Rechts utopisme

Dodelijke vooruitgang

…………………………………………………………………………………………..
Op De Avond van De Groene Amsterdammer, 27 oktober in de Amsterdamse Stadsschouwburg, zal John Gray een toespraak houden met de titel: Do Ideas Have Consequences? Oud Groene-redacteur Geert Mak reageert, de Franse filosoof Pascal Bruckner gaat met Gray in debat en de aanwezigen in de zaal kunnen vragen stellen.
…………………………………………………………………………………………..
In Zwarte mis geeft de Britse politiek filosoof John Gray een religieuze verklaring voor de liberalistische hoogmoed die leidde tot het fiasco in Irak. Een voorpublicatie uit zijn nieuwste boek.

‘De vijand heeft een gezicht. Hij heet Satan. En we gaan hem vernietigen.’

Luitenant-kolonel Gareth Brandl van de Amerikaanse mariniers vlak voordat hij met zijn troepen de aanval zou inzetten op de Iraakse stad Falluja.

In de vorige eeuw werd utopisme voornamelijk aangetroffen bij uiterst links. De nazi’s probeerden een utopisch visioen te verwezenlijken waarin een groot deel van de mensheid tot slavernij of uitroeiing werd veroordeeld, maar veruit de meeste utopieën die van invloed waren op de politiek bestonden uit visioenen van menselijke emancipatie. Aan het eind van de vorige eeuw drong het utopische streven de hoofdstroom van de politiek binnen. In de toekomst zou er nog maar één regeringsvorm bestaan: democratisch kapitalisme van Amerikaanse snit. In die voorbijgaande en inmiddels vergeten vlaag van hoogmoed die volgde op de ineenstorting van de Sovjet-Unie werd dat wel ‘de uiteindelijke regeringsvorm voor het menselijk ras’ genoemd. Onder aanvoering van de Verenigde Staten besloten westerse regeringen overal ter wereld de democratie te gaan vestigen… een onmogelijke droom die in vele landen slechts tot chaos kon leiden. Tegelijkertijd begon een war on terror waarbij geen onderscheid werd gemaakt tussen nieuwe bedreigingen en normale conflicten zoals die zich in de loop der geschiedenis voortdurend hebben voorgedaan. Rechts werd geheel in beslag genomen door zijn eigen fantasieën en net als de utopische visioenen van de vorige eeuw, maar dan heel wat sneller, zijn de grandioze projecten die daaruit voortkwamen tot stof vergaan.

In de twintigste eeuw leek het alsof utopische bewegingen alleen aan de macht konden komen onder dictatoriale regimes, maar na 11 september begon het utopische denken het buitenlandse beleid van de meest vooraanstaande democratie ter wereld te bepalen. In vele opzichten gedroeg de regering-Bush zich als een revolutionair regime. Om haar doelen te bereiken bleek ze bereid preventieve aanvallen uit te voeren op soevereine staten en sinds lang gevestigde Amerikaanse vrijheden aan te tasten. Ze heeft de bescherming van het habeas corpus onthouden aan terrorismeverdachten, in Guantánamo een concentratiekamp opgezet waarin mensen buiten het bereik van de normale rechtsbescherming gevangen worden gehouden, een heel apparaat opgezet om de Amerikaanse bevolking in de gaten te houden en Amerikaanse overheidsdienaren bevoegd verklaard om gevangenen te behandelen op wijzen die in elk ander land ter wereld als marteling beschouwd zouden worden. Op wat bescheidener wijze heeft het Verenigd Koninkrijk onder het leiderschap van Tony Blair een soortgelijke transformatie doorgemaakt.

Universele democratie en de _‘_oorlog tegen terreur’ zijn gevaarlijke waanbeelden gebleken. Evenals de utopische regimes uit het verleden willen deze regeringen niet toegeven dat ze proberen het onmogelijke te verrichten. Ze eisen vrijheid van beperkingen die zich in de loop van vele eeuwen hebben ontwikkeld om machtsmisbruik te voorkomen en in te perken. In de twintigste eeuw was het resultaat van dergelijke ondernemingen totalitarisme, dat wil zeggen een systeem waarin vrijwel alle aspecten van het maatschappelijk leven onder controle stonden van de regering. Tegenwoordig leiden dergelijke ontwikkelingen tot een soort non-liberale democratie, waarin verkiezingen plaatsvinden tegen een achtergrond van ingeperkte vrijheden. Net als bij eerdere uitbraken van utopisme loopt datgene wat in het verleden is bereikt averij op terwijl een denkbeeldige toekomst wordt nagestreefd.

