Do It Yourself!

Nu we sinds vorig jaar niet meer mogen kraken wordt alleen maar duidelijker wat we allemaal te danken hebben aan die grote groep idealisten, en pragmatisten, die vanuit Nederland de wereld een lesje leerden. Over het doorzettingsvermogen van de kraakbeweging, dus.

Alsof de roerige jaren nog in volle gang zijn, zoveel opschudding weten krakers met hun acties van tijd tot tijd op te wekken. Als ware afstammelingen van de protestgeneratie uit de jaren zestig en zeventig halen ze nog regelmatig de voorpagina. Op wonderbaarlijke wijze lijken ze de tand des tijds te hebben weerstaan.

Eind jaren zestig stond een nieuwe generatie klaar die de wereld wel eens eventjes onderhanden zou nemen - weg met kernwapens, stop de milieuvervuiling, geen kernenergie, boycot apartheid. Veertig jaar later is bijna alles uit zicht verdwenen, en lang niet altijd omdat het beoogde resultaat bereikt werd. Er wordt niet meer gedemonstreerd, laat staan dat men de vrije tijd nog opoffert aan een vergadering van de plaatselijke actiegroep. Hoe kan het dat de opstandigheid die op bijna alle gebieden is uitgedoofd onder de krakers in leven wordt gehouden? Een deel van het antwoord is ongetwijfeld dat er weinig problemen zijn die door de jaren heen zo hardnekkig stand hebben gehouden als de woningnood. Sinds de Tweede Wereldoorlog is elke nieuwe generatie geconfronteerd met de moeilijkheden om in Nederland aan (betaalbare) woon- of werkruimte te komen. Als er één groepering is die de afgelopen decennia de aandacht heeft weten te vestigen op deze frictie tussen vraag en aanbod, dan zijn het de krakers wel, die tot op de dag van vandaag in bijna alle grote en middelgrote steden van Nederland nog actief zijn.

Maar er zijn meer uit het verleden overgeleverde problemen die hedentendage net zo urgent zijn en zich in heel wat minder belangstelling van verontruste burgers mogen verheugen. Een ander deel van het antwoord ligt dan ook in de wijze waarop de kraakbeweging in staat is geweest zich aan het veranderende tijdsgewricht aan te passen. De bloeitijd van de beweging ligt in de periode 1976-1984. In die tijd vormden de krakers een geduchte politieke tegenmacht en tegencultuur. Maar eind jaren zestig zetten ze voor het eerst voorzichtig een voet tussen de deur. Ze gaven praktijken die tot dan toe stilletjes plaatsvonden een open en politiek karakter. Vanaf het begin sloegen ze zo twee vliegen in één klap: het protest tegen het chronische tekort aan huisvesting ging hand in hand met het welbegrepen eigenbelang van een dak boven je hoofd.

DE EERSTE kraakgroep, opgezet door voormalige provo’s, opereert begin 1969 in Amsterdam onder de naam ‘Woningburo de Kraker (doet het steeds vaker)’. Ze leggen de vinger op de zere plek als ze in de oude buurten dichtgetimmerde sloopwoningen openbreken en opnieuw in gebruik nemen. Hele wijken staan er in die jaren troosteloos bij. Alle aandacht gaat uit naar de bouw van nieuwe woonwijken en de uitbreiding van slaapsteden, zoals de Bijlmermeer, Lelystad, Purmerend, Zoetermeer et cetera. Ondertussen zijn de woningen in de oude stad verkommerd. De kwaliteit is langzamerhand zo belabberd geworden dat van gemeentewege grootschalige plannen worden voorbereid voor de sloop van hele stadswijken om ze ineens op te stuwen in de vaart der volkeren. In die tijd betekent dat een functionele scheiding tussen wonen, werken en recreëren. Honderdduizenden stedelingen worden gedirigeerd naar lichte en luchtige overloopgebieden, waar ze worden ondergebracht in eindeloze nieuwbouwflats en doorzonwoningen.

Er wordt een reeks grootschalige nieuwbouwprojecten op poten gezet. In Utrecht gaat het hele gebied rond het Centraal Station tegen de vlakte om plaats te maken voor Hoog Catharijne. In Amsterdam heeft men het plan opgevat om wijken als de Jordaan en de Nieuwmarktbuurt, waar men inmiddels voorbereidingen treft voor de aanleg van de metro, te slopen en om te vormen tot monofunctionele kantoorenclaves, ontsloten door brede grote autowegen dwars door de stad, zelfs over een paar grachten, die men daarvoor wil dempen.

