Dit wordt dus geen slapstick

‘Opeens kreeg ik een sms van Leendert.’ Merijn de Boer houdt van dit type huiselijke en ‘gewone’ openingszinnen. Het titelverhaal van zijn verhalenbundel begint zo: ‘Edzard Maris, 52 jaar en al gepromoveerd chirurg, zat met zijn vrouw in het vliegtuig naar Belgrado.’ Nog wat beginzinnen: ‘Op het station van Haarlem stapte ik uit.’ ‘Hij zat in de tuin toen er een rouwenvelop werd bezorgd.’ ‘Pjotr keek naar het naambordje en belde aan.’ Je weet als lezer dat je in slaap wordt gewiegd door deze toch ook valse schrijver die er een kunst van maakt het gewone uit te vergroten en tegelijk te ondergraven.

Gevoelig zijn ze en altijd licht wanhopig,de verhalen van Merijn de Boer © Chantal Heijnen / Querido

Neem het verhaal van Leendert, een oude studievriend die zomaar op bezoek komt bij Quibbe. Alleen al in de naamgeving schuurt het. De Boer houdt hiervan, hij weet dat lezers zoals ik bij rare namen direct wakker schieten: Quibbe en Leendert, later komt ook Frederique het verhaal binnen, plus Katja, Govert, Kodjó, Bram, Hanjo, een stoet van namen. Plus de schrijver Springer, die op de achtergrond even doorklinkt, ja, en Proust. Op de een of andere manier werkte dit allemaal stevig op mijn lachspieren, de situatie, de namen, de oude vrienden, terwijl er helemaal geen grappen gemaakt worden. De Boer is geen humorist, sterker nog, hij probeert de humor zo ver mogelijk uit dit verhaal (en uit de andere) weg te houden, maar bij hem is er geen beginnen aan. Het gaat vanzelf, ook al zet hij er allerlei tussenzinnen in die het geheel een ernstig aanzien moeten geven maar die juist daardoor alles toch op losse schroeven zetten. ‘Ik bleef aan tafel zitten en staarde voor me uit’, of: ‘Ik begon te denken dat hij kierewiet was geworden’. De humor van Buster Keaton op zijn beste momenten. Leendert vertelt barre verhalen over zijn tijd in Afrika, komt daarna aanzetten met rauwe verhalen uit hun studententijd en Quibbe probeert het gesprek steeds een andere kant op te laten gaan, wat uiteindelijk niet lukt.

Bij De Boer gaat het van gewoon naar raar en uiteindelijk vaak grotesk. Neem de chirurg die met zijn vrouw Anna (ze is vernoemd naar Anna Achmatova) in het vliegtuig zit, op weg naar een congres over ‘colorectale ingrepen’ (bestaat echt). Normaler kan niet, maar toch denk ik direct aan een sketch, met Mr. Bean te midden van andere darmartsen. Zij ziet ergens in het vliegtuig een oud-huisgenoot, terwijl hij net een artikel ‘over de karteldarm’ probeert te lezen. Dit is dus opnieuw een volstrekt komische situatie waar ook Tommy Cooper, de man met de fez, wel raad mee zou weten. Maar De Boer doet alsof hij dit negeert, hij maakt er een scène van waarin vooral Anna herinneringen ophaalt aan hun patserige medebewoner die hen ooit flink oplichtte. Zij wil wel verhaal halen, maar haar man heeft er geen zin in. ‘Misschien moeten we het toch maar laten… Hij keek Anna aan en wist dat de lafheid in zijn ogen stond.’ Dit wordt dus geen slapstickscène, sterker nog, De Boer laat het allemaal uitmonden in een fraaie en gevoelige scène over de geur van deze dubieuze medebewoner waarvan Anna ooit tot haar eigen verbazing stevig opgewonden werd.

‘De vijf roeiers lag naast een hoopje uitgeperste sinaasappelen en een lege zak hondenvoer’

In een van de verhalen krijgt de Vestdijk-liefhebber het flink voor z’n kiezen, ik las het handenwringend. Alweer een volstrekt komische situatie die niet komisch wordt uitgewerkt, eerder tragisch, ik moest sterk aan de films van Alex van Warmerdam denken. Man wil alle vijftig romans van Vestdijk lezen en zoekt via een advertentie voor de gezelligheid een medelezer. Er meldt zich een jonge vrouw die wel lekker kookt maar van lezen komt het niet. ‘De donderdagavond werd weer een avond zoals alle andere en ik keek geen boek van Vestdijk meer in.’ Om deze zin heb ik stevig zitten grinniken, terwijl ik toch echt vind dat er over Vestdijk alleen door mij grappen gemaakt mogen worden. Daarna meldt zich haar moeder met wie hij daadwerkelijk romans van Vestdijk leest, maar bij Bevrijdingsfeest gaat het mis. Het hele oeuvre wordt in vier loodzware, later opengescheurde vuilniszakken bij het vuil gezet. ‘De vijf roeiers lag naast een hoopje uitgeperste sinaasappelen en een lege zak hondenvoer. Er was niemand op straat.’

Afrekening met Vestdijk? Geen sprake van, integendeel, zo werkt dat bij De Boer niet. Hij houdt ervan niet alleen de lezer en diens ideeën op de hak te nemen, maar ook zichzelf. Dat maakt deze verhalen, hoe grotesk ze soms ook zijn, zeer de moeite waard. Gevoelig zijn ze en altijd licht wanhopig. Hij weet dat hij de neiging heeft mensen ironisch en afstandelijk te laten zijn als een stelletje rare knakkers die elkaar kwellen en er verder ook maar weinig aan kunnen (en willen) doen. Maar hij wil als schrijver niet buiten schot blijven, hij probeert de ironicus in zichzelf te bestrijden. F. Springer, Proust, Achmatova, Vestdijk, Wodehouse en nog meer, ze worden bespot en gemangeld in zijn ironische blik. Hij houdt oneindig veel van ze maar kijkt wel mooi uit om dat aan ons te laten merken. Het fraaist demonstreert hij dit in het slotverhaal, Het cassettebandje, waarin bankier Ype Middelkoop een lange wandeling door New York maakt, vanaf The Metropolitan Opera House tot aan Brooklyn Heights, waar hij woont. Ja, hij bespot zijn vrienden die voor literatuur en kunst kozen, ja, hij maakt ze belachelijk. Het wordt allemaal steeds pijnlijker, en hij weet het. Hij ziet het.