Dode mus/kort verhaal - door jeroen brouwers

OP EEN ZONNIG terras lees ik de krant. Daar verschijnt op hetzelfde terras opeens hommes des lettres V. Over de zeventig al, maar nog gekleed of hij in de zomer van zijn bestaan is. Strakke spijkerbroek rond de stopverfkont, het hemd met zonnebloemen zo ver open dat zijn groezelige borstdons aan het daglicht is blootgesteld en waardoor eveneens de huidlellen worden geaccentueerd, die als vermoeide elastieken tussen zijn kin en borstbeen zwabberen.

Wij kennen elkaar, zij het minder dan oppervlakkig. Wisselen een afstandelijke groet. Ik zie aan hem dat mijn aanwezigheid op het terras hem niet welgevallig is en nog minder het feit dat hij - hij heeft geen andere keuze - genoegen dient te nemen met het tafeltje vlak naast het mijne.
In de krant staat een bericht over achttien ton ingevroren huismussen, die in de haven van Rotterdam in beslag zijn genomen. De dode vogeltjes waren bestemd voor Chinese eethuizen, waar ze gelden als exquise lekkernij.
Als ik opkijk van mijn lectuur, blijkt bij de bejaarde letterkundige een nog meisjesachtig ogende blonde vrouw te hebben plaatsgenomen. Leeftijdsklasse: midden dertig, meer dan de helft jonger dan het aantal levensjaren dat V. meetorst.
Zij is niet zijn dochter, zoals ik begrijp uit het gesprek dat zij voeren. Tegen wil en dank ben ik genoodzaakt het te aanhoren, verschanst achter achttien ton dode mussen, zoals Polonius in Hamlet achter een wandtapijt.
‘Je kan in de logeerkamer’, zegt zij.
Deze mogelijkheid staat hem allerminst aan. Met stelligheid poneert hij: 'Ik wil bij jou in bed.’
'Dat kan niet’, antwoordt zij, 'daar ligt mijn man al in.’
Of haar man dan niet in het logeerbed kan? vraagt hij.
'Ben je krankzinnig of zo?’
'Ik weet wat.’
Ik hoor hoe hij zijn hand plat op het tafelblad slaat en de koffiekopjes daarvan rinkelen.
'Je roert een krachtige dosis slaapmiddel door zijn hutspot. Als hij snurkt, kom ik uit de logeerkamer en druk een kussen op zijn gezicht tot hij niet meer snurkt en iets anders ook niet meer wegens gebrek aan adem. Daarna leggen we hem in het logeerbed.’
'Prima plan’, zegt zij.
Ha, een moordscenario. Het lijkt wel film.
'Aan zo'n slaapmiddel weet je toch wel te komen? Je man is arts en zal dus wel ergens een kast met pillen hebben staan…’
Dit bevestigt zij trouwhartig, maar voegt er aan toe dat die kast permanent op slot is en zij er de sleutel niet van bezit. Bovendien bevindt het bergmeubel zich in de praktijkruimte van haar echtgenoot en die is op een ander adres gevestigd dan waar ze haar huwelijksleven met hem slijt.
'Is het waarachtig?’
Ik meen iets jubelends in het wat krochende stemgeluid van de oude lettré te beluisteren.
'Maar dan gaan we in plaats van naar jouw huis toch naar de spreekkamer van je man, daar zal toch ook wel een bed staan?’
Hij ziet het helemaal voor zich en ik eigenlijk ook wel.
'Gaan we doktertje spelen’, kraait hij. 'Staat er zo'n tafel met van die beenbeugels?’
'Dan zou ik eerst naar huis moeten om er de sleutel van de praktijkdeur op te halen’, legt zij uit. Zij lijkt mij een praktisch type. 'En hoe stel jij je dat voor? Dat ik zeg: hallo, Willem, ga jij maar vast naar bed, schat, ik kom alleen even de sleutels van je artsenpraktijk ophalen? En dat ik hem ook nog even vraag: welke sleutel is die van de pillenkast en waar bewaar je de beenbeugels?’
Intussen heeft de serveerster verse koffie voor hen neergezet en ik sla maar eens een nieuwe krantepagina op.
Hoe passend: ik tref er de medische rubriek aan en lees in de gauwigheid dat men zich tegenwoordig, dood in de kist liggend, per Pegasus-raket de ruimte kan laten inschieten, waar men, na eerst een jaar of tien rond de globe te hebben gewenteld, ten slotte in de atmosfeer verzeilt en daar opbrandt, als een vallende ster.
Zal ik V. en zijn gezelschap van deze nieuwe ontwikkeling in de opruimingsbranche op de hoogte stellen? Wat met een lijk kan, is natuurlijk ook mogelijk met een nog levend persoon, en op die manier zouden ze helemaal van Willem af zijn…
De literator roert met krachtige slagen in zijn koffie en geruime tijd is het doordringende klingelgeluid daarvan het enige dat ik nog aan het belendende tafeltje verneem. Dan volgt er een zucht uit het diepst van zijn ingewand. Het leven is niet eenvoudig.
