Jotie T’Hooft (1956-1977)

Dode dandy

Medium opening

Als hij niet in de nacht van 5 op 6 oktober 1977 een einde aan zijn leven had gemaakt, was hij deze maand vijftig geworden. Nu werd hij slechts 21, de leeftijd op de drempel van de volwassenheid. Toepasselijke symboliek voor iemand die al vroeg besloot dat hij nooit de wereld van de volwassenen binnen wilde gaan. Voor veel Vlaamse pubers heeft hij nog altijd een idolenstatus naast suïcidale popsterren als Kurt Cobain en Jim Morrison. In zijn debuutbundel wist hij al «dat dood het beste zaad is». In het openingsgedicht van die bundel beweert hij: «Want wie zoals ik nooit heeft/ gebouwen laat niets achter dan/ verwachting en verwarring en/ wat dan?» Nooit gebouwen? Alsof iemand in zo’n kort leven ooit meer heeft gebouwd, met name aan zijn eigen legende, dan Jotie T’Hooft. Maar inderdaad, het is een legende vol verwachting en verwarring.

Hij ondernam verschillende zelfmoordpogingen, waarbij zijn grootste zorg was hoe zijn lijk aangetroffen zou worden. Hij douchte zich nog eens goed, trok zijn mooiste geborduurde hemd aan, schminkte zich «in goede decadente traditie» en parfumeerde zich «overdadig, met het oog op eventuele doodsontlasting». In zijn laatste levensfase woonde hij in een totaal zwart geverfd huis, gevuld met doodssymbolen zodat geen enkele bezoeker hoefde te twijfelen aan het levensgevoel van de bewoner. Hij trok een rookgordijn op van kitscherige mythes rond zijn leven en werk, die na zijn dood stof werden voor pathetische biografieën, documentaires en toneelstukken. Hierdoor leeft hij tegenwoordig meer voort in de verhalen over hem dan in het werk dat hij schreef. Maar wat was zijn literaire waarde?

Sterker dan de Nederlandse literatuur kent de Vlaamse literatuur haar oertalenten en wonderkinderen. De grootste twintigste-eeuwse Vlaamse dichters, Paul van Ostaijen en Hugo Claus, waren tieners toen ze het werk schreven waarmee ze zich presenteerden als de toekomst van die Vlaamse literatuur. Hoewel hij pas op latere leeftijd debuteerde, was ook Louis Paul Boon een oertalent; een werkloze gevelschilder, die was gaan schrijven toen hij uit Duitse krijgsgevangenschap kwam. Traditioneel werden de Vlaamse letteren gegijzeld door schoolmeesters en pastoors. De grond van het literaire establishment was daardoor even vruchtbaar als het «Vlaanderen, Mijn Land», dat T’Hooft beschreef: «Orchideeën bloeien er niet, enkel papavers/ met suf sap dat haast geen dromen bevat». In zo’n landschap moest een talent blijkbaar meteen vanuit het niets inslaan als een meteoor, om z’n eigen autonome plek te vestigen en daarvandaan later Grote Literatuur te kunnen schrijven.

Midden jaren zeventig was Van Ostaijen al bijna een halve eeuw dood. Boon was bejaard, Claus had de middelbare leeftijd bereikt. Generaties andere bekende Vlaamse schrijvers stonden op het punt om door Jeroen Brouwers ontmaskerd te worden als leveranciers van kopij die pas door Nederlandse uitgeverijredacteuren werd omgebouwd tot iets van enig literair niveau. Het was kortom hoog tijd voor vers literair bloed, een nieuw oertalent, een rijzende ster. En daar verscheen de jonge prins aan de horizon. De dandy in de grauwe Vlaamse letteren debuteerde op negentienjarige leeftijd met Schreeuwlandschap, dat jubelend werd onthaald. Een jaar later won hij met Junkieverdriet de Reina Prinsen Geerligsprijs. Bij zijn lezingen stroomden de jongeren toe. Het nieuwe wonderkind leek te zijn opgestaan.

