INTERVIEW MET ACHILLE MBEMBE

‘Doden is effectiever dan denken’

Achille Mbembe kwam vol hoop naar Zuid-Afrika, dat zichzelf opnieuw zou uitvinden. Bijna tien jaar later is dat een illusie gebleken. Geweld en misdaad, corruptie en fraude, alcoholisme en drugsmisbruik zijn onhanteerbaar geworden. ‘De gettomentaliteit zegevierde.’

JOHANNESBURG – De intellectueel in Zuid-Afrika kreunt. Het land is een pad ingeslagen waar de denkers bruusk opzij worden geschoven door de grote bekken. Ze moeten het veld ruimen voor leiders die zich erop laten voorstaan dat ze de middelbare school niet hebben afgemaakt, en voor volksmenners die met chaos dreigen als hun idool, de van fraude en corruptie beschuldigde ANC-voorzitter Jacob Zuma, volgend jaar niet als president wordt ingehuldigd.
‘Wij zijn bereid de wapens op te nemen en te doden voor Zuma’, riep de voorzitter van de ANC-Jeugdliga Julius Malema onlangs. Hij kreeg meteen bijval van Zwelinzima Vavi, de secretaris-generaal van de grootste landelijke vakbond Cosatu, die zei voor Zuma te willen ‘schieten en doden’.
In dit klimaat van intimidatie en kortzichtigheid past ook de toenemende haat tegen buitenlanders. In mei werden zestig mensen gedood tijdens xenofoob geweld dat zich als een bosbrand over het land verspreidde. Somaliërs, Zimbabwanen, Mozambikanen, Nigerianen – ze werden zonder pardon uit hun huizen verdreven en afgetuigd. Tienduizenden mensen zijn met de staart tussen de benen teruggekeerd naar hun vaderland. Anderen wachten angstig op wat er nog komen gaat.
In de tuin van zijn huis in Johannesburg probeert Achille Mbembe, intellectueel en buitenlander, een verklaring te geven voor de deplorabele staat waarin Zuid-Afrika verkeert. In 1999 kwam hij met hooggespannen verwachtingen naar Kaapstad, een zacht sprekende, zorgvuldig formulerende Kameroener die aan de Sorbonne had gestudeerd en aan Amerikaanse universiteiten had gedoceerd. Er gloorde toen nog een utopisch optimisme. Nelson Mandela had de macht overgedragen aan Thabo Mbeki, een afrikanist met een scherp oog voor de economische en sociale misstanden.
Dit land, dacht Mbembe tijdens die gloriedagen, kon wel eens het grote voorbeeld voor de rest van de wereld worden. Het eerste land dat erin slaagt ernstige rassentegenstellingen te overwinnen en een nieuwe non-raciale samenleving op te bouwen. Zuid-Afrika als land dat alle vooroordelen over Afrika in één klap zou wegvagen.
‘Misschien was dat gewoon een illusie’, erkent Mbembe nu. ‘Maar ik zag het als een uiterst vitale bijdrage aan Afrika, en aan de geschiedenis van het menselijk ras – en het zou hier gebeuren.’

Wat hem wel al snel opviel was een traditie van gebrek aan respect voor intellectuelen, kunst en literatuur: ‘Dat zie je in veel settlerlanden: Algerije, Australië, Nieuw Zeeland. Dat heeft te maken met het kaliber van de mensen die zich daar vestigen. Eeuwenlang lazen de trekboeren hier bijvoorbeeld geen enkel boek. En als er bij hoge uitzondering een boek voorhanden was, dan was het de Bijbel. De Verlichting is geheel aan ze voorbijgegaan.’
Ook van zwarte kant bleek in Zuid-Afrika opvallend weinig te verwachten: ‘Daar heerst het ethos van nativism, gedomineerd door leven voor het moment en het bewonderen van macht en rijkdom. Intellect staat laag aangeschreven. Er is een knieval voor alles wat glimt, de blingcultuur, de gettomentaliteit. Wanneer Malema zegt dat hij bereid is te doden voor Zuma, wat betekent dat dan? Het betekent dat je niet bereid bent na te denken, want doden is effectiever dan denken. Dat zie je keer op keer terugkeren in Zuid-Afrika, een lompenradicalisme, waar mensen doen alsof ze radicaal zijn, maar in werkelijkheid als hooligans geweld vereren zonder politiek plan.’
