Musea voor moderne kunst hebben dependances nodig

Diversificatie van het product kunst

Veel grote musea hebben de afgelopen jaren dependances opgericht, die door hun flexibiliteit, vitaliteit en kleinschaligheid veel publiek moeten trekken.

Ze zijn niet meer uit het museumlandschap weg te denken: de dependances, minimusea zonder vaste collectie opgericht om de nieuwste ontwikkelingen binnen de beeldende kunst te tonen. De eerste verscheen begin jaren negentig. Uit onvrede over de wegbezuiniging van museum Fodor zette het Stedelijk Museum aan de Paulus Potterstraat het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam op. Wim van Krimpen volgde dit voorbeeld enkele jaren later met Buro Leeuwarden en GEM, en vorig jaar kregen ook het Van Abbemuseum en het Centraal Museum hun satelliet.

De opkomst van de dependances kan niet los worden gezien van de taakverschuiving die de afgelopen veertig jaar in de museumwereld plaatsvond. Begin jaren zestig zetten musea als het Stedelijk en het Van Abbe zichzelf op de kaart door een plek in te ruimen voor hedendaagse kunst. «Deze koerswijziging leverde veel logistieke problemen op», zegt Marga van Mechelen, medewerker aan de Universiteit van Amsterdam. «Omdat er ruimte moest worden ingelast voor recente kunst verdween de vaste collectie steeds meer naar de depots. Op een gegeven moment barstten de musea gewoon uit hun voegen. Verbouwing was niet altijd mogelijk. Een dependance buiten het museum bood uitkomst.»

Inmiddels heeft het SMBA zijn eerste jubileum achter de rug. De doelstelling is in de loop der jaren nooit veranderd. «Wij willen recente ontwikkelingen tonen», zegt Martijn van Nieuwenhuyzen, curator sinds 1999. «Buitenlanders in Amsterdam kunnen bij ons zien wat er in Nederland speelt.» Het SMBA richt zich in de eerste plaats op kunstenaars uit Amsterdam. Maar, zegt Van Nieuwenhuyzen, er zijn nauwe banden met instellingen in Engeland en Duitsland.

Dat het SMBA en het Stedelijk Museum aparte locaties hebben ziet Van Nieuwenhuyzen niet als een probleem. Integendeel: «Omdat we ons buiten het museum bevinden kunnen we hier een eigen klimaat scheppen. De beperkte ruimte dwingt ons bewust voor één kunstenaar te kiezen. Die begeleiden we om heel genuanceerd zijn verhaal te vertellen.» Van Nieuwenhuyzen meent dat de beperkte omvang van het SMBA ook voor de bezoeker prettig is: «Die ziet nu één presentatie en vertrekt. Daardoor heeft zo’n presentatie hier veel meer impact dan als ze in een groot museum zou plaatsvinden.» Is hij niet bang dat door de scheiding de vitaliteit uit het moedermuseum wegsijpelt? «Nee, van de trends die wij oppikken plukt het Stedelijk Museum de vruchten. Regelmatig stromen kunstenaars door. Germaine Kruip bijvoorbeeld, die nu exposeert op de tentoonstelling 20/20 Vision, was eerder bij ons te zien.» Het SMBA moet volgens Van Nieuwenhuyzen vooral gezien worden als springplank voor talent: «Wanneer je een presentatie van ons in het Stedelijk Museum plaatst, komt dat heel geforceerd over. Het is voor de kunstenaar zelf ook prettiger om eerst bij ons te exposeren. De druk is hier nu eenmaal minder groot dan in het Stedelijk Museum.»

Het SMBA kreeg zes jaar geleden navolging toen Wim van Krimpen, op dat moment nog directeur van het Fries Museum, Buro Leeuwarden oprichtte. «Natuurlijk was die naam bedoeld als knipoog naar het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam», zegt Van Krimpen over de telefoon. «Rudi Fuchs heeft me daar nog over opgebeld. Ik zei: ‹Rudi, zo’n bureau erbij is alleen maar goed voor jouw naams bekendheid.›» In tegenstelling tot het SMBA bevinden Buro Leeuwarden en zijn moeder museum zich naast elkaar aan de Turfmarkt. Tot op heden beschikt de dependance niet over een eigen bezoekersingang. Ook beleidsmatig verschilt Buro Leeuwarden van zijn voorbeeld in Amsterdam. Kunstenaars uit zowel binnen- als buitenland zijn welkom, mits ze enige affiniteit hebben met de Friese hoofdstad.

Het waren vooral praktische redenen, vertelt Wim van Krimpen, die hem destijds aanzetten tot de bouw van een dependance: «Hedendaagse kunst stelt andere eisen aan een museum dan oude of moderne kunst. Het vraagt om ander licht, om een andere manier van presenteren. Daarnaast beschikt een klassiek museum over verschillende collecties. Wanneer je die scheidt, komen de afzonderlijke collecties beter tot hun recht.»

