Dode tsjechov

Was het niet Clive Barker die als eerste auteur op het omslag van een van zijn boeken de hemel en verder in werd geprezen? ‘Ik heb de toekomst van de horror gezien. En zijn naam is Clive Barker. Was getekend, Stephen King.’ Of zoiets.

Deze is ook grappig: ‘Je denkt dat hier een achterkleindochter van Tsjechov aan het woord is.’ Hè? Nog eens. 'Je denkt dat hier een achterkleindochter van Tsjechov aan het woord is.’ Ja ja. Dat denk je dus. Hoeveel heeft een achterkleindochter van haar overgrootvader? Ik heb zelden iemand horen zeggen: goh, wat lijk jij op je overgrootvader! Tsjechovs achterkleindochter heet Judith Hermann (Berlijn 1970; journaliste). Haar eerste boek is een verhalenbundel, die heet Zomerhuis, later. Voorwaar een kouwenariaanse titel, in het genre Het ogenblik, terwijl. Of Brand in Mokum, ondertussen. Of De achterkleindochter, inmiddels. Of Zand, erover. 'Rode koralen’, het eerste verhaal van Zomertijd, te laat heeft inderdaad vaaglijk iets tsjechoverigs. De sfeer van zo'n krakkemikkig Russisch huwelijk tussen twee krakkemikkige mensen die eigenlijk alleen maar gelukkig kunnen zijn in afwezigheid van de ander. Van die mensen die voortdurend naast hun eigen bestaan lijken te leven. Aan de hand van een rode koraalarmband wordt de geschiedenis verteld van een overgrootvader (!) en een overgrootmoeder. De armband kwam uit Petersburg. 'Hij was meer dan honderd jaar oud, mijn overgrootmoeder had hem om haar linkerpols gedragen, mijn overgrootvader had hij om het leven gebracht.’ Dan opent zich een toch wel mooi verhaal. En daarna nog een. Daarna nog een: 'Sonja’. Over Sonja, een 'buigzame’ vrouw die er niet echt is. 'Zij veroorloofde me iedere denkbare wensvoorstelling van haar persoon, zij kon een onbekende zijn, een kleine muze, de vrouw die je ooit op straat tegenkwam en die je je jaren later nog herinnert met een gevoel van een ontzettend verzuim. Ze kon dom zijn en tuttig, cynisch en verstandig. Zij kon heerlijk zijn en mooi en er waren ogenblikken dat ze een meisje was, bleekjes in haar bruine jas en werkelijk onbetekenend; ik geloof dat ze zo buigzaam was omdat ze eigenlijk niets was.’ Subtiele tragedies, ingehouden wanhoop, zwijgende mislukkingen. Mensen die bij elkaar willen zijn maar niet kunnen, die bij elkaar kunnen zijn maar niet mogen. Leefde Tsjechov nog maar. Dan had hij zijn achterkleindochter een ferme knuffel gegeven.