WILLEM JAN OTTEN, GERICHTE GEDICHTEN

Dit zijn pijnlijke regels

Willem Jan Otten, Gerichte Gedichten, € 14,50

Heel mijn rantsoen is opgegaan
aan zweven voor uw adem uit.
Ik blijk voor mijn mémoires
één verschreven leven over tijd.

Wat moet ik met geheugen
nu ik de daling niet ontveinzen kan -

Heb mijn zinnen inderhaast geknikt tot dit,
tot paardenbloemenparachute,
ik pitje bengelend aan mijn onervarenheid met u.
Het gedicht is stuurloos. De dichter maakt het, vaak zonder precies te weten waarom hij juist voor deze constellatie van woorden kiest, vervolgens laat hij het los in de hoop dat het ergens aankomt. Aan het slot van zijn hoogst artificiële bundel Bucolica vergelijkt Vergilius het ambacht van de dichter impliciet met dat van iemand die mandjes vlecht. Beide makers construeren met organisch materiaal een voorwerp waarin iets kan worden bewaard of vervoerd, maar in welke handen het terecht zal komen is ongewis - gesteld al dat het niet veronachtzaamd in vergetelheid geraakt en eenzaam wegrot.
Willem Jan Otten (1951) opent Gerichte gedichten met een sterke opdracht aan de lezer:

Ik ben gezegd en afgeduwd
en kom uw lezen ingedreven.
Biezen zinnen biddend riet.

Het gedicht bidt om aandacht, de lezer is een god. ‘Mijn vlechter’, aldus het mandje, 'is zijns weegs gegaan’ en het is de vraag of het goed met hem zal aflopen, zeker gezien zijn tobberige aard. De man werd gespleten door een drieledige vraag: 'ben ik niet u, ben ik fini,/ plus waarom stond u alles toe’. Drijvend op de stroom neemt het mandje de vragen van zijn maker met zich mee. Het gedicht eindigt niet zonder hoop:

Stroomafwaartse - zo u tot mij zweeg
dreef ik te vinden aan op u.

Zouden we deze slotregels nog kunnen opvatten als een verzoek van de dichter om gelezen te worden, de vragen waarmee de vlechter worstelt doen vermoeden dat hij slechts Eén Lezer op het oog heeft. Het biezen mandje verwijst niet naar Vergilius, maar naar Mozes, hetgeen suggereert dat de dichter een vondeling met een missie is. Exhibitionistisch en geraffineerd als Augustinus deelt Otten zijn religieuze verlangens en twijfels met de lezer. Dit boek is een gebed.
Sinds Otten zich tot het katholieke geloof heeft bekeerd, laat hij geen gelegenheid voorbijgaan ervan te getuigen. Zijn religiositeit is van het mystieke type, al lijkt hij niet zozeer op zoek te zijn naar een Bruidegom, zoals het meisje uit het Hooglied, als wel naar een Vader. Dat geeft zijn devotie iets onhandig kinderlijks, maar ook iets onderdanigs waartegen alles in mij zich verzet. Natuurlijk zijn we hopeloos in de wereld geworpenen, speelgoed van het lot, de voorzienigheid of het blinde toeval, maar dat betekent toch niet dat je je ziel en zaligheid moet toevertrouwen aan een dubieuze fictie? Bij Ottens poëzie snakt de seculiere lezer naar de zelfspot van Gerard Reve, wiens desperate ironie zelfs de meest verstokte heiden ademloos kan doen huiveren. Deze bundel is blijkbaar niet voor mij bedoeld.
Waarom lees ik hem dan toch? Hoewel Ottens levensbeschouwing mij tegen de borst stuit en zijn soms kinderachtige zinswendingen ('in de verre hertenkamp/ piauwt een pauw om pauw’) mij ergeren, hoop ik steeds opnieuw de subtiele taalvirtuoos van twee of drie decennia geleden terug te vinden. Otten is een dichter die scherp ziet, een verhaal kan vertellen en bovenal weet hoe je soepele regels tot een stevige mand vlecht.
Ook in deze bundel, gelukkig. Midden in het boek staat een vijfdelige reeks waarin de dichter met zijn invalide vader het roemruchte museum te Spanbroek bezoekt om een jongensportret van Jan Mankes te zien, dat ooit in het bezit van Ottens familie is geweest. De vader realiseert zich dat het waarschijnlijk de laatste keer is dat hij het schilderij, dat hij associeert met een jong overleden broertje, zal zien. De conversatie tussen vader en zoon wil niet vlotten. En ’s avonds in bed leest de dichter koortsachtig Pascal, hetgeen hem een sublieme ervaring van God als het grote, ontzettende Niets oplevert. Ik lees, zegt hij, 'mij voor de slaap uit/ die mij op de hielen zit/ en denk het ene steeds net niet:/ waaróm heb ik vannacht mijn raam/ zo wijd gezet, waar wacht ik op?’ De lezer leest over God om Hem te kunnen ontlopen, maar wordt uiteindelijk de diepste duisternis in gesleurd:

u leidt tot niets, u springt
dwars door het raam
en slaat mijn duisternis
met duisternis en dringt
mijn duister in, in mij
ontsluizende uw duisternis

De reeks is imposant omdat de urgentie eraf spat, nu eens zonder kokette spitsvondigheden, en omdat de spanning uiteindelijk niet wordt opgelost. De dichter heeft aan het slot een sensatie van inzicht en verbondenheid, maar de verschrikking van de duisternis is onuitwisbaar. Bovendien is er een onuitgesproken analogie tussen, enerzijds, de gecompliceerde band die de dichter met zijn vader heeft en, anderzijds, zijn relatie met God. 'Het lukt me niet’, denkt hij, 'waar is het ene woord/ van spreek en het gesprek is heel’, maar in deze wereld worden complete gesprekken nu eenmaal niet aangetroffen. We moeten het doen met flarden en fragmenten.
Daarin schuilt dan ook het drama van deze poëzie. U zweeg vandaag, aldus de dichter, op de wijze van een ondoordringbaar bos. Hoe moet je je als dichter verhouden tot een onuitsprekelijke die nooit iets zegt, maar wel verwacht dat je hem bezingt? Dit zijn pijnlijke regels:

U hebt mij gesneden
naar uw stilte. Waarom mij dan niet stom
maar juist van almaar taal gemaakt?

Kunnen gedichten als deze wel geschreven worden?


WILLEM JAN OTTEN
GERICHTE GEDICHTEN
Van Oorschot, 60 blz., € 14,50