Had hij werkelijk dat oertalent? Hij had in elk geval veel haast. Dat kon je aflezen aan zijn huwelijk op negentienjarige leeftijd, aan de hoofdrol voor dood en vergankelijkheid in zijn puberwerk, aan de slordigheid van zijn metaforen, maar vooral ook aan de enorme hoeveelheid gedichten die hij achterliet. Als je al zijn werk leest, los van zijn biografie, dringt de conclusie zich op dat T’Hooft genoeg goed materiaal naliet om een verpletterende debuutbundel voor een 21-jarige mee samen te stellen.

In werkelijkheid had hij al vier bundels vol geschreven, waarvan er twee bij leven verschenen en kort na zijn dood nog twee gepubliceerd zouden worden, De laatste gedichten en Poezebeest. In zijn uitgever annex schoonvader Julien Weverbergh had de dichter namelijk een Partner In Haast gevonden. De Verzamelde Gedichten uit 1981 tellen zo’n 350 pagina’s, ongeveer het tienvoudige van de fictieve verpletterende debuutbundel. Alsof dit nog geen schadelijke overdosis was, verscheen sindsdien geregeld een diarree «nieuwe ongepubliceerde gedichten van Jotie T’Hooft». Het overgrote deel daarvan is onbetwistbare bagger die op de automatische piloot lijkt te zijn geschreven. Strofisch gezwets in Jotie’s eigen orakeltaal, vol alliteraties en assonanties, en met even duistere als kromme metaforen.

Ook voor de doorgewinterde poëzielezer is veel van het werk van T’Hooft volslagen wartaal. Nooit is er een betere recensie van het overgrote deel van zijn oeuvre geschreven dan door T’Hooft zelf, in het autobiografische verhaal In de spiegel, als hij opmerkt erin geslaagd te zijn «een bijzonder grote hoeveelheid papier te bevuilen met gezwollen quasi-poëtisch gebrabbel».

Als hij die zwakte van veel van zijn werk doorzag, waarom bleef hij dan aan de lopende band schrijven en publiceren en optreden? Romantiek en werkelijkheid lagen bij T’Hooft dicht bij elkaar: alleen in zijn gedichten kon hij leven. Als kind vluchtte hij al in boeken. Rond zijn twaalfde las hij alles wat hij binnen handbereik vond. Op de middelbare school was hij een buitenstaander. Hij verloor definitief het contact met zijn klasgenoten toen hij door een zware ziekte werd getroffen, lange tijd thuis lag en niemand bij hem op bezoek kwam. Toen hij terug op school kwam, bleek niemand voor hem de schriften te hebben bijgehouden.

In die puberjaren nam hij het dichterschap aan als een pose, waarmee hij zich in zijn rol als eeuwige buitenstaander boven de anderen verheven kon voelen.

Al erg jong begonnen ook drugs een hoofdrol in zijn leven te spelen. Volgens een romantische mythe kwam hij met lsd in contact toen hij als veertienjarige in zijn eentje naar een film over het Woodstock-concert ging en na afloop een studente hem meenam naar haar kamer.

Poëzie, drugs, mythes: uiteindelijk waren het allemaal vluchtwegen uit het «echte» leven. Om afstand te kunnen houden van de boze grotemensenwereld bouwde T’Hooft zijn eigen universum, waarvoor hij de symbolen leende bij negentiende-eeuwse decadentie, dandyisme en zwarte romantiek. Zijn dichtstijl leende hij bij Hugo Claus, zijn levensstijl bij popsterren als David Bowie en The Velvet Underground. Zijn ideologie was de aloude puberleus «ik heb er niet om gevraagd om geboren te worden». Hij zei tegen zijn moeder toen die probeerde hem van zijn suïcidale gedrag af te krijgen, dat als zij echt van hem hield zij hem moest laten sterven als hij wilde sterven. In zijn huis had hij een doodskist staan, waar hij regelmatig in ging liggen. Hij had een verzameling schedels als favoriete speeltjes. Het klinkt als een enigszins meelijwekkend spel dat erg ver doorgevoerd werd, tot het spel eindigde in, om T’Hoofts idool Reve te parafraseren, de enige werkelijkheid: De dood.