Hoewel het rechtse utopisme zijn oorsprong vindt in al eerder ontwikkelde trends in het denken en het overheidsbeleid, heeft het een enorme impuls gekregen door de ineenstorting van het communisme. De communistische regimes hadden de voorhoede moeten zijn van een nieuw type samenleving dat alle vroegere samenlevingsvormen zou vervangen. De westerse staten die als overwinnaars uit de Koude Oorlog te voorschijn kwamen, zijn met een soortgelijk project begonnen. Onder leiding van een triomfantelijk Amerika hebben ze zichzelf vastgelegd op het opbouwen van een wereldomvattend economisch systeem. Nadat het alle andere economische systemen achter zich had gelaten, zou het mondiale kapitalisme het einde van de geschiedenis bewerkstelligen.

Zoals te voorzien viel, heeft de geschiedenis zich in werkelijkheid langs traditionele lijnen voortgezet.

(…)

Het resultaat van de poging om overal ter wereld een democratie naar Amerikaanse snit te vestigen, heeft slechts geleid tot een sterke afname van de Amerikaanse macht. Voor het eerst sinds de jaren dertig van de twintigste eeuw zijn ondemocratische regimes in de internationale politiek sterk in opkomst, terwijl de Verenigde Staten in enkele van de allerbelangrijkste conflicten van het internationale politieke bestel niet langer de speler zijn om wie alles draait. In de crisis rondom Noord-Korea is het China dat een centrale rol speelt, en niet de Verenigde Staten, en zonder hulp van Iran en Syrië kan er in Irak geen vrede komen. Amerika is een grootmacht geworden zoals vele andere in de loop van de geschiedenis, en net als zijn voorgangers komt die grootmacht voor dilemma’s te staan die slechts voor een deel vallen op te lossen.

(…)

Natuurlijk, de idealistische retoriek van de Verenigde Staten is altijd vergezeld gegaan van geopolitieke strategieën die gericht zijn op macht over energiebronnen. Toch zou het onjuist zijn om Bush’ gepraat over universele democratie van de hand te doen als niet meer dan hypocrisie. Een tijdlang is met inzet van de Amerikaanse macht een poging gedaan om de wereld opnieuw vorm te geven. De ramp die zich in Irak blijft ontvouwen is niet het resultaat van beleid dat wordt bepaald door de belangen van grote bedrijven, en al evenmin van de een of andere samenzwering. Het vormt een getuigenis van de macht van het geloof.

Het communisme is ingestort, maar het utopisme is niet verdwenen. Het werd nieuw leven ingeblazen en kwam aan de macht in de machtigste staat ter wereld. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Hoe heeft het utopisme, dat ooit voornamelijk aan de linkerzijde van het politieke spectrum werd aangetroffen, de macht weten te grijpen over rechts? Dat was een ontwikkeling die wees op een fundamentele verschuiving in de politiek, en als we die willen begrijpen, dienen we verder in het verleden te kijken dan de afgelopen paar jaar. Zonder de aanslagen op 11 september 2001 hadden de neoconservatieven in de regering-Bush nooit zo’n dominante positie kunnen bereiken en zouden de Verenigde Staten Irak niet zijn binnengevallen, maar achter deze gebeurtenissen liggen politieke veranderingen die zich in de loop van de afgelopen dertig jaar hebben voltrokken. In deze periode heeft het traditionele conservatisme opgehouden te bestaan. Net zoals uiterst links in het verleden, meende rechts sinds de jaren tachtig dat de mensheid bezig is aan een opmars vanuit het duister naar het licht, en de marsroute voert door het vuur van oorlog en revolutie. De transformatie die rechts heeft doorgemaakt is diep en ingrijpend geweest. Sinds de Franse Revolutie had rechts altijd zijn identiteit gevonden in weerstand tegen allerlei utopische plannen. De filosofie van rechts werd samengevat door Francis Bacon, Engelands grootste twintigste-eeuwse schilder en tevens een scherp observator van politiek en cultuur, toen hij opmerkte dat hij rechts stemde omdat dat probeerde het beste te maken van een beroerde toestand. In het verleden heeft rechts altijd gestaan voor een realistische aanvaarding van de menselijke tekortkomingen en een daarmee samenhangende scepsis ten aanzien van het vooruitzicht van vooruitgang. Men verzette zich niet altijd tegen veranderingen, maar de idee van de geschiedenis als een mars naar zonovergoten hoogvlakten werd beslist van de hand gewezen. De politiek werd beschouwd als een manier van omgaan met de menselijke onvolkomenheid.

