Nader bekeken

Dode ezels

Walter van der Kooi ziet veel meer dan alleen dat waarover hij zijn kronieken schrijft. Vandaag over de journalistieke documentaire Dode ezels zijn niet bang voor hyena’s.

Medium csm dead donkeys 6 kopie 5da00bd512
Dead Donkeys Fear no Hyenas © NPO

Zie ik een ezel, ben ik verkocht en dat al lang voor kennismaking met die van Winnie de Poeh. Roerender dier ken ik niet, ‘geassembleerd als hij lijkt uit overgebleven onderdelen van andere schepselen’ en daarin disproportioneel. Maar die delen zijn elk van grote schoonheid en zijn motoriek mag zwoegend zijn, het maakt hem te meer aandoenlijk. Dat hij in grote delen van de wereld uitgebuit, misbruikt en vernederd wordt maakt hem object van mededogen. En zonodig tot symbool van alle ‘verworpenen der aarde’.

Deze mijmering doordat ik een ezel zag in een documentaire van de Zweedse regisseur Joakim Demmer. Het dier, zonder berijder, begeleider of voertuig, stond stil tussen grote verkeersdrukte in een Ethiopische stad. Ik vraag me af of de camera hem opzocht als symbool van de gelijktijdigheid van moderniteit en traditie in snel ontwikkelend Afrika, dus als voor Europeanen opvallend plaats- en tijdsbeeld; of dat Demmer toen al de titel van zijn film had bedacht: Dode ezels zijn niet bang voor hyena’s. Een gezegde, uitgesproken door een van zijn hoofdpersonen. Dood is die ezel op dat verkeersplein duidelijk niet, maar als metafoor voor ‘bedreigde dier- en menssoorten’, zoals hetzelfde personage zegt, kan hij zeker dienen.

Ter zake. In 2011 zag Demmer op het vliegveld van Addis Abeba een vliegtuig met buitenlandse hulpgoederen voor hongerende Ethiopiërs. Dat was niet zo bijzonder, want sinds de immense hongersnood van de jaren tachtig, waarbij rond vierhonderdduizend mensen stierven, is er altijd noodhulp nodig gebleven én gekomen voor miljoenen burgers. Verbluffend was wel dat hij ook een vliegtuig vol in Ethiopië geoogst voedsel naar het buitenland zag vertrekken. Die ongerijmdheid bracht hem tot een zes jaar durende research, uitmondend in deze ‘ezeldocumentaire’. Die als exposé de nieuwslezer van de staatstelevisie toont: ‘De regering wil vier miljoen hectare grond ter beschikking stellen aan buitenlandse landbouwinvesteerders.’ Dit met het oog op economische groei. Belangstellenden genoeg blijkens de vele zakenlieden in de internationale hotels van de hoofdstad, op zoek naar wat iemand ‘het nieuwe groene goud’ noemt. Niet alleen in Addis Abeba, ook in New York waar investeerders van heinde en ver een congres hebben.

Vanwaar opeens die grote belangstelling voor landbouwgrond? Een vermogensbeheerder zegt dat hem dat doet denken aan de vraag aan de bankrover: ‘Waarom beroof je banken?’ ‘Omdat daar het geld zit.’ Er valt veel meer te verdienen in landbouw dan tien, twintig jaar geleden: groeiende wereldbevolking, opkomend Azië en dus wedloop door de vraag ‘hoeveel vruchtbare grond is er eigenlijk?’ Institutionele beleggers als pensioenfondsen, verzekeraars en hedgefondsen zochten het voorheen in vastgoed en bosbouw, nu steeds meer in landbouw. En Ethiopië is dus een van de staten, je kunt beter zeggen regimes, die uitnodigt. Vanwege de baten die dat hen oplevert. En vanuit de gedachte dat grootschaligheid vooruitgang is.