Toos Arends, programmeur, roemt de autonomie van Buro Leeuwarden. Omdat het niet in het museum maar ernaast ligt is het niet gebonden aan de openingstijden van het Fries Museum. «Kunstenaars», zegt Arends, «kunnen hier de hele nacht doorwerken.» Net als de andere dependances ontbreekt het Buro Leeuwarden aan een eigen collectie en een lange termijnplan, en exposities duren relatief kort. Regelmatig reizen kunstenaars af naar Leeuwarden om hun presentatie in te richten. Daarbij krijgen ze veel vrijheid. Zelfs de architectuur van het gebouw kan worden aangepast. «Een kunstenaar mag hier in de muren hakken en boren», zegt Arends. «In het Fries Museum zelf zie ik dat nog niet zo gauw gebeuren.» Buro Leeuwarden moet Wim van Krimpen goed zijn bevallen, want toen hij twee jaar geleden directeur werd van het Haags Gemeentemuseum, en hij de verpieterende Schamhart-vleugel zag, besloot hij ook daar een dependance op te zetten.

De vraag rijst wat het aandeel is van de politiek in het ontstaan van de dependances. Dat Nederlandse musea afhankelijk zijn van overheidssubsidies is bekend. En dat diezelfde overheid musea aanspoort om populaire tentoonstellingen te maken is ook geen geheim. Moet de dependance worden beschouwd als een zoethoudertje voor de liefhebber van de meer experimentele kunst? Is zij een laatste poging van de musea om hun grip op de voorhoede niet te verliezen? De wetenschappers, directeuren en curatoren geloven van niet. «Dat de overheid openlijk investeert in blockbusters», zegt Marga van Mechelen, «was meer iets van de jaren tachtig. Tegenwoordig valt dat wel mee.» Martijn van Nieuwenhuyzen noemt het een fabeltje dat musea voor moderne kunst geen hedendaags experimenteel werk meer tonen: «Door al dat gedoe rond het Stedelijk Museum wordt over het hoofd gezien dat daar nog wel degelijk nieuwe ontwikkelingen worden getoond.» Toos Arends is het met Van Nieuwenhuyzen eens: «Alsof in het Fries Museum alleen maar populaire tentoonstellingen worden gemaakt. Onzin, tentoonstellingen voor een select gezelschap compenseren we hier met tentoonstellingen waar veel volk op af komt.» Veel kunst uit Buro Leeuwarden, meent Arends, zou ook heel goed tot zijn recht komen in het Fries Museum.

De macht van de politiek, zegt Wim van Krimpen, moet als het gaat om de inhoudelijke kant van een tentoonstelling niet overschat worden. De blockbusters in het Haags Gemeentemuseum hebben volgens hem dan ook niets met een regulerende overheid te maken. «Ik maak inderdaad twee grote tentoonstellingen per jaar. Maar dat doe ik niet om de wethouder een lol te doen. Dat doe ik omdat ik tentoonstellingen wil maken waar veel mensen met plezier naartoe gaan. Ik vind nog steeds dat kunst er voor iedereen is. Dat zal wel met mijn gereformeerde opvoeding te maken hebben», zegt Van Krimpen en begint hard te lachen.

De hele discussie over de belabberde staat waarin de Nederlandse musea voor moderne kunst zich zouden bevinden, doet Van Krimpen af als gezeur van een stel belegen critici: «De afgelopen jaren zijn de bezoekersaantallen bij ons verdubbeld. Wat interesseert het mij dan of een of andere buitenlandse curator in de Volkskrant roept dat Nederland de boot mist. Ik heb maling aan wat ze in het buitenland vinden. Zolang ik maar wereldberoemd ben in eigen land.» Van Krimpen ziet de opkomst van de dependances als een logische reactie op fundamentele veranderingen binnen de hedendaagse kunst: «De kunst van nu is niet meer hetzelfde als de kunst van vijftig jaar geleden. Als museum moet je daarin meegaan. Wij zijn bij het Haags Gemeentemuseum voortdurend op zoek naar een presentatievorm die aansluit bij wat we tonen.»

Professor Marlite Halbertsma, verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, ziet de dependances vooral als een manier om de bezoekers het museum weer in te krijgen. «Wat er nu gebeurt», zegt ze, «is niets anders dan diversificatie van het product. Voor iedere doelgroep wordt een aantrekkelijke presentatievorm gezocht. Het GEM richt zich bijvoorbeeld op een heel ander publiek dan het Haags Gemeentemuseum.» Volgens Halbertsma heeft het allemaal weinig zin: «Verwacht niet dat er hele volksstammen naar Den Haag of Leeuwarden reizen. Het GEM heeft zijn openingstijden al moeten aanpassen omdat er geen hond kwam, en het Fries Museum draait al heel lang slecht.» Om mensen te trekken, zegt ze, is meer nodig: «Goede moderne kunst bijvoorbeeld. Maar aangezien de hedendaagse kunst wereldwijd in een malaise verkeert, is die er momenteel nauwelijks.»