(…)

In de afgelopen generatie heeft rechts afstand genomen van deze filosofie van de onvolmaaktheid en zich overgegeven aan het nastreven van een utopie. Met zijn militante vooruitgangsgeloof heeft rechts een radicale vorm van verlichtingsdenken aanvaard, waarin enkele van de kernmythen van het christendom in aangepaste vorm nieuw leven werd ingeblazen. Net als andere moderne revolutionaire bewegingen was utopisch rechts drager van geloofsovertuigingen die teruggaan tot in de Middeleeuwen, of zelfs tot in nog vroeger tijden.

Het rechtse utopisme is begonnen als een seculiere beweging. De neoliberalen die in de jaren negentig van de twintigste eeuw het westerse beleid hebben gevormd, waren over het algemeen weldenkende economen met een naïef geloof in hun versie van de rede. De vrije markt had zo nu en dan misschien een zetje nodig – met behulp van de structurele aanpassingsprogramma’s die vele ontwikkelingslanden door het Internationaal Monetair Fonds opgelegd kregen bijvoorbeeld – maar vanwege de groeiende welvaart die de vrije markt met zich meebracht, zou deze in steeds bredere kring aanvaard worden. Dit onschuldige geloof paste niet goed bij de grimmige werkelijkheid van de wereld na de Koude Oorlog, en het duurde ook niet lang voordat het werd vervangen door het militante geloof van het neoconservatisme. Neoconservatieven begrepen dat vrije markten zich niet op vredige wijze over de hele wereld zouden verbreiden. Ze zouden daarbij moeten worden gesteund door een intensief gebruik van militair geweld. De wereld van na de Koude Oorlog zou een tijdperk van bloed en ijzer worden, en geen tijdperk van vrede.

(…)

De neoconservatieven onderscheiden zich door hun strijdlustige optimisme, een eigenschap die hen verbindt met een krachtige utopische stroming in het denken van de Verlichting en met het christelijk-fundamentalistische geloof dat het kwaad verslagen kan worden. In de Verenigde Staten is utopisch rechts erin geslaagd om zowel gebruik te maken van religieuze tradities die op korte termijn een catastrofe voorzien, als van de seculiere hoop op aanhoudende vooruitgang. Een van de redenen voor de opkomst van de neoconservatieven was gelegen in hun vermogen om deze met elkaar strijdige gedachtestelsels te mobiliseren. Als we voorbijzien aan de politieke verschuivingen van de afgelopen generatie en de traumatische gebeurtenissen van de afgelopen paar jaar, heeft utopisch rechts een grote politieke overmacht weten te bereiken door enkele van de oudste en gevaarlijkste mythen van de mensheid nieuw leven in te blazen.

Naarmate deze beweging militanter werd, werd ze ook steeds minder seculier van aard, en toen utopisch rechts in Amerika op zijn hoogtepunt was, vertoonde het vele kenmerken van een millennialistische beweging. In het begin van de jaren negentig sloten de neoconservatieven een strategische alliantie met de christelijke fundamentalisten, en in de nasleep van de terreuraanslagen in 2001 kreeg de Amerikaanse politiek een onmiskenbaar apocalyptische toon. Bush verklaarde dat de Verenigde Staten werden bedreigd door de machten van het kwaad en begon een campagne om het terrorisme overal ter wereld uit te roeien. Twee jaar later verklaarde hij dat hij van plan was om de Amerikaanse democratie naar het Midden-Oosten en andere delen van de wereld te exporteren. Beide projecten waren onmogelijk te verwezenlijken en als ze allebei tegelijk werden nagestreefd, moest dat wel tot een ramp leiden. In de belangrijkste takken van de Amerikaanse regering werd dat maar al te goed begrepen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken, de cia en de geüniformeerde militairen in het Pentagon hebben zich tegen dit beleid verzet of geprobeerd het te matigen met een dosis realisme. Over het algemeen zijn die pogingen echter mislukt en is de moloch gewoon op zijn ingeslagen pad doorgegaan.