Bij de tegenstand tegen de in veler ogen uit de hand gelopen plannen met de stad spelen krakers een belangrijke rol. In de Nieuwmarktbuurt worden de vrijkomende woningen die op de nominatie staan voor sloop systematisch bezet. Van lieverlee ontstaat in de eerste helft van de jaren zeventig een alternatieve kraakgemeenschap, die met haar verzet laat zien wat voor stad ze voor ogen hebben. Tussen de gekraakte huizen worden kleine winkeltjes, cafés, informatiepunten, theaters, werkplaatsen en een kinderboerderij opgezet. Het krakersprotest in de Nieuwmarkt is daarmee een zichtbaar pleidooi voor behoud van het fijnmazig netwerk, waarin verschillende stedelijke functies met elkaar verweven zijn.

Ondanks het feit dat men de komst van de metro niet weet tegen te houden, lukt het wel om de megalomane plannen met dit deel van de Amsterdamse binnenstad van tafel te krijgen. De buurt wordt herbouwd naar de ideeën van de krakers, die daar uiteindelijk zelf ook van profiteren, want velen vinden in de herbouwde buurt permanent onderdak.

De gevolgen van het felle verzet zijn niet alleen in de Nieuwmarktbuurt merkbaar. Het protest tegen de metrobouw zorgt overal in Nederland voor een omslag in het stadsvernieuwingsbeleid. ‛Bouwen voor de buurt’ wordt het nieuwe credo. Bewonersgroepen krijgen een belangrijke rol bij de plannen, die tegelijk veel minder grootschalig worden opgezet. Blok voor blok wordt onder handen genomen.

De nieuwe werkwijze draagt eraan bij dat het voortvarende tempo waarmee men de verkrotte arbeidersbuurten wilde aanpakken eind jaren zeventig bijna volledig stilvalt. Overal staan dichtgetimmerde huizenblokken soms jarenlang te wachten op sloop. In veel van deze sloopblokken strijkt een nieuwe generatie krakers neer.

MET DE aankondiging door de Verenigde Staten van de neutronenbom wordt in de kernwapenwedloop tussen de supermachten een nieuwe bedreigende fase ingeluid. Bovendien kondigt de ernstigste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog zich aan. In Nederland zakt de huizenmarkt in elkaar. De hypotheekrente loopt op tot percentages boven de tien, zodat veel mensen de kat uit de boom kijken. Terwijl men in afwachting is van betere tijden nemen leegstand en speculatie toe. Bovendien loopt de werkloosheid in snel tempo op. Vooral jongeren worden de dupe, de jeugdwerkloosheid loopt op tot 25 procent. Met de komst van een nieuw rechts kabinet onder aanvoering van Van Agt en Wiegel, die de pvda van Joop den Uyl van het pluche verdrijven, worden bij menigeen de hoopvolle verwachtingen over een betere en rechtvaardigere samenleving de grond in geboord.

De generatie die in de jaren zestig de maatschappelijke verhoudingen openbrak, kijkt weemoedig terug op het elan waarmee men indertijd het toneel betrad. De storm lijkt inmiddels uitgewoed. De jaren zeventig komen bij vooruitstrevend Nederland te boek te staan als een tijdperk waarin 'een grote matheid’ zich als een natte dweil over het land heeft uitgespreid. De grauwsluier die over de samenleving komt te hangen krijgt ook een naam. Twee vooraanstaande vertegenwoordigers van de jaren-zestiggeneratie komen met een nieuw begrip dat gezien zijn snelle inburgering het levensgevoel van de tijd in de kern lijkt te raken. Kees van Kooten en Wim de Bie introduceren het 'doemdenken’.

De krakers die begin jaren tachtig met veel rumoer het toneel betreden blijken niet bepaald doemdenkers. Zij zijn de vertegenwoordigers van de eerste generatie die de verworvenheden van de jaren zestig met de paplepel krijgt ingegoten. Het gevoel niet meer vast te zitten aan tradities, van bevrijding, waar de generatie voor hen zich nog door kon laten meeslepen, speelt bij hen een veel minder grote rol. Na een jarenlange bevrijdingsstrijd gaat het ze er vervolgens om te laten zien hoe ze die nieuw verworven vrijheid kunnen invullen. Met doortastend optreden en een rechttoe-rechtaan-mentaliteit waaraan een zeker opportunisme niet vreemd is, bestormen ze opnieuw de instituties die de hernieuwde vrijheidsdrang in de weg staan.

