Wat mij trof van Rudi van Dantzig, behalve dan natuurlijk dat hij er altijd zo mooi en zo jong uit bleef zien, met die lichte ogen en dat jongensachtige haar, was een keer een stuk dat hij over zijn ouders had geschreven in een literair tijdschrift. Ik heb het wel bewaard, maar ik heb zoveel bewaard dat ik niks meer kan vinden.

In NRC Handelsblad dit weekend las ik een interview met een ‘huizenfee’, een interieuradviseuse, die zei dat als er brand zou uitbreken in haar huis ze alleen haar man zou meenemen en verder de boel lekker zou laten opgaan in rook om elders met een schone lei te beginnen.
Ideetje.
Uit m'n geheugen dus: hij schreef dat hij nog steeds ’s ochtends wakker kon worden, dik in de zestig zal hij zijn geweest, en dacht dat hij zijn ouders elders in huis hoorde, die ook net wakker werden. En dat hij een diep gevoel van verlies had als hij besefte dat dat niet kon.
Toen mijn vader heel ziek was - nu niet huilen want het is nu best lang geleden - sliep ik heel vaak bij mijn ouders. Ik sliep op zolder en bleef expres lang liggen om mijn vader me op zeker moment onder aan de trap te laten roepen.
Mar, ben je wakker? Het is tijd!
Al die jaren dat hij me ’s ochtends wakker riep om naar school te gaan. In retrospectief zijn het helemaal niet zoveel jaren, doe ik het al zoveel meer jaren zonder, maar toch lijkt het alsof dat voor altijd de gang van zaken hoorde te zijn.
Ik weet nog de laatste keer dat ik daar lag te wachten en dacht: ik moet me dit moment goed inprenten, straks zal ik nooit meer hem horen roepen dat ik wakker moet worden, dat het tijd is. Ik kan mezelf helemaal in tranen schrijven met zo'n zin, en dat maakt ’m ook zo vals, want het is gewoon niet waar.
De waarheid is dat ik wel twintig keer daar sliep en telkens dacht dat ik me het moment goed moest inprenten want dat het de laatste keer was, de laatste keer dat ik het stukje van zijn blote kuiten zag tussen zijn pyjamabroek en zijn sloffen, de laatste keer dat ik binnenkwam en hij me begroette, blij verrast.
Ik ging vandaag naar de bibliotheek om te kijken of ik wat van Rudi van Dantzig zou kunnen lezen, maar alles was ofwel uitgeleend of vermist. Wel vond ik in de knipselmap - zou die ook verloren gaan als de huizenfee het voor het zeggen kreeg? - een interview met hem uit Trouw, van vijftien jaar geleden. Hij zegt daarin dat hij altijd heeft gevoeld dat hij een bron van conflict was tussen zijn ouders, terwijl hij dol op ze was en zij op hem. Hij voelde zich schuldig, want nooit een vrouw thuis gebracht, nooit voor kleinkinderen gezorgd.
Vorige week was ik bij de herdenkingsdienst van een onverwacht overleden bekende. Ze was pas 38, ik kende haar niet heel goed, maar wel al heel lang. In de uitgeverijwereld was zij iemand die zich niet over het hoofd liet zien. Een hoekig, uitgesproken type waarachter een wereld aan liefheid zich liet vermoeden. Iets van die wereld werd opeens ten volle geopenbaard tijdens die dienst. Haar moeder sprak. Haar broer sprak. Haar vader sprak.
'Lief, lief kind’, stond als aankondiging van de toespraak van haar vader in het herdenkingsboekje dat aan iedereen was uitgedeeld.
Het is moeilijk om niet weer te gaan huilen nu ik terugdenk aan die toespraak, en daar is niks vals aan. Show, don’t tell: ik denk niet dat er een onwaarachtiger stelregel in de literatuur bestaat. Wat nou laten zien. Zég het gewoon, zég het.
De vader haalde diep adem en zei: 'Het is ingewikkeld om hier te staan.’
Vervolgens vertelde hij hoe zijn dochter was. Als ik dat hier zou herhalen zou ik het idee hebben haar privacy te schenden. Waar ’t me om gaat is dit: de vader hield een liefdesverklaring aan het adres van zijn dochter zoals ik nog nooit had gehoord. Niks gezwijmel, ook gewoon moeilijk, geen voor de hand liggend leven, geen man, geen kinderen, maar wel: die volkomen liefde die uit zijn verhaal sprak. Hij kende haar, en hij hield van haar.
Nee, niet weer gaan huilen.
Een paar dagen later tijdens een boekpresentatie kwam ik met iemand te spreken over de dienst. Sommige dingen zijn gewoon te lelijk om uit te spreken, tussen de mini-quiches en de rosé door. Maar toch, het gaat maar door.
Die vader, zei zij. Hij zei dat ze gelukkig was.
Ja, zei ik. Dat kan bijna niet anders. Als je vader zo van je houdt.
Ze keek me sceptisch aan.
Is dat wat anders dan als je moeder van je houdt?
Dat je moeder van je houdt is vanzelfsprekend, zei ik.
En ik dacht: als je vader van je houdt komt alles goed.