oude missionarissen in Congo. Hij kreeg er in 2008 de Arkprijs voor het Vrije Woord voor. Verder verschenen er gedichten van hem in poëzietijdschrift Het Liegend Konijn.