Groen

Ditjes en datjes

In de botanische tuin van Sheffield, waar ik – net als eerder in Cambridge – rondliep om mijn winterkenmerken op te halen, reed een drag queen op een trekkertje. Man van rond de vijftig, met een kastanjerode pruik, muts en zwaar opgemaakt. Ik was de enige die daarvan opkeek. Winterkenmerken, voor de mensen die dat niet weten, wil weinig meer zeggen dan kale takken, en dan aan bast en knoppen de boom of struik herkennen, en daarvoor is een botanische tuin zeer geschikt omdat er bordjes aan de boom hangen met de Latijnse naam, die ik dan weer kan vertalen in de Nederlandse naam. Ik had verwacht dat ik een jaar of vier geleden voor de toets winterkenmerken me alles dusdanig ingeprent had (ik meen me te herinneren dat ik voor die toets een 9,6 haalde) dat ik het er goed vanaf zou brengen. Dat viel tegen. En ik werd dus erg afgeleid door die hortusmedewerker in vrouwenkleren. Sinds ik me op deze plek opgewonden heb over grijze eekhoorns zaten die me er ook dwars; tientallen brutale exemplaren hipten over het gras en langs boomstammen. Mijn belofte ze dood te slaan of te verjagen heb ik al lang opgegeven, want ze zijn lief, vooral als ze rechtop zitten en die kleine voorpootjes tegen hun borstjes drukken. Toch vond ik het verontrustend dat een complete groep studenten in Sheffield, met wie ik de betreffende Groene-column tijdens een conversatieles Dutch besprak, nog nooit een rode eekhoorn had gezien. Nog nooit!
Verder weinig groennieuws, want ik zat aldoor in steden. Wel trof ik in de hortus van Cambridge de plant aan die ik al een jaar of twintig van huis naar ander huis sleep en die ik zelf altijd aanduidde als ‘gedomesticeerde brandnetel’ als ik vrienden stekjes ervan gaf. Het blijkt een Plectranthus te zijn, die oorspronkelijk uit Oost-Zuid-Afrika stamt. Het exemplaar daar was een abiguus en nader onderzoek via Google leert me dat de mijne een fruticosus is en nu begrijp ik ook waarom ik geen reuma heb: ik verkeer grote delen van de dag in één ruimte met de blijkbaar heilzame plant.