In hetzelfde weekend, begin maart 1980, dat het 'doemdenken’ het licht ziet, zijn de krakers in Amsterdam in een heftige strijd verwikkeld tegen speculatie en leegstand. Met metershoge barricades verdedigen ze hun op speculanten veroverde bolwerk in de Vondelstraat. Het leger moet er met tanks en scherpschutters aan te pas komen om de geblokkeerde straten rond het pand te ontzetten. De krakers boeken een morele overwinning: de barricades worden geslecht, maar het pand blijft behouden. De slag om de Vondelstraat luidt de hoogtijdagen van de kraakbeweging in.

In de loop van 1980 komt dankzij de kraakacties de woningnood boven aan de politieke agenda te staan. De krakers laten geen mogelijkheid onbenut om de problemen met de leegstand en de speculatie onder ieders neus te wrijven. Onder het motto 'Geen woning, geen kroning’ grijpen ze de inhuldiging van koningin Beatrix aan voor massale protesten overal in Nederland. Beelden van de ongeregeldheden in Amsterdam gaan de hele wereld over.

In hoog tempo veroveren de krakers begin jaren tachtig het ene pand na het andere. Van de verkrotte panden in de saneringswijken verschuift de aandacht naar speculatiepanden in het centrum van de steden. Bovendien weigeren de krakers zich, na hun succesvolle verzet in de Vondelstraat, in toenemende mate neer te leggen bij sommaties om hun zojuist verworven onderkomens zonder slag of stoot op te geven. De acties van de krakers vormen een regelrechte provocatie aan het gezag van gemeentebesturen. Maar in tijden van toenemende leegstand en speculatie en een zich verdiepende economische crisis ontbreekt het de autoriteiten aan een legitimatie om de krakers hard aan te pakken. Bovendien mag het kraken zich ondanks de ongeregeldheden waarmee de regelmatig langskomende ontruimingsmachinerie gepaard gaat, verheugen in een aanzienlijke steun onder de bevolking.

DE BEELDEN van het krakersprotest gaan in het buitenland niet onopgemerkt voorbij aan de jongeren aldaar. Zij zijn overal in Europa het grootste slachtoffer van de economische crisis en werkloosheid. Als missionarissen reizen vertegenwoordigers van de Nederlandse kraakbeweging de beelden achterna naar tal van landen om te spreken over de succesvolle aanpak in Nederland. Bepakt met kraakhandleidingen, organisatieschema’s en videomateriaal inspireren ze vele buitenlandse kraakgroepen. De Nederlandse krakers krijgen volop navolging, en de rellen krijgt men erbij. Het Nederlandse kraakteken, ontleend aan de symbolentaal van rondzwervende hobo’s en vagebonden in Noord-Amerika, groeit uit tot het symbool van alle Europese krakers.

In Nederland worden er af en toe kraakpanden met het nodige tumult ontruimd, maar dat weegt lang niet op tegen de panden die voortdurend bij worden gekraakt. Onderzoekers stellen het aantal krakers begin jaren tachtig, op het hoogtepunt van het krakersprotest, vast op twintigduizend. Met elkaar bewonen ze verspreid over heel Nederland enkele duizenden kraakpanden. In al die panden ontstaat in de eerste helft van de jaren tachtig een wildgroei van allerlei projecten, bedrijfjes en organisaties, waarin men van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat kan opgaan.

Anders dan hippies zijn krakers erg pragmatisch ingesteld. De idealen uit de jaren zestig van een menselijker en kleinschaliger samenleving worden overgenomen, maar niet langer ingebed in een groot politiek verhaal. Het nieuwe elan van de kraakbeweging gaat dan ook gepaard met een steeds verder doorgevoerd anti-intellectualisme. Politieke helden bestaan niet meer. Over Marx cum suis is binnen de kraakbeweging nooit meer iets vernomen, laat staan dat er wordt nagedacht over een samenhangende politieke theorie. Zelfbeheer en zelfwerkzaamheid in de eigen leefomgeving spreken bij de kraakpopulatie meer tot de verbeelding dan het veroveren van het pluche of vergezichten van een rechtvaardige samenleving. Brutaal wordt de daad bij het woord gevoegd en met compromisloze acties onderstreept.

