Dodelijk mengsel van gevoelens

Stefan Zweig, Ongeduld. Vertaald door Janneke van der Meulen, € 39,90

De wereld van gisteren heet de autobiografie die Stefan Zweig in 1941 schreef. Hij roept hierin de tijd op waarin het aristocratische Wenen nog bestond, waarin de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie een belangrijke (militaire) wereldmacht vormde, en waarin Sigmund Freud in Wenen het onderbewustzijn uitvond.
In Ongeduld (Ungeduld des Herzens), nu in vertaling verschenen, wordt die verloren gegane wereld ook opgeroepen. Het boek werd geschreven in 1938 en de raamvertelling van de roman speelt zich af in dat jaar. In ieder café is er maar één onderwerp van gesprek: ‘de waarschijnlijkheid dan wel onwaarschijnlijkheid van een volgende wereldoorlog’. Er wordt gesproken over de angst van individuen om zich te verzetten tegen 'de massale geestdrift van de anderen’ en over de mechanisering van het leger, die een heel nieuw soort oorlog zou opleveren.
In 1938 woonde Zweig al vier jaar niet meer in Oostenrijk, werden zijn boeken door de nazi’s verbrand en was hij zijn leven als 'jood bij toeval’, zoals hij zichzelf noemde, niet zeker. Vanuit Londen publiceerde hij door. Toen hij besefte dat zijn wereld niet meer bestond, maakte hij in 1942 in Brazilië een einde aan zijn leven, dat geheel gericht was geweest op 'geestelijke arbeid en persoonlijke vrijheid’. Zijn Schaaknovelle is daarna nog decennialang verplichte kost geweest op leeslijsten voor scholieren in heel Europa. In het grote ddr-epos De toren van Uwe Tellkamp opent juist het populaire werk van Stefan Zweig voor hoofdpersoon Christian de deuren naar de wereldliteratuur. Christian is verbijsterd bij Zweig te lezen dat je vóór de Eerste Wereldoorlog in Europa geen paspoort nodig had om te reizen waarheen je wilde. Die wereld van vrijheid, ontwikkeling en beschaving, voor wie het zich kon veroorloven dan, is de romanwereld van Zweig.
Het is veelzeggend dat Zweig in 1938 een roman schrijft over een parallelle periode, namelijk de aanloop tot de Eerste Wereldoorlog. De verteller komt de militair Hofmiller tegen, wiens levensverhaal het leeuwendeel van het boek beslaat. Hij is cavalerist in het leger van Oostenrijk-Hongarije en gelegerd in een slaperig provinciestadje waar alles nog de negentiende eeuw ademt. Hij maakt kennis met een, zoals hij aanvankelijk denkt, aristocratisch meisje dat aan beide benen verlamd is. Haar ziekte ontgaat hem eerst, waardoor hij haar ten dans vraagt. Als hij zijn fout ontdekt slaat de schaamte hem om de oren en uit medelijden besluit hij om vriendschap te sluiten. Het web van medelijden sluit zich verstikkend om alle personen in dit boek: het meisje Edith zelf, haar nichtje en gezelschapsdame Ilona, haar gepijnigde vader en onze goedgelovige en wat sullige held Hofmiller. Edith roept een scala van gevoelens op bij haar naasten, en ze weet dat handig uit te buiten. In al haar hulpbehoevendheid is ze eigenlijk nogal een verwend nest. In de ogen van vooral de vader, die een oplichter blijkt, is haar onrecht aangedaan. Ze is 'zo hard door God getroffen terwijl ze niets heeft misdaan…’ Hofmillers ouderwetse eergevoel gebiedt hem dit onrecht te wreken. Bovendien krijgt hij iets retour voor zijn medelijden: dankbaarheid, onderdanigheid en tederheid. Het geeft hem een ongekend gevoel van macht. Medelijden roept schaamte, vernedering en bedrog op. Een dodelijk mengsel van gevoelens, zo blijkt. In het voortreffelijke nawoord van vertaalster Janneke van der Meulen wordt een amusante anekdote opgedist over de werktitel van deze roman: Mord durch Mitleid (Moord door medelijden).
Eigenlijk is Ongeduld een studie in romanvorm over medelijden. Wel een echte roman, ja zelfs een ouderwetse, Thomas Mann- of Dostojevski-achtige roman, breed opgezet, met een authentieke cavalerieofficier, chique ontvangsten, wel heel toevallige ontmoetingen, beleefdheidsvisites en tegenbezoeken, plus een scala aan verhalen-binnen-verhalen over huwelijken en ongelukkige verliefdheden. Een heerlijk kostuumdrama met alles erop en eraan: echte camaraderie, fluwelen reebruine ogen en hysterische flauwtes (alleen bij de vrouwen natuurlijk). Maar het is veel meer dan dat. De stemmingswisselingen en ziektebeelden, vooral van Edith, worden nauwgezet en lyrisch beschreven. De boodschap lijkt dat de psychische gesteldheid van de mens belangrijker is dan de maatschappelijke of politieke ontwikkelingen waarbinnen die mens zich beweegt. Zweig is vóór alles geïnteresseerd in de menselijke geest, zijn angsten en obsessies. Er is een schitterende bijrol in deze roman voor de Weense arts Condor, een man met Freud-achtige trekken die van ieder consult een therapeutische sessie lijkt te maken. Voor de lezer breekt dan ook heel plotseling aan het einde van het boek de Eerste Wereldoorlog uit. De oorlog geeft Hofmiller een uitweg om te ontsnappen aan zijn bedrog en ongeluk. Zo wordt de dood van miljoenen voor Hofmiller de redding. Wat betekent immers een 'individuele schuld’ tegenover de 'kosmische schuld’ van de grootste vernietiging van de mensheid ooit, redeneert hij.
Op die wijze is de Eerste Wereldoorlog een blessing in disguise, zoals die het voor Stefan Zweig zelf ook geweest schijnt te zijn. Met zijn enthousiasme voor die oorlog was hij niet de enige: ook Thomas Mann en andere intellectuelen zagen het uitbreken van de oorlog als een bevrijding van de verroeste zeden en gewoonten. Later is Zweig tot inzicht gekomen: net als Menno ter Braak in Nederland werd hij 'partijloos’ en pacifist. En ook net als Ter Braak werd de werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog hem te machtig en koos hij voor zelfmoord.
Ongeduld is één groot lyrisch pleidooi voor vooroorlogs fatsoen en vooroorlogse argeloosheid, vlak voor de definitieve vernietiging. 'Je liever laten bedriegen dan zelf te bedriegen.’ De bedrogenen hebben Gods zegen.

STEFAN ZWEIG
ONGEDULD
Vertaald door Janneke van der Meulen
Atlas, 431 blz., € 39,90