En dan had je ex-president Mbeki, wiens populariteit steeds verder daalde. De schreeuwers vonden dat hij te ver van het volk stond, de progressieven verweten hem zijn onwrikbare houding inzake aids en Zimbabwe. Zelf was de trotse Mbeki de laatste die fouten toegaf. Mede dankzij zijn halsstarrigheid raakte het land in een impasse, waarbij de politiek de afgelopen twaalf maanden werd gedomineerd door een hondengevecht tussen het Mbeki-kamp en het Zuma-kamp.
Uiteindelijk delfde Mbeki het onderspit. Eind vorige maand nam hij na grote druk van het ANC vrijwillig ontslag, en werd hij tijdelijk opgevolgd door ANC-vice-voorzitter Kgalema Motlanthe, die na de verkiezingen die voor volgend jaar april of mei gepland staan de weg moet vrijmaken voor Zuma.
Achille Mbembe: ‘Mbeki handelde als een soort opperpriester die meent de wijsheid in pacht te hebben. En niemand mag dat in twijfel trekken. Hij heeft een vreselijk beeld van de intellectueel geschapen. Mede daarom verzetten de mensen zich daar zo heftig tegen. Voor hen is hij de verbeelding van de intellectueel. Het is een scheldwoord geworden.’
In die context komt de buitenlanderhaat niet als een verrassing. Dankzij het politieke en morele vacuüm met een onmachtige, insignificante oppositie kon wetteloosheid in alle richtingen uitdijen, en niets stond een avondje ‘buitenlandertje aftuigen’ meer in de weg. De media noemden het xenofobie, Mbembe geeft de voorkeur aan ‘negrofobie’: ‘Negrofobie doet zich voor als je de pest hebt aan mensen die er net zo uitzien als jij. In dit geval gaat het om arme zwarten die andere arme zwarten verfoeien, vooral als die ook nog eens uit een ander land komen. Dus die dimensie zit eraan. Maar ook een dimensie van etnische strijd. Want door “de ander” te stigmatiseren, bijvoorbeeld naar donkerte en taal, weet je uiteindelijk niet meer wie die échte ander is en wie daar alleen maar op lijkt. Zo kan het gebeuren dat er 21 Zuid-Afrikanen werden gedood tijdens die onlusten, een derde van alle slachtoffers.’
Maar er moet toch zeker meer aan de hand zijn? Al die regeringsbeloften die niet zijn nagekomen. Die veertig procent werkloosheid. Die uitzichtloosheid in de zwarte sloppenwijken. ‘Natuurlijk zijn er ook economische verklaringen. Maar ik zie niet goed hoe het traag leveren van publieke diensten je ertoe aanzet een Mozambikaan in brand te steken. Dus moet er iets anders spelen. En dat heeft denk ik te maken met zelfhaat. Reageer het af op mensen die nog armer en kwetsbaarder zijn dan jij. Je ziet dat in het hele land: vrouwen slaan, meisjes verkrachten, gezinsmoord.’

Ergens tussen 1994 en nu is het misgegaan, zijn geweld en misdaad, corruptie en fraude, alcoholisme en drugsmisbruik onhanteerbaar geworden, is de droom van de voorbeeldfunctie vervlogen. Het is een complex verhaal, waarin Zuid-Afrika een rol kreeg toebedeeld die het land niet aankon. Al die voormalige ballingen, de ANC-intelligentsia, de progressieve Afrikaners, de zakenmannen met grote plannen, de internationale leiders, zelfs Mandela en Tutu: ze hebben de wereld een vals beeld voorgespiegeld. Achter hun praatjes over een regenboognatie en de Afrikaanse renaissance school de massa van miljoenen nauwelijks opgeleide mensen, die geen boodschap hadden aan al die idealen van vrijheid en wat Mbembe ‘Afropolitisme’ noemt: een land dat constant openstaat voor de rest van de wereld. Zij wilden materiële vooruitgang: een huis, water en licht. En als je zonder opleiding toch eenvoudig aan geld kan komen, waarom niet? De gangster met zijn BMW, bling en babes werd het rolmodel.
‘De gettomentaliteit zegevierde’, verzucht Mbembe.
Nu is het niet ongebruikelijk om in Zuid-Afrika een stevige dosis pessimisme te horen. Het zit hier in het drinkwater. Al jaren stuitert het land van euforie naar vertwijfeling en weer terug. Maar Mbembe behoort zeker niet tot de groep notoire zwartkijkers, zoals de gemarginaliseerde Afrikaners en angstige joden. Hij staat te boek als een onbevooroordeeld en holistisch denker. Hij is het tegenovergestelde van een Afro-pessimist, iemand die naar zichzelf verwijst als ‘niet cynisch maar wel kritisch’.