'Je haalt je heus te veel in je hoofd’, zegt zij.
'Zullen we dan naar een hotel gaan?’ Nieuwe hoop gloort op in zijn verbrandnetelde brein.
'Sorry, maar ik moet boodschappen doen’, deelt zij mede. 'Ik moet nog een paar voetbalschoenen kopen.’
'Hè?’
Ik hoor dat hij achteruit veert, de poten van zijn stoel krassen over het trottoir. De krant even neerslaand, kijk ik een paar seconden met zogenaamd verstrooide blik, alsof ik met mijn gedachten elders ben, pakweg in de stratosfeer, naar het tweetal. Hij tilt met bevende hand het kopje naar zijn wat blauwige lippen, zij zit hem aan te kijken met een glimlach die van alles zou kunnen uitdrukken in haar vrolijke, open gezicht. Helderblauwe ogen. In de lage uitsnijding van haar truitje de aanzet van het gootje tussen haar borsten, die zich in het textiel aftekenen als plukrijpe handperen. Willem boft met haar en ikzelf zou ook geen genoegen nemen met het logeerbed.
Hij, aan een koekje knabbelend, kruimeltjes vallen in het krulhaar op zijn tors en blijven er plakken: 'Ik ga met je mee boodschappen doen.’
Terug achter de coulissen van mijn krant hoor ik haar antwoorden dat zij véél heeft in te kopen en daar uren mee bezig zal zijn.
'Je zou je alleen maar ergeren en waarom zou je je zo moe maken? Blijf maar lekker hier zitten.’
Of ze het tegen haar demente opa heeft.
'Heb je je Seroxat genomen?’
Hij insisteert: 'Ik ga met je mee. Veel te bang dat ik je daarna niet meer terugzie.’
'Waarom wil je me nog terugzien, dan?’
'Ik wil met je naar bed.’
'Nou, dat kan niet. Punt. Zeur niet zo.’
'We kunnen toch daarna een hotel zoeken…’
'Ik ga niet met je naar een hotel. Mijn man heeft nachtdienst, ik moet thuis zijn voor de kinderen. En morgen is Bernardje jarig, die staat dus al om zes uur naast mijn bed, want hij weet dat hij voetbalschoenen krijgt.’
Weer een klap met zijn hand op de tafel, opnieuw een glimp van hoop tussen de brandnetels.
'Maar als je man vannacht toch niet thuis is, hoeven we ook niet naar een hotel.’
Het lijkt of hij het zingt. Tönet, ihr Pauken! Erschallet Trompeten! 'En ik hoef niet in het logeerbed, ik lig prinsheerlijk met jou in de echtelijke sponde.’
'En de kinderen?’ informeert zij.
'Allemaal een kussen op hun gezicht. Hoef je geen voetbalschoenen te kopen ook.’
'Je schijnt niet te begrijpen wat ik je probeer duidelijk te maken’, zegt zij geduldig en nog steeds vriendelijk. 'Ik wil best nu en dan koffie of iets anders met je drinken, maar als je begint te drammen, schrap je me maar uit je adressenboekje. Ik wil niet met je naar bed. Begrijp je het nu, anders herhaal ik het nog even: Ik Wil Niet Met Je Naar Bed. Juffrouw, mag ik betalen?’
Duidelijk, denk ik. Ze mot je niet, ouwe schurk.
Ze staat op en pakt haar boodschappentas. 'Doei’, en weg is ze.
Ik vouw de krant op en kijk haar na, een blonde bloem, hoog op de benen, trotse billen. Hierop spreekt V. mij toe: 'Een dom vrouwtje. Heel dom.’
Als ik hem mijn gezicht toewend, laat op datzelfde ogenblik een vogeltje zijn uitwerpsel op V.’s zonnebloemenhemd vallen, wat hem zelf ontgaat. Ik stel me voor hoe hij eruit zou zien als achttien ton mussen zich boven hem zouden ontlasten. Ik herinner me zijn gortvervelende krantenessays en zijn boekbesprekingen voor de radio, lang geleden. Hoe hij zetelde in jury’s ter toekenning van literaire prijzen, overheidsgelden verdelende commissies, reisbeurzen toekennende gezelschappen. Een Mandarijn, potentaat, ijdeltuit, kwast.
'Hoezo dom?’ vraag ik hem.
'Dat vrouwtje heeft geen benul wie ik ben’, zegt hij.
Bij 'ik’ slaat hij zijn hand op zijn bebloemde borst, juist op de plaats waar de kwak vogelstront is begonnen traag omlaag te druipen. Verstoord zijn blik gericht op zijn besmeurde vingers, vervolgt hij: 'Dat vrouwtje weet nog niet dat zij, door mij af te wijzen, bezig is een gigantisch reservoir te vullen met spijt, geweldig veel spijt…’