Het scala van initiatieven is eindeloos. Bijna iedere kraker is behalve bij het eigen kraakpand wel betrokken bij een of andere onderneming die onder de vleugels van de beweging op poten wordt gezet. Er wordt volop gebouwd en gerenoveerd; voor gereedschap kan men terecht bij de gereedschapsuitleen (De Blauwe Duim). Is het niet het eigen kraakpand dat onder handen genomen moet worden, dan is het wel een van de gemeenschappelijke voorzieningen die worden gestart. Kraakcafés bijvoorbeeld (zoals De vergulde Koevoet) - elke zichzelf respecterende kraakbuurt heeft zijn eigen kroeg waar de opbrengst wordt bestemd voor het goede doel. Voor de avonduren zijn er restaurants (Woeste Walmen), theaters en bioscopen (Xinix). Oefenruimtes voor bandjes en kunstenaarsateliers zijn in de gekraakte pakhuizen, schoolgebouwen en fabriekscomplexen bijna onbeperkt aanwezig. In eigen expositieruimtes (Aorta) en concertpodia (occii) kan een en ander dan weer aan de goegemeente worden gepresenteerd. Er zijn kappers, sauna’s, groentewinkels, kindercrèches, kluscollectieven (Karweiven), gezondheidscentra (De Witte Jas) en fiets- en autowerkplaatsen (De Knalpot). In Amsterdam functioneert zelfs enige tijd een eigen postbezorgingsdienst (opa: Ondergronds Postbedrijf Amsterdam). Er zijn eigen radiostations (Gladiool) en tv-zenders (De Vrije Keijzer, pkp-tv). Kranten, affiches en informatiebulletins worden gedrukt in zelf opgezette drukkerijen (De Raddraaier) en verkocht en verspreid in eigen boekhandels (De Rooie Rat). De hele informatievoorziening wordt draaiende gehouden door een grote groep would-be-journalisten, fotografen, vormgevers en programmamakers.

IN EEN tijd dat men (nog) nergens aan de bak komt biedt de kraakbeweging mensen volop de gelegenheid zelf werk te scheppen en te experimenteren met allerlei kleinschalige initiatieven. En dat komt goed uit, want de economische crisis gaat niet alleen gepaard met grootschalige (jeugd)werkloosheid maar ook met bezuinigingen op veel sociale en culturele voorzieningen. Bovendien komt de tot dan toe schijnbaar onbegrensd uitdijende verzorgingsstaat onder vuur te liggen. Men vraagt zich af of met alle verworvenheden die in de naoorlogse periode in het leven zijn geroepen langzamerhand het individu niet te veel in de watten wordt gelegd. Onder het motto 'no nonsense’ begint de politiek mensen weer aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheid. Zo wordt het gemak waarmee sociale uitkeringen worden verstrekt stapje voor stapje aan banden gelegd, om over de inperking van de hoogte ervan nog maar te zwijgen.

Zo beginnen de do-it-yourself-cultuur van de kraakbeweging en de meer zakelijke, neoliberale politieke wind die in de jaren tachtig over Europa gaat waaien elkaar te raken. Waar de samenleving het individu meer en meer aanspreekt op zijn eigen verantwoordelijkheid neemt een verloren generatie krakers zelf het heft in handen. Als reactie op de toenemende (jeugd)werkloosheid en het begin van de afbouw van de verzorgingsstaat komt in de gekraakte ruimtes een nieuwe subcultuur tot leven, die weliswaar niet helemaal zelfvoorzienend is maar toch een opmerkelijke autonomie tentoonspreidt. Op alle fronten waar de overheid het laat afweten - bedoeld of onbedoeld - creëren de krakers alternatieven die ze zonder bemoeienis van buiten in stand houden. Dat daarbij de nodige regels aan de laars worden gelapt, wordt - aanvankelijk - op typisch Nederlandse wijze gedoogd.

