Zeven jaar duurde in Groningen het stadhouderloze tijdperk. De laatste chef-dirigent van het Noord Nederlands Orkest, Stefan Asbury, vertrok in 2015. Dit seizoen presenteerde het orkest met de vijftigjarige Noor Eivind Gullberg Jensen en de 79-jarige Hartmut Haenchen respectievelijk een nieuwe chef en een tweede vaste gastdirigent naast de voortreffelijke Antony Hermus (49). Het orkest hoeven ze niet uit het slop te halen, dat presteerde onder dirigenten van Hermus tot Kerem Hasan de afgelopen jaren vaak verrassend goed. Maar voor de artistieke koers en de verdieping kan een beeldbepalende figuur geen kwaad.

Afgelopen weken gaven Haenchen en Gullberg Jensen hun geloofsbrieven af. Haenchen met het Requiem van Verdi, de chef met een onorthodox Scandinavisch-Frans programma, waarin Sibelius’ Oceaniden en Debussy’s La mer werden voorafgegaan door het luidruchtige en langdurige slagwerkconcert Sieidi (2010) van de Finse veteraan Kalevi Aho. Het stuk overwon dankzij de grandioze Oostenrijkse slagwerker Martin Grubinger, die de Groningse Oosterpoort achterliet met een gehoorbeschadiging en de herinnering aan een beukende sjamanistische reis van het ene slagwerkinstrument naar het andere.

Van djembé via darbuk, snaardrums en tomtoms, marimba, wood- en templeblocks naar vibrafoon spoorde hij via de tam-tam en alle voorgaande geledingen in omgekeerde volgorde weer terug naar af, wat de duur op minstens drie kwartier bracht. Maar elke slag kreeg diepte. Grubinger trommelt zoals Horowitz een Mazurka van Chopin voordroeg, met dezelfde ademloze vrijheid van fraseren. Alleen die volumes! En ze helpen niets. De stilte is machtiger dan het zwaard. Toen hij na de laatste triolen op de djembé over het publiek neerdaalde, was de rust bevrijdend.

En Jensen? Die lette scherp op, liet het orkest soms kunstig samenvallen met Grubingers onnavolgbare bewegingscurven, maar deed qua geluidsproductie uitgerekend in dat kwetsbare La mer weinig voor Aho onder. Uit zijn interpretatie kon ik twee conclusies trekken: dat hij goed repeteert, en soms slecht luistert. De uitvoering van dit stuk, waarvan alle bestanddelen vloeibaar en buigzaam zijn gemaakt om mee te kunnen golven met Debussy’s gemetaforiseerde zee, was bij voortduring te gewerveld, om niet te zeggen knokig. Terwijl er heus een en ander te bewonderen viel. Het elan van het spel, de enkele momenten van onverwacht doorvoeld begrip, in theorie de ritmische precisie, als die in La mer niet zo bedreigend was geweest voor de noodzakelijke vaagheid van het klankbeeld. Nooit gedacht dat Debussy zou eindigen als röntgenfoto.

Enfin, Jensen bracht timing in, intelligente detaillering soms, terwijl bij Haenchen alles effectief en simpel om de inhoud draaide. Verdi’s Requiem kwam uit het hart met de directheid en de gloed die ik de vitale meester in dit repertoire niet had toegedicht. Alsof hij zijn voorheen soms voelbare terughoudendheid heeft afgelegd en simpel neemt wat de kunst geeft. Gehoord de toon van deze concerten zijn de nieuwe baas en de vaste gast complementaire grootheden. Voor een orkest dat vorm én inhoud zoekt moet het een gunstig teken zijn.

Jensen dirigeert op 26, 27 en 29 januari Tsjaikovski en Strauss, Haenchen op 9, 10 en 11 februari Wagner en Sjostakovitsj