Jean-Philippe Toussaint, Meneer. Uitg. Van Gennep, 94 blz., 38,95, bij Antikwariaat Van Gennep.
De stijl van de van oorsprong Waalse schrijver Jean-Philippe Toussaint (geboren 1957) is zo wonderschoon dat ik af en toe een van zijn vier boekjes uit de kast haal en een stukje lees. Het gekke bij de boekjes van Toussaint is dat je achteraf denkt dat hij schrijft in korte zinnetjes. Maar de zinnen zijn juist lang, ingewikkeld van structuur, met tussenconstructies na stokkende komma’s, loom in elkaar verglijdende inhouden.

Hoewel de boekjes van Toussaint in Frankrijk bescheiden bestsellers zijn (met name zijn eerste, uit 1985, De badkamer) wil in Nederland niemand eraan. Uitgeverij Van Gennep, dapper en integer, blijft Toussaint uitbrengen. In november dit jaar komt De televisie uit, een boek zo ‘dik’ dat de helft van zijn voorgaande oeuvre erin zal passen: wel 168 bladzijden.
De romans van Toussaint zijn handzaam samen te vatten door middel van anekdoten. Iets wat door Van Gennep simpel en rechtdoorzee is gedaan op de omslagen. Tegelijk is het duidelijk dat die boeken over meer gaan. Over de vervreemding van de hedendaagse mens? Dat is allemaal zo duidelijk niet. Ik las in recensies dat er in de boeken van Toussaint ondanks de anekdote geen sprake is van een intrige. Maar dat klopt niet. De intrige lijkt zich eerder net buiten het boek te bevinden. Toussaint kiest met opzet de verkeerde personages. Ze dwalen in een dorp rond waar iets gebeurd schijnt te zijn, maar wat? Zoals in De aarzeling. Het begint met een verbluffend knappe passage over een dode kat in het water. Er lijkt iemand kwijt. Er is een leeg huis. Heeft die kat er mee te maken? Ja en nee.
In Meneer dwaalt alweer zo'n personage rond, lijdend aan een toussaintiaanse willoosheid. Hij wordt voor andermans karretjes gespannen. Hij blijft hangen in het huis van de ouders van zijn ex. Meneer laat kansen tussen zijn vingers door glippen. In de beginzin laat Toussaint quasi-achteloos een vreemd tussenstuk vallen, wat de lezer alert maakt. Net als de zin begint te sluiten, glipt het ertussen:
'Op de dag, nu drie jaar geleden, dat Meneer zijn nieuwe functie aanvaardde, gaf men hem een eigen kantoor, tot dan toe was er niets aan de hand, op de zestiende etage, in de Leonardo-da-Vinci-toren.’
Zo'n zin lees ik om de zoveel tijd terug. Waarmee was nu tot dan toe niets aan de hand? Ik wil het weten, maar het wordt er alleen maar geheimzinniger op. Ik zet het boek weer terug in de kast. Ik zal het er weer uit halen.