Tijdens ons onderhoud wordt er nog steeds gelachen. Maar de onderstroom van deceptie is bijna tastbaar. Zijn stem krijgt herhaaldelijk een hoge, melancholieke toon, die hint naar de niet uigesproken gedachte dat het leven wellicht elders is. Het eeuwige utopische zoeken.
Achille Mbembe werd in 1957 geboren in de Kameroense hoofdstad Yaounde, een stadsjongen die zijn vrije dagen doorbracht op de boerderij van zijn vader. Tevens kreeg hij als kind een flinke scheut religie mee. Niet alleen bezocht hij een jezuïetenschool, bovendien moest hij zijn analfabete grootmoeder vrijwel dagelijks voorlezen uit de Bijbel. ‘Het Oude Testament maakte diepe indruk’, zegt hij, om haastig toe te voegen: ‘Maar ik groeide op zonder een gelovige te zijn. Ik was al op jonge leeftijd een scepticus.’
Geen gelovige dus, maar ook geen verstarde marxist, zoals veel Afrikaanse generatiegenoten. En evenmin een pan-Afrikanist. Liefst noemt hij zichzelf humanist: ‘Ik stond niet afwijzend tegenover het marxisme, maar vond het in spiritueel opzicht armoedig. Altijd maar dat materialisme. Een mens is meer dan alleen zijn materiële behoeften. Ik sta waarschijnlijk dichter bij joodse marxistische denkers als Walter Benjamin en Ernst Bloch. En pan-Afrikanisme? Dat was populair op de universiteit, maar het heeft mij nooit aangetrokken. Ik ben geen meester in raciale identificatie. Dat heb ik nooit geleerd.’
Wel was Mbembe een briljant student, die na de Universiteit van Yaounde moeiteloos zijn studie geschiedenis en politiek kon voortzetten aan de Sorbonne in Parijs. Daar kwam hij in aanraking met denkers als Jacques Derrida, Cornelius Castoriadis, Claude Lefort en Michel Foucault. ‘Foucault doceerde een paar maanden per jaar, aan het College de France, vroeg in de ochtend. Altijd stampvol. Zijn colleges waren intellectueel spektakel.’
Foucault, Derrida, en later Franz Fanon beïnvloedden zijn denken, nog altijd: ‘Foucault liet zien wat macht is en hoe het werkt. Destijds was ik geïnteresseerd in verzet, hoe mensen zich verzetten tegen een onderdrukkend systeem. Hoe gaat dat in zijn werk? Hoe verkrijg je voldoende autonomie om je volledig ingezetene te noemen?’ En Derrida? ‘Dat laat zich moeilijk samenvatten. Hij werkte destijds aan een hele reeks onderwerpen. Vragen rond gastvrijheid, vragen rond vriendschap. Schrijven, écriture. Vragen rond verschillen en anders zijn, democratie, kosmopolitisme. Dergelijke onderwerpen interesseerden mij.’
Zijn naam zong rond. Hij verdween naar Amerika, waar hij onder meer aan Columbia University in New York doceerde. Maar na zes jaar vond hij het welletjes. Het verlangen naar Afrika knaagde. Na een mislukt avontuur in Senegal besloot hij zuidwaarts te gaan, om zich bij zijn liefde, een academica uit Kaapstad, te voegen en zich te verdiepen in zijn nieuwe gastland. De eerste zes maanden deed hij niets anders dan naar de radio luisteren en kranten lezen, in een poging de Zuid-Afrikaanse complexiteit te doorgronden. ‘Het duurde lang eer ik wat zinnigs over het land kon zeggen’, erkent hij.
Als ik suggereer dat hij, zoals alle nieuwkomers, met vooropgezette meningen hierheen moet zijn gekomen, om te ontdekken dat al die ideeën helemaal niet kloppen, schudt hij zijn hoofd: ‘Ik had helemaal geen verwachtingen. Maar ik had wel het idee dat zich hier iets voltrok dat beslissend zou kunnen zijn voor de toekomst van het continent. Dat wilde ik meemaken en tot onderwerp van mijn intellectuele en politieke speurtocht maken.’
Nadat hij zich vervolgens ook nog eens grondig had verdiept in de pre-koloniale geschiedenis kwam Mbembe tot de conclusie dat Zuid-Afrika pertinent geen natiestaat is, maar een ‘transnationaal land’, in de loop der eeuwen gevormd door mensen uit alle windstreken: ‘Het is een land dat aan Afrika toebehoort, maar ook aan Azië en delen van Europa.’