Dit is ‘het grote plaatje’ en dan zoomt Demmer letterlijk en figuurlijk in op de ontwikkelingen in Ethiopië. Wat betekent de komst van grote commerciële ondernemingen voor kleine boeren en wat voor het milieu? Hij bezoekt een bijeenkomst van kritische milieujournalisten (zeer gevaarlijk beroep in dat land), en reist met een van hen, Argaw, mee naar de arme maar vruchtbare provincie Gambela in het Verre Westen. Daar ontmoeten ze de beheerder van het gelijknamige Nationaal Park, Omot Agwa Okwoy. Die heeft een piepkleine staf waarmee hij probeert zijn gebied van vijfduizend vierkante kilometer intact te houden. Daarin leven ‘bedreigde dier- en menssoorten’. Die laatsten, de Anuak, leven van jacht, visserij en zelfvoorzienende landbouw en de dreiging komt van commerciële ondernemingen die het oog op de grond hebben laten vallen. We zien al met bulldozers aangelegde wegen en er lijkt geen houden aan, zeker nu de federale overheid niet genegen is tot enige bescherming. Sterker: uit is op ‘ontwikkeling’.

Midden in het park duikt een bord op met de tekst: ‘Saudi Star Agricultural Development’ waarachter platgebrande bossen. Argaw gaat op onderzoek uit, interviewt zo veel mogelijk betrokkenen, wordt prompt gearresteerd, verhoord en uitgewezen uit Gambela. Het weerhoudt hem niet van verder onderzoek, maar uiteindelijk moet hij Ethiopië ontvluchten. Omot wordt ontslagen, trekt zich gedesillusioneerd terug. De Anuak, beroofd van hun gebied, voedsel en cultuur komen in verzet, wat hen op nog meer overheidsgeweld komt te staan, waardoor ze uiteindelijk de grens naar Zuid-Soedan of Kenia over moeten trekken en daar in vluchtelingenkampen belanden. Als zij de Wereldbank aanklagen voor haar rol in het geheel (financier van grootschalige ontwikkelingsprojecten in samenwerking met de Ethiopische overheid) besluit Omot zich als hun letterlijke en figuurlijke tolk beschikbaar te stellen voor het vervaardigen van een rapport waarin de Anuak getuigenis afleggen van landroof, mishandeling, verkrachting, moord en uiteindelijk verdrijving.

Omot (op internet vind ik niets over zijn functie als voormalig Parkbeheerder, wel dat hij geestelijke is, wat in de film niet vermeld wordt) is de man die het gezegde over dode ezels uitspreekt. Hij weet dat zijn besluit te helpen gevaarlijk is en is zelf wel bang (want nog niet dood). Niet voor de gevangenis, wel voor marteling. Maar zijn ‘ezels’ zijn zeker van toepassing op de Anuak, die het gewapend verzet in zijn gegaan.
De film toont veel organisaties en personages, onder wie een witte, middelgrote landbouwondernemer ‘van de goede soort’, die met respect voor bewoners, cultuur en grond een succesvol bedrijf en verantwoorde landbouwontwikkeling nastreeft. Maar ook een leidinggevende in een groot buitenlands project die het intensieve productieproces van zilvervliesrijst naar witte basmati beschrijft en lachend vaststelt dat dat inderdaad veel te duur wordt voor Ethiopiërs: alles voor de export, oftewel voor dat vliegtuig dat Demmer tot zijn film bracht. Het is absoluut geen ‘kunstzinnige’, wel een informatieve, journalistieke documentaire. Heel goed passend in de lange Ikon-traditie (nu bij de EO ondergebracht) van zorg om wat ooit ‘De Derde Wereld’ heette. Waar meer dan ooit macro-economische ontwikkelingen, ondernemers en investeerders in samenwerking met autoritaire overheden en, in beginsel goedbedoelende, internationale organisaties, het leven van ontelbare armen beïnvloeden. Soms ten voordele, vaak ten nadele. Zie zelf hoe het Omot en de aanklagende Anuak vergaat.


Joakim Demmer, Dead Donkeys Fear no Hyenas, EO 2Doc, woensdag 17 januari, NPO 2, 22.55 uur.