Wat is ondertussen de literair-historische relevantie van het fenomeen Jotie T’Hooft? Met enige fantasie zou je kunnen betogen dat hij als literaire popster de rock-’n-roll in de Vlaamse letteren bracht. Zoals bijna honderd jaar ervoor Jacques Perk een wegbereider bleek voor de Tachtigers zou T’Hooft gezien kunnen worden als een wegbereider voor een nieuwe literaire generatie waarvan Tom Lanoye en Herman Brusselmans de voormannen zijn. Toch gaat dit vooral om zijn presentatie als popster, om zijn pose en helaas niet om zijn werk, want inhoudelijk en kwalitatief is er nauwelijks overeenkomst te vinden tussen het overgrote deel van de poëzie van T’Hooft en Lanoye. Al mag je nooit vergeten hoe jong T’Hooft was toen hij zijn beste gedichten schreef. Dat gebeurde midden jaren zeventig, en het zou nog tot een eind in de jaren tachtig duren voordat de twee zelfbenoemde Jonge Goden Der Vlaamse Letteren doorbraken bij het grote publiek.

Had de treurige prins Jotie ooit Keizer T’Hooft kunnen worden? Als hij op hetzelfde pad voort was gegaan, maar langer was blijven leven: nee. Waarschijnlijk was hij dan een Vlaamse Willem Kloos geworden. Voer voor parodie. Een talent dat zichzelf vernietigd had, in een mist van mythes en verdovende middelen. Ooit ontvreemdde hij op de uitgeverij waar hij werkte een cheque om met zijn geliefde naar de Canarische Eilanden te vluchten. Het werd een korte vakantie, waarin hij verteerd werd door de wetenschap dat zijn bedrog uit zou komen. Net als de drugs, de seks, het lezen en het schrijven was dit slechts een korte vlucht uit de werkelijkheid, die gedoemd was om te mislukken. Misschien was op dat moment in zijn leven een verdere vlucht wel een oplossing geweest. Aan de andere kant van de wereld een nieuw bestaan opbouwen. Leven in plaats van poseren. Schrijven voor zichzelf. Herschrijven, schaven en schrappen, in plaats van elke beschreven snipper publiceren. Na tien jaar een glorieuze comeback maken met een parodistische sleutelroman over zijn eigen doorbraak, midden jaren zeventig. Dan had hij nu op zijn vijftigste…

Ach nee, Jotie T’Hooft die vijftig zou worden. Hij die als tiener in zijn gedichten al de balans opmaakte alsof hij een bejaarde in zijn laatste dagen was, hij die de dood onder meer beschreef als de prins die hij diende, hij die schreef over de doodsbloem die onstuitbaar in hem was ontloken, hij die de dood zijn beste vriend noemde en verschillende pogingen deed om die vriend te ontmoeten. Als hij wilde bewijzen dat zijn dichterschap niet één grote pose, maar oprecht was, restte er op zijn 21ste maar één uitweg.

ROB DE HAAN

Nog verkrijgbaar: Jotie T’Hooft, Een pijl in het Niet: Een leven in teksten, Houtekiet, 320 blz., ! 15,-

J.P. Mulders (co-auteur A. Lesage), Een zeer treurige prins: Het leven van Jotie T’Hooft

Poëziecentrum VWZ, 279 blz.,! 12,50

Antiquarisch:, Verzamelde gedichten, Manteau (1981), 343 blz., Verzameld proza, Manteau (1982), 223 blz.