Dat brengt ons weer terug bij de kern van de zaak. Kan het aanzwellende tij nog worden gekeerd? Kan Zuid-Afrika zijn belofte als Afropolitaan land nog waarmaken? Een ernstige blik. ‘In de eerste plaats heb je leiders nodig die discipline tonen en die in de gaten hebben waar het ooit om ging: vrijheid en non-racialisme. De huidige leiders zijn de weg volledig kwijtgeraakt. De staatskas leegroven, daar draait het om. Je moet terug naar het oorspronkelijke plan, dat actualiseren en in de gaten blijven houden. Wat is de Zuid-Afrikaanse bijdrage aan het debat over vrijheid? Niks. Niemand denkt daar nog over na.
Tevens moet je de democratie uitdiepen. In Zuid-Afrika betekent dat dat het raciale element moet worden geneutraliseerd, zodat er coalities kunnen ontstaan die niet op ras zijn gebaseerd. En ook moet het kiessysteem worden gewijzigd. Onder het huidige systeem hoeven de volksvertegenwoordigers absoluut geen verantwoording af te leggen aan de kiezers.’
Mooi gezegd. Maar wie gaat daarvoor zorgen? Mbembe ziet een belangrijke taak weggelegd voor de civil society en de culturele sector. Hij pleit voor een sterke avant-garde en een weerbarstige underground, een terugkeer naar de tijden van André Breton en Louis Aragon, toen politiek activisme en avant-gardistische cultuur nog nauw gelieerd waren: ‘Ik ken geen enkel land van formaat waar verschuivingen hebben plaatsgevonden zonder een avant-garde, een groep intellectuelen die het voortouw namen. Daarvoor heb je een vruchtbare bedding nodig van een coalitie tussen onderdelen van de staat en verlichte delen van de zakenwereld, een coalitie die het eens is over de richting en die voldoende ruimte, flexibiliteit en meervoudigheid garandeert. Als zo’n coalitie er niet in zit, dan moeten er tenminste voldoende elkaar overlappende netwerken ontstaan die ervan overtuigd zijn dat er geen plaats is voor xenofobie, en dat dit stukje Afrika onlosmakelijk onderdeel is van de rest van de wereld.’
Voorbeelden zijn er wel degelijk. Neem de Universiteit van Witwatersrand, waar hij als senior researcher verbonden is aan de denktank WISER (Wits Institute for Social and Economic Research). ‘Bijna veertig procent van de universitaire staf bestaat uit mensen die niet uit Zuid-Afrika komen. Op sommige faculteiten is dat zelfs vijftig procent. Dat zijn mensen met wie je dagelijks communiceert en samenwerkt. Een enclave? Ik meen van niet. In de internationale zakenwereld hier vind je een vergelijkbare samenstelling. En als je naar de arme wijken aan de rand van de binnenstad gaat, wijken als Hillbrow en Yeoville, dan merk je dat die geheel multinationaal zijn.’
We hebben dan meer dan twee uur zitten praten. Zijn uitgebreide kennis van voetbal en Afro-beat hebben we helaas links laten liggen. In plaats daarvan zijn we steeds verder afgedaald in de uitgeteerde mijngaten van het post-apartheid-Zuid-Afrika. Ik vertel Mbembe dat ik op weg naar onze afspraak een schoolmeisje op straat zag zingen en dansen. Ze was helemaal alleen, blij. Ik vertel hem hoe lang geleden het is dat ik iemand in Johannesburg zag die werkelijk gelukkig leek.
Hij glimlacht en knikt: ‘Ik voelde me niet bedreigd door die xenofobie. Mijn ervaring hier is er altijd een geweest van gastvrijheid en vriendschap. Goed, ik realiseer me dat dat te maken heeft met de kringen waarin je verkeert. Maar er zijn stromingen in Zuid-Afrika waar gastvrijheid en openheid voor de rest van de wereld nog steeds centraal staan. Het zou mooi zijn als dat de dominante stroming werd. En dat ik tijdens mijn verblijf hier zou helpen die te consolideren en versterken.’
En als dat niet gebeurt? Zijn stem krijgt weer die hoge, weemoedige klank: ‘Als we daar niet in slagen, dan hebben we een probleem, een enorm probleem. Dan weet ik niet hoe we het gaan redden. Het is mijn bedoeling zo lang mogelijk te blijven. Blijven tot het onhoudbaar wordt. Als dat gebeurt, dan ben ik vertrokken.’