Van alle sociale bewegingen en actiegroepen die eind jaren zestig opkwamen heeft de kraakbeweging zich het best aan de veranderende maatschappelijke en culturele omstandigheden weten aan te passen. Vanaf het begin dienden de krakersacties altijd een direct eigenbelang, want tegen de achtergrond van de luid verkondigde politieke verontwaardiging over de leegstand was men zich tevens een dak boven het hoofd aan het verschaffen. In die zin was de kraakbeweging niet alleen de meest pragmatische maar tegelijk ook de minst idealistische politieke actiegroep van allemaal.

Een en ander leidt ertoe dat er binnen de kraakwereld steeds minder wordt nagedacht over oplossingen voor de jongerenhuisvestingsproblematiek. Er bestaat slechts één credo: 'Wij blijven’. Vanuit het gekraakte ideaal dat door ontruiming bedreigd is, wordt getracht de eigen levenswijze in stand te houden. Het hier en nu wordt absoluut en het eigen levensgevoel is richtinggevend. Van politieke beweging tegen de woningnood verandert de kraakbeweging in het begin van de jaren tachtig gaandeweg in een subcultuur; van zelfbehoud komt de nadruk te liggen op zelfontplooiing. En het leven van veel krakers speelt zich bijna volledig af in de zelf gecreëerde subcultuur.

Maar na jarenlange uitbouw van de organisatie, die de Nederlandse kraakbeweging in heel Europa naam en faam bezorgt, neemt de repressie toe. Ontruiming van kraakpanden wordt meer en meer beschouwd als een aantasting van een zelfgekozen levenswijze. En een kat in het nauw maakt rare sprongen. De strijd tussen de overheid en de krakers wordt heviger. Een deel van de beweging zoekt zijn heil in bomaanslagen, een nog groter deel haakt echter af. Uiteindelijk leggen de krakers zich neer bij een minder prominente rol en een zwervend bestaan van pand naar pand.

DE SLAGKRACHT van het kraken is in de afgelopen jaren zienderogen afgenomen. Behalve de strikte aanpak van het kraken speelde ook mee dat het leven van jongeren in een veel te strak keurslijf is geperst om nog tijd te hebben voor zoiets opstandigs en tijdrovends als kraken.

Bovendien nam de aantrekkingskracht af omdat de samenleving in de afgelopen decennia veel meer ontplooiings- en opleidingsmogelijkheden heeft kunnen bieden aan de nieuwe generaties.

De waarde van de do-it-yourself-cultuur van de krakers is echter niet over het hoofd gezien. Vele initiatieven die in kraakpanden ontstonden werden gelegaliseerd of groeiden uit tot legale zelfstandige ondernemingen. Doordat onder legale vlag werd voortgezet waar men onder de paraplu van de beweging mee was begonnen, vormde het krakersbestaan voor veel mensen de opstap naar een maatschappelijke carrière.

Vanaf het moment dat de grote krakersvrijplaatsen successievelijk plaats moesten maken voor de stadsuitbreiding en -vernieuwing werd in veel grote steden erkend dat de beweging decennialang had gezorgd voor een soepele instroom van vele kunstenaars en creatieve ondernemers. Zij brachten vaak de eerste precaire jaren van hun professionele carrière door in een van de vele kraakpanden. Toen dit arsenaal opdroogde werd deze broedplaatsfunctie dan ook van gemeentewege overgenomen en omgezet in officieel beleid.

Steeds weer nieuwe generaties voelden zich ertoe aangetrokken om gebruik te maken van de ongekende vrijheid die het krakersleven bood. Maar het is hedentendage de vraag of de beweging nog een lang leven beschoren is nu eind 2010 het kraakverbod van kracht is geworden. Het zal de mobilisering van nieuwe krakers in elk geval niet ten goede komen. Bovendien voert de drang naar vrijheid en onafhankelijkheid inmiddels de boventoon in de maatschappij. Het autonome individu stond bij de krakers hoog in het vaandel. Het zijn waarden die inmiddels gemeengoed zijn geworden.


Eric Duivenvoorden (1962) kraakte begin jaren tachtig in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. In de jaren negentig stelde hij het archief van de kraakbeweging samen dat ondergebracht is in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam (www.iisg.nl/staatsarchief). Hij maakte samen met Joost Seelen de documentaire over de geschiedenis van de kraakbeweging De Stad was van ons (1996) en schreef Een voet tussen de deur: Geschiedenis van de kraakbeweging 1964-1999 (Amsterdam, 2000)