Het geloof dat het kwaad uit het menselijk leven verwijderd kan worden, heeft vele vormen aangenomen, waarvan het postmillennialisme er slechts één is. Een groot deel van de religieuze conservatieven die George W. Bush’ machtsbasis vormen (…) beschouwen de wereldconflicten, vooral die in bijbelse landen, als een voorspel van het Armageddon, de laatste veldslag waarin de strijd tussen licht en duisternis voor eens en voor altijd beslist zal worden. Anderen verwachten van deze beproeving verlost te worden in een Wegvoering (Rapture) waarin ze ten hemel zullen varen. In beide gevallen zal de onvolmaakte wereld waarin de mensheid altijd geleefd heeft, snel ophouden te bestaan.

Het eigenaardige aan het wereldbeeld dat met de regering-Bush aan de macht is gekomen, is niet dat het geobsedeerd wordt door het kwaad, maar dat het uiteindelijk niet in het kwaad gelooft. Naar aanleiding van de aanslagen op 11 september verklaarde Bush: ‘Onze verantwoordelijkheid jegens de geschiedenis is duidelijk: we moeten deze aanvallen beantwoorden, en de wereld verlossen van het kwade.’ Gezien in termen van de gevestigde christelijke leer is dit een volstrekt heterodoxe uitspraak. Sinds Augustinus heeft de hoofdstroom van het christelijke denken zich altijd verzet tegen de verleiding van een moreel absolutisme in de politiek: het koninkrijk der hemelen is niet van deze wereld, en geen enkele menselijke instantie kan er aanspraak op maken dat zij de drager van het goede is.

Het is een eerbiedwaardig cliché dat Bush’ wereldbeeld manicheïstisch is, maar de volgelingen van Mani waren subtiele denkers, die aanvaardden dat het kwaad nooit geëlimineerd kan worden. Geklets over het uitroeien van het kwaad is net zomin manicheïstisch als augustiniaans. Het is een uiting van een christelijk postmillennialisme dat teruggrijpt op het geloof van de vroege christenen dat de onvolkomenheden van het menselijk leven kunnen worden weggevaagd door een heilzame catastrofe.

Het politieke geweld van het moderne Westen valt alleen te begrijpen als een eschatologisch verschijnsel. De westerse beschaving herbergt vele tradities die daar niets mee van doen hebben. In de antieke wereld stelden de heidense filosofen zich net zomin ten doel om de mensheid met geweld te bekeren als de Hebreeuwse profeten, en in de loop van de hele westerse geschiedenis zijn er altijd sceptici geweest als Michel de Montaigne, die de twijfel beschouwde als de essentie van de beschaving. Binnen de Verlichting zijn er denkers geweest die elke idee van een permanente transformatie van het menselijk bestaan van de hand wezen. Maar deze elementen in de traditie zijn zelden dominant geweest; de wereld is nooit bezaaid geweest met standbeelden van Thomas Hobbes of Benedictus de Spinoza. De belangrijkste westerse tradities zijn altijd tradities geweest die erop uit waren om de aard van het menselijk leven zelf te veranderen, en aan dat project komt altijd al snel geweld te pas.

Vertaald door Rogier van Kappel en Albert Witteveen
Zwarte mis: Religieus fundamentalisme en de moderne utopieën zal in hetzelfde weekeinde verschijnen bij uitgeverij Ambo. De vertaling is van Rogier van Kappel en Albert Witteveen (320 blz.,e 19,95)

Verklarende woordenlijst

Chiliastisch

Het geloof in een nakend letterlijk duizendjarig rijk, naar het Grieks-Latijnse woord chilias: duizend.

Het Duizendjarig (vredes)rijk is een concept dat voortkomt uit een interpretatie van de Openbaring van Johannes, een van de bijbelboeken in het Nieuwe Testament. Een ander woord voor chiliasme is millenniarisme, dat is afgeleid van het Latijnse woord mille, dat eveneens duizend betekent.

Manicheïsme

Religie uit het oude Perzië waar zowel Augustinus als Rudolf Steiner grote belangstelling voor heeft getoond. Centraal staat de tegenstelling tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad. In de moderne tijd kwam ‘manicheïstisch denken’ te staan voor ‘zwart-witdenken’, meestal gebruikt als